Artikelen uit oude Mededelingen

Sinds 1976 geeft de Historische Kring Huessen het periodiek "Mededelingen" uit
Het blad had toen als ondertitel "over de werkzaamheden van de Historische Kring Huessen".
Dat is nu veranderd in "omtrent de verenigingsactiviteiten van en de resultaten van historisch onderzoek door de Historische Kring Huessen"
Mededelingen werd toen nog vormgegeven op een ouderwetse typemachine en daarna vermenigvuldigd op een stencilmachine.

Ook de Gelderland Bibliotheek heeft in zijn bestand een groot aantal artikelen uit oude Mededelingen.

Welke artikelen dat zijn kunt u hier raadplegen


  • De Kleefse burcht van Huissen, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79) Open or Close

    De Kleefse burcht van Huissen

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79)

    bij de recente prentvondst
    door Th.H. Janssen

    De gereproduceerde - kortgeleden ontdekte - afbeelding van een gedeelte van het voormalige burchtcomplex, wijst er op dat dit complex een vrij omvangrijke bebouwing moet hebben gehad.
    Men kan het geheel situeren op de plaats van het huidige Dominicanenklooster tot aan het Hoofdkwartier van de Verkennersgroep Mbaga- De Huissense burcht der Kleefse landsheren wordt, voorzover mij bekend, het eerst genoemd in een oorkonde uit 1332, waarbii graaf Dirk IX van Kleef een leen uitgeeft op zijn burcht te Huissen (1).
    In een oorkonde van 7 september 1361, waarin graaf Johan van Kleef ridder Otto van Bilant tot Drost en Ambtman van Huissen en Malburgen benoemt, wordt een aantal bouwwerken uit het complex genoemd: HUYS (woonhuis), BORGH (versterkt huis) en TORN (toren) (2). Volgens mij is er op de prent van Van Alkemade en Van der Schelling maar één van deze gebouwen zichtbaar.
    De prent geeft de situatie weer zoals die in het begin van de 18e eeuw, vanuit het NOORDEN te zien moet zijn geweest en wel vanuit halfweg de huidige Burchtgracht.
    Tussen deze straat - welke in de 16e eeuw "de wegh langs die Borghgraft" werd genoemd - en het burchtcompiex, ligt, zoals vaag op de tekening is te zien een brede gracht, welke zich langs de gehele huidige Burchtgracht tot aan de Vierakkerstraat uitstrekte.
    Achter deze gracht is op de prent een vrij omvangrijke bebouwing te herkennen, waarvan een gedeelte door een weermuur (verdedigingsmuur) is omgeven met hoektorens. Tegen deze weermuur, welke ná de burchtgracht als tweede bescherming dienst deed, is een hordijs te onderscheiden.
    Een hordijs is een houten galerij, welke aan de buitenzijde tegen de weermuur is aangebouwd als extra verdedigingsvoorziening bij een belegering.
    Deze houten bouwsels waren in de planken vloer van werpgaten voorzien. De galerij was aan balken bevestigd, welke door gaten in de weermuur liepen.
    Rechts op de tekening is ijk de zgn. Grote Toren te herkennen, welke eeuwenlang in het stadsbeeld een dominerende functie heeft gehad. Deze Grote Toren wordt in de burchtbouw tot de zgn. motteburchten gerekend. "Motto" is een uit het Frans afkomstige benaming voor met mensenhanden opgeworpen (kunstmatige) heuvels, welke oorspronkelijk van een houten toren met palissade en later een stenen donjon of woontoren met ringmuur zijn voorzien.
    De donjon was in de vroegste tijden van de burchtbouw het laatst te verdedigen toevluchtsoord (vluchttoren). De ingang van een dergelijke toren bevind zich ver boven de begane grond en was alleen bereikbaar via een ladder of trap, welke tiidens een belegering werd ingetrokken. De Grote Toren , zoals deze op de tekening is weergegeven, valt te plaatsen in de tuin van het klooster, tussen de kloosterkape! en het verkennershoofdkwartier.
    In het begin van de jaren vijftig heeft men bij de sanering van het laatste restant van deze motteburcht, namelijk de burchtheuvel welke de Hazenberg werd genoemd, door orderzoek weten te achterhalen, dat de grondophoging van deze door mensenhanden opgeworpen heuvel tot aan de l0e eeuw heeft geduurd. Daarna, in de 10e eeuw of iets later, heeft men op de kruin van deze heuvel uit tufsteen de toren met ringmuur gebouwd.Deze vluchttoren moet in het Overbetuwse land één der eerste stenen verdedigingsbouwwerken zijn geweest.
    Bij een dergelijke mottetoren behoorde ook altijd een voorhof of voorburcht, die meestal van een omwalling was voorzien. Deze voorhof of —burcht moet m.i. hier óók hebben gelegen en moet worden gedacht op de piaats, waar nu het eigenlijke kiooster staat.
    Dit terreingedeelte, waarop mogelijk reeds twee bouwwerken aanwezig waren van een vroegere datum dan de Grote Toren en waarvan er één de Danenbergh heette, lijkt me in de 12e eeuw te zijn uitgebouwd tot een zelfstandig burchtcomplex, dat door een muurwerk met weergang met de Grote Toren werd verbonden.
    Ais we nu tot de prent terugkeren zien we vervolgens in het midden, links van de Grote Toren, een hoog bouwwerk met getrapte zijgevel, dat het woonhuis of het kasteel was. In dit huis zal de beheerder van het burchtcomplex zijn onderkomen hebben gehad. Hier zullen zich 00k de leefruimten, zoals de ontvangsthal, de eet- en slaapvertrekken, de keuken met proviandruimten en kelders, hebben bevonden.
    Ongetwijfeld zal dit kasteel via een trappenbordes vanaf het burchtplein te bereiken zijn geweest. Vóór dit kasteel zien we links één der poorten van het poortcomplex via hetwelk men vanuit de stad toegang kreeg tot het burchtterrein. Deze toegangspoort is maar een gedeelte van het poortcomplex. Het poortgebouw wordt gevormd door twee op enige afstand van elkaar staande torens, die door een muurwerk met doorgang met elkaar zijn verbonden. Te oordelen aan de raampartijtjes, welke in het bovengedeelte van het muurwerk te zien zijn, zal in het middengedeelte van het poortgebouw nog een ruimte aanwezig zijn geweest.
    De beide torens sloten zich aan beide zijden op de weermuur rond de burcht aan. Voor deze poort is juist nog even het bovendeel zichtbaar van het huis, dat door de poortwachter moet zijn bewoond geweest. Vanaf deze poort tot het op de prent in de linker onderhoek zichtbare huis, waarvan een gedeelte van de achtergevel en van de getrapte zijgevel juist nog even te zien is, loopt een muurwerk over de burchtgracht, dat m.i. doorloopt naar de voorpoort van het poortcomplex .
    De muur zal ook aan de andere zijde gelegen hebben, zodat de weg tussen de vóór- en binnenpoort aan beide zijde begrensd en beveiligd zal zijn geweest.
    De voorpoort heeft zich bevonden ter hoogte van het ontmoetingspunt Burchtgracht(straat) en Gasthuisstraat. Vermeldenswaard is, dat de Gasthuisstraat in de 17e eeuw de "Borgstrasz", de weg naar de burcht werd genoemd.
    Het inksonder op de prent nog zichtbare huis wordt in de 17e eeuwse stukken "het erste haus voor der Schloszbrugge" genoemd.Hiermede wordt aangeduid, dat v66r de voorpoort een well icht ophaalbare brug over een doorloop van de bugchtgracht heeft gelegen.
    Rest nog te vermelden, dat op de tekening binnen het ommuurde burchtterrein enkele kleine bouwwerken te zien zijn. Deze zullen ongetwijfeld hebben gediend als onderkomen voor de leden van de burchtbezetting (manschappen) met hun gezinnen. Tevens zullen deze ook wel als onderkomen hebben gediend voor de paarden, het wagenpark en de verdedigingswerktuigen en -middelen.

    DE KLEEFSE BURCHT VAN HUISSEN  
    1) Afgedrukt bij: Lacomblet, urkundenbuch, 3, 117.
    2) Ilgen, Quellen , Band II, 1.Teil, pg. 124-125: "End hebben voert denselben heren Otten bevalen onse huys ende borgh end torn tot Huyssen to hueden end te bewaren, op wilk huys end borgh voerscr. hij ons halden sal ijlf gueder manne gewapent tot hem selven... "
    Opgemerkt moge worden, dat Egbert Hopp in zijn "Kurze Beschreibung des Clevischen Landes..." melding maakt van het feit, dat hertog Adolf II (1394—1411) het kasteel te Huissen zou hebben laten bouwen. Deze hertog was ook de bouwheer van de Zwanenburcht te Kleef. (Zie ook: J. Zweers, Egbert Hopp en Huissen, in "Mededelingen", 2e jrg.,nr. 6, pg. 152—15B).

    slot Custom

    Het onderschrift van de prent luidt: te Huessen, niet verre van de Stad Aarnhem, over Isseloort in de Betuwe gelegen, nabij den oever van den Rijn, int Stedeken dat die naam draagt behoort, t'geen opmerkelijk is, onder t' land van Kleef, begrijpende een kreijts, dat men inde Kaart met een kleijne penning kan bedekken, waar in de Roomsche een openbaar Klooster hebben, t'welk den Koning van Pruissen geen klein gewin aanbrengt. En nadien dit Stedeken van der Staaten gebied geheel omringt is, zoo ist niet oneijgen, dat dit deftige Slot mede onder de Geldersche gebouwen geteld werd" .

  • Vierakkerstraat voor ca. 65 jaar, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/1979) Open or Close

    Vierakkerstraat voor ca. 65  jaar, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79)

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 6 (1978/79

    Bij een oude ansichtkaart

    Het Kring-lid, de heer G. Bedeaux, is er in geslaagd om een weinig bekende ansichtkaart van Huissen aan te kopen van een Oosterbeeks verzamelaar. Hij heeft haar graag ter reproductie afgestaan en wij zijn hem daarvoor biizonder erkentelijk. De opname is gemaakt en uitgegeven door wijlen de heer A. J. Scheepers ( in de volksmond "Jaonus' Scheepers) onder nr. 9888, en toont de Vierakkerstraat, gezien naar de richting Markt, vanaf een punt iets voorbij de Pepergas. De heer Scheepers, eigenaar van manufacturenhande! "De Beijenkorf" en Bioscoop Apollo, was een verwoed fotograaf, die tal van ansichten van Huissen heeft vervaardigd. Het Onderhavige exemplaar is vrij zeldzaam. Er zijn méér opnamen van de Vierakkerstraat vanaf ongeveer dit punt bekends maar geen vertoont zoveel poserende mensen. Deze ansichtkaart is dan ook zeker curieus te noemen. De opname is in elk geval na 1910 gemaakt omdat de trambaan er op voorkomt, die in dat jaar werd aangelegd.
    Voor de "identificatiet' zijn we te rade gegaan bij de heer J. Brons, Huissens oudste inwoner, die echter de afgebeelde personen niet meer kon thuis brengen.
    Ten aanzien van de panden waren er minder moeilijkheden. Te beginnen rechts op de voorgrond: manufacturen- en hoedenmagazijn "De Zon" van Cor. Scheepers (broer van de fotograaf) .
    Dit pand is in de jaren dertig afgebrand. Vervolgens: slagerij Koos Giesbers, fam. Goris (daarna Kortman), dan bakkerij Jan Siepman, voorts mej. Hendriks en de pettenmaker Willem Abrahams (dit oude pand staat er nog, naast Alfa-Makelaardij) .
    Op de foto is nog de straatlantaarn aan de gevel van het hoekhuis Vierakkerstraat/Tempelierenstraat zichtbaar. Op de achtergrond het huis, dat toen bewoond werd door koperslager Hoff, later door schilder M. Hendriks. Vanaf de voorgrond links: huis en winkel van Agnes Wouters ("Niske de Geit") , thans bakkerij Borgers; vervolgens: koperslager Kees Huisman (pand met een klokje in een gevelsteen) ; dan: winkel-woonhuis en bakkerij Van der Welk, thans resp.supermarkt Geveling en Maison Henny, dan: Lentjes, Smitter, dames Bos, pakhuis v.d.Welk (Stadswaag) en hoekpand J. Berns.

    vierakkerstraat 65 jaar geleden1

  • De Markt toen er nog veemarkt werd gehouden, uit Mededelingen jrg. 3 nr. 6 (1978) Open or Close

    De Markt toen er nog veemarkt werd gehouden

    Uit Mededelingen, jaargang 3, nummer 6 (1978)

    De Markt is vanaf de bevrijding regelmatig een punt van discussie geweest in het kader van de plannen rond de wederopbouw van de kom.
    De rapporten, voorstellen en historische beschouwingen daaromtrent zijn legio. In de uitgave Huissen in oude ansichten' (Zaltbommel ,1973) vindt men via de foto's 1 t/ m 7 de wisselende situatie rond de Markt vanaf de eeuwwisseiing tot en met ca. 1940 in beeld gebracht.
    Het zijn echter alle stereotype ansichtkaarten, d. w. z. "stillevens". Wij publiceren thans twee (amateur-)foto's, die een activiteit op de Markt in beeld brengen, welke inherent is aan een marktplein: het houden van een (vee—)markt, en wel in de vooroorlogse jaren.
    De weekmarkt, zoals die thans, sinds een aantal jaren, op de vrijdagmiddag wordt gehouden, deed voor het eerst haar intrede in het najaar van 1940, ofschoon er in vroeger eeuwen uiteraard tal van markten werden gehouden, zowel jaar- als weekmarkten. (Men Zie o. a. de snipper "Markten te Huissen" in ' 'Mededelingen', le jrg. ,nr.2, pg. 19) .
    Het houden van veemarkten, zowel in het voorjaar als in het najaar, was van belang toen Huissen nog veeteelt van enige betekenis kende.
    Het houden van veemarkten werd met name in de vorige eeuw en in de eerste drie decennia van deze eeuw steeds sterk gestimuleerd door de gemeenteraad, waarin - althans in de vorige eeuw - het agrarisch element sterk vertegenwoordigd was, zo niet overheerste.
    In "Huissen, eene stad des vredes" (Dordrecht, 1856) maakt ds R. H. Graadt Jonckers op pg. 11 gewag van de in het oude keurboek ("Rechten der stad Huissen") vermelde vier "Peertsjaarmarckten" en van het feit, dat "men nu met nog niet veel succes eene beestenmarkt heeft opgerigt, ofschoon de Huissensche veehouders meermalen op keuringen of tentoonstellingen bekroond zijn".
    Dat het met de aanvoer op de — in de jaren veer tig van de vorige eeuw - nieuw geactiveerde veemarkten niet zo best gesteld was, blijkt bv. uit de raadsnotulen van 1848. De gemeenteraad besloot daarom een advertentie te plaatsen in de Arnhemsche Courant, waarin werd geannonceerd, dat twee premies waren vastgesteld voor de eerste markt, nl. f. 12.-- "voor hem, die het meeste hoornvee hier ter markt brengt en f. 6.-- voor hem, die deze het naaste bijkomt, zullende in twijfelachtige gevallen het gemeentebestuur desideeren".

    veemarkt42
    De folder, die de Marktcommissie in september 1940 in Arnhem-Zuid liet verspreiden. Deze commissie, welke in maart 1940 besloot tot oprichting van de "Vereeniging ter bevordering van de veeteelt en het marktwezen Huissen" , bestond uit de heren: G.Janssen Hzn, F.van Dort, A. H. Berendsen, C. Hoogerbrugge, A.Tonk, S.A.Huisman, G.J.v.d.Beld, Jac.van Vorselen, H. Wolters, W. Th. van Huet en E. J.Vliem.
    Tot instelling van de weekmarkt besloot de raad in juli 1940 .


    Nadat de advertentie in maart was geplaatst werden in april reeds uitbetaald aan H. Weltjens en Henr. Konings, beiden te Huissen, resp. f. 12.—- en f. 6.-- "voor premie van op den 4 April 1848 het hoogste getal hoornvee aan de Markt te hebben gebragt". Een kwarteeuw later, toen er 3 voorjaarsveemarkten werden gehouden, was de situatie aanmerkelijk beter en het lijkt ons interessant om een indruk te geven van deze situatie, nu ruim een eeuw geleden, zoals die wordt medegedeeld in een krantebericht van 22 april 1875:
    "Huissen. - Onze voorjaarsmarkten op 6, 13 en 20 April waren dit jaar ruim voorzien van schoon rundvee in groote verscheidenheid, en gaven den talrijken marktbezoekers en veehandelaars de beste gelegenheid hunne gading te maken.
    Op den eersten marktdag waren er ongeveer 150 stuks schoon vee aan de lijn; dit getal klom op den tweeden tot circa 200 stuks uitmuntend vee; terwijl er op de laatste markt een honderdtal waren aangevoerd. De handel was levendig, er werden flinke prijzen bedongen en aanzienlijke koopen gedaan tot koppels van 6 en 9 stuks.
    Over het algemeen kan gezegd worden, dat de verwachting overtroffen is" .
    De foto's, die wij nu publiceren, werden gemaakt tijdens de voorjaarsveemarkt op woensdag, 13 april 1932. Een krantebericht zegt ervan: "Het was j.l. Woensdag een ongekende drukte in ons anders zoo rustig stadje bij gelegenheid der Voorjaars-Veemarkt. Aangevoerd waren 70 stuks hoornvee en S manden biggen. De handel was vlug en menig beestje ging in andere handen over".

    veemarkt32
    0e belangstelling op deze veemarkt was zo groot, dat de koeien — op één na (bovenste foto) - onzichtbaar zijn geworden. Uit de foto's blijkt, dat het vee was opgesteld zowel aan de kant van de Rijnstraat (foto boven) als bij de hoek Langestraat—Vierakkersestraat (foto beneden). De foto's zijn bovendien interessant wegens de gebouwen, die er op voorkomen. Op beide opnamen staat centraal het hoekpand Langestraat-Markt-Rijnstraat. Het was destijds bewoond door de heer M. (Tinus) Hendriks, schilder. In de aanbouw met het schuine dak had hij de werkplaats. Boven de dubbeIe deuren stond geschilderd: "Schilderwerkplaats". Enkele jaren later werd het pand gesloopt, waarna de heer J.A. van der Kemp er het winkel-woonhuis ("De Toko") liet bouwen, dat er nu nog staat.
    Er is thans een kapsalon (Koeleman) in gevestigd. Achter de werkplaats is zichtbaar het hoge achterhuis van het pand, destijds bewoond door de fam. Hagdorn (winkel —bakkerij—woonhuis) , thans drukkerij Kuipers. Op deze foto, we!ke vanaf de dijkafrit werd gemaakt, zijn verder zichtbaar: links het café op de hoek Langestraat—Markt- Vierakkersestraat (laatstelijk Café Hoedt) en daarnaast café De Poort van Cleef. Beide panden werden bij het bombardement van 2 oktober 1944 getroffen en na de bevrijding gesloopt. Op de achtergrond zijn zichtbaar de torenspitsen van de r.k.kerk (links) en de herv. kerk (rechts), beide aan de oorlogshandel ingen ten offer gevallen. Het huisje uiterst rechts, dat op de benedenste foto beter zichtbaar is, is behouden gebleven.
    De foto beneden werd vanaf de kant van de Tempelierenstraat gemaakt. Links op de voorgrond ziet men de oude hardstenen stadspomp, waartegen een ANWB-wegwijzer was geplaatst. De opname laat ook de voorgevel van het hoekpand—Hendriks zien; daarnaast winkel -bakkerij-woonhuis Hagdorn. Voorts (even zichtbaar) het pand van de fam. Broekman. Daarnaast stond het oude huis van de fam. De Haas, dat op de Gemeentelijke Monumentenlijst van 1943 werd geplaatst met de redengevende omschrijving: "... met kenmerkende dakkapel en fraaie Bentheimer stoep (waarvan één der stenen aan de Arnhemse Poort is geplaatst) , alsmede voordeur met levensboom in bovenlicht".
    Tenslotte is zichtbaar de hoge topgevel , die met een scheepje was bekroond; een opmerkelijke schepping van de bouwkundige Frans Siepman. Rechts op de voorgrond kinderen, die geleund staan tegen de palen, die op marktdagen werden geplaatst.

    De Markt van de toekomst ?
    Nog steeds is, zoals bekend, niet definitief vastgesteld hoe in de toekomst de Markt er zal gaan uitzien. Nu het nieuwe stadhuis tenslotte toch niet op zijn historische plaats is teruggekeerd wordt - in het kader van het Ontwerp-Structuurplan voor de Kom - aan een andere representatieve bebouwing gedacht. Niettemin blijft het gegeven, dat de na de oorlog ontstane vergrote Markt door de uitbreiding aan de noord(Vervolg op pg. 248)
    zijde een nmoeiiijk" plein doordat het doorsneden wordt door de dijkafrit, de Lange- en de Vierakkersestraat. In zijn bezwaarschrift aan de gemeenteraad zegt ons lid, de heer J.C. Berendsen, ervan: "De z.g. markt is destijds door een verkeerde plaatsing van een overigens zeer verdienstelijk stadhuisje in waterstaatsstijl alsmede door de uitmonding van de interlocale verkeersweg Lijmers—Looveer ter plaatse in de Vierakkersestraat, haar functie ontnomen en later met grote kosten opgerekt door afbraak van de Vierakkerstraat-bebouwing ter plaatse, maar de Markt blijft opengesplitst..."
    Ons 'id-rechtspersOns lid-rechtspersoon, de "Rabobank" , heeft in haar bezwaarschrift aan de raad de kwestie van de Markt — waaraan haar hoofdkantoor is gelegen - eveneens aangesneden. De Rabobank volstaat echter hiet met een bezwaar maar presenteert ook een eigen plan voor een Markt. Wij achten dat plan rond deze historische plaats in ons stadje interessant genoeg om het onder de aandacht van onze leden te brengen.
    In het bezwaarschrift schrijft de Rabobank: "De Markt is te klein gedacht om werkel ijk als ontmoetingsplaats te kunnen fungeren. Door de bebouwing aan de zuidzijde en de noordzijde op te schuiven in de richting van de Langestraat, en bij de Herv. kerk af te sluiten met een straat welke de Langestraat met de Langekerkstraat verbindt en een muur er/of groen, wordt een plein verkregen, dat de functie van ontmoetingsplaats en representatieve ruimte kan vervullen.
    Hiermede worden tevens de mogelijkheden tot bebouwing van het zuidelijke gedeelte van het huidige marktterrein aanmerkelijk verbeterd, evenals de mogelijkheden van bevoorrading van de panden aan de Vierakkerstraat.
    De Rabobank verwijst dan naar een bijgevoegde schets, zoals harerzijds de situering van de Markt en de verbinding met de Langekerkstraat is gedacht. "Uit de indiening van dit voorstel kan geconcludeerd worden, dat aan de realisatie van dit voorstel onzerzijds medewerking verleend zal worden", aldus de bank, die, zoals bekend, o.a. ook eigenaresse is van het gebouw van de Cremerstichting.
    Wij hebben de schets van de Rabobank geprojecteerd op een fragment van de stadsplattegrond, schaal 1 : 1000 en van verklarende aanduidingen voorzien. Het plan lijkt ons in elk geval het bestuderen alleszins waard.

    veemarkt12

    veemarkt22

    H.W.J.D. 

  • Dominicanenklooster en omgeving uit archeologisch gezichtspunt, uit Mededelingen , jrg 3, nr. 5 (1978) Open or Close

    Dominicanenklooster en omgeving uit archeologisch gezichtspunt
    door Th.H. Janssen

    Uit Mededelingen, jaargang 3, nummer 5 (1978)

    Een schriftelijke weergave van de resultaten van het onderzoek aan de Burchtgracht(straat) zal nog wel enige tijd op zich laten wachten in verband met de determinatie van het omvangrijke vondstenmateriaal .
    Globaal kan echter al wel schematisch een overzicht worden gegeven en wel als volgt:

    Aardewerk
    1. Kleefse periode (12e en 13e eeuw): Pingsdorfachtige tuitpotten, Andennewaar, Kogel potten, Paffrath, Dikwandige zwart/grijze waar en Kannen met geribbelde bandlip;
    2. Karolingisch: Badorferwaar (een enkel spoor) ;
    3. Merovingisch: Dubbelconische met stempelversiering (een enkel fragment) ;
    4. Romeins: waaronder terra-sigillata en dakpanresten (2e eeuw) ;
    5. Inheems: waaronder imitatie-romeins;
    6. Voorromeins : dik/ ruwwandige waar ( ijzertijd) .
    IJzer :

    Delen van gereedschappen, messen, spijkers en krammen.
    Been :

    Onder andere een hieruit vervaardigd handvat voor een mes.
    Hout :

    Een duig van een houten emmer met beslag en een hengselfragment, wijnvaten, spanendoos.
    Leder :
    Resten (ook enkele compleet) van schoenen en laarzen, delen van een kledingstuk of tas. Een stuk leer vertoonde sporen van beschildering.
    Glas:

    Een enkel stuk (voorwerp kon nog niet worden gedetermineerd) .
    Beenderen:

    Onder andere van runderen, varkens, schapen, geiten, klein wild en hoenders.
    Steen :

    Onder andere bouwpuin, zoals oersteen— en tufsteenblokken, veld— en basaltkeien.Overige:
    Spinstenen, slijpstenen, slingerkogels, mammoetkies, schalen van eieren, basten van noten, schelpen, koperslakken.
    Het jongste materiaal is uit het einde van de 13e eeuw.

    Burchtcomplex
    Na het opstellen van dit overzicht dacht ik al te mogen constateren, dat verschil lende gegevens niet los mogen worden gezien van reeds eerdere archeologische onderzoekingen in de directe omgeving.
    Deze omgeving betreft dan het terrein van het Dominicanenklooster en de onmiddellijk daaraan grenzende terreinen.
    Voor de nodige achtergrondkennis wil ik dan ook in deze bijdrage chronologisch de mij bekende gegevens op een rijtje zetten. Hierbij zal dan in deze bijdrage het voormalige burchtcomplex centraal staan, waaraan dan de gegevens ovar het Kempke, de Vierakkerstraat en de Burchtgracht (de straat van die naam) gekoppeld zullen worden.
    Het terrein, nu begrensd door de Kloosterlaan. de Stadsdam, de Burchtgracht en de Vierakkerstraat, besloeg in de 18e eeuw nog twee lage heuvels, welke van elkaar verschilden qua hoogte en oppervlakte. Dit terrein is in beeld gebracht op de kaart. De heuvel, welke aan de westzijde was gelegen en welke de hoogste, doch qua oppervlakte de kleinste was, werd de Hazenberg genoemd. Eertijds stond hierop een in 't stadsbeeld overheersende immens hoge, ronde tufstenen toren (de zgn. Grote Torn") met ringmuur (een chateau à motte) . We kunnen deze heuvel nu situeren ter plaatse van de tuin, welke is gelegen tussen de Kloosterkapel en het Hoofdkwartier van de Mbaga—verkennersgroep.
    De andere heuvel, aan de zuid—oostzijde, met name dat gedeelte van het terrein, waarop nu de kapel en het klooster staan, werd eertijds door een burchtcomplex in beslag genomen, hetwelk reeds in het begin van de 14e eeuw bestond uit een huis, een burcht en een toren met bijgebouwen, welke door een weermuur met torens waren omgeven. Beide heuvels waren eertijds door een achtvormige gracht omgeven en van elkaar gescheiden.
    Toegang tot het burchtcomplex kreeg men via de slotpoort. welke was gelegen ongeveer halfweg de afrit van de Stadsdam naar de hoòfdingang van het klooster. Heel waarschijnlijk bevond zich een andere toegang ter hoogte van de huidige dijkafrit naar de Kloosterlaan.
    Toegang tot de toren op de Hazenberg verkreeg men via een brug, welke, gerekend vanuit de Vierakkerstraat, over de gracht was gelegen aan de binnenzijde van de stadsmuur en heel waarschijnlijk ook vanaf het burchtcomplex via een loopgang over de verbindingsmuur, welke de toren op de Hazenberg met de burcht verbond.
    Zowel de burchtmuur als de burchtgracht waren in verbinding gebracht met respectievel ijk de stadsmuur en de stadsgracht. De burchtgracht had aan twee zijden een verbinding met de toen langs Huissen stromende Rijn of een arm daarvan (de huidige Molenkolk en de Strang) en wel in het zuidoosten rechtstreeks en in het noorden via de stadsgracht.
    Van het grachtencomplex rond de burcht en de toren moet alseerste dat gedeeite,dat de oostelijke zijde van de huidige Vierakkerstraat in beslag nam, in de 17de eeuw zijn gedempt ten behoeve van woningbouw in uit gebied. Aan het einde van de 16de eeuw was deze Vierakkerstraat nog maar aan één zijde (de westelijke) bebouwd met woningen.
    In de 18de eeuw is de scheidingsgracht tussen de beide heuvels gedempt met het puin van een hoge muur, welke over de Hazenberg liep en welke muur van schietgaten was voorzien.
    Het grachtgedeeite aan de zijde van de huidige Burchtgracht(straat) was toen reeds verworden tot een breed water , waarin riet groeide en waarvan nu alleen maar een restant in de vorm van een vijver in de kloostertuin is overgebleven.
    Momenteel is van de achtvormige gracht enkel nog een gedeelte aanwezig aan de oost- en westzijde van het terrein, nu Klooster— of Patersgracht genoemd. Vermoedel ijk is zelfs het grachtgedeelte aan de oostzijde in een later tijdvak gegraven, daar naar alle waarschijnlijkheid de Rijn, welke op enige afstand was gelegen, alszodanig dienst deed.
    Dat het terrein tussen de burcht en de Rijn (de Stadsdam en het weiland vóór de Motenkolk) een functie had, blijkt uit de 13de en 14de eeuwse scherven van aardewerk, welke in dit terrein op behoorl ijke diepte werden aangetroffen.

    Van burcht tot klooster
    Bezien we momenteel het voormalige burchtterrein aandachtig dan kunnen we uit de in het terrein nog aanwezige inzinkingen het vroegere grachtverloop reconstrueren.
    Op het einde van de 18de eeuw bevonden de restanten van de burcht zich in een dusdanig vervallen toestand, dat nog slechts een gedeelte voor schuur kon worden gebruikt. In 1809 werd deze ruïne als domeingoed van de Pruisische Kroon verkocht aan de Huissense notabele H.S. van Lottum.
    Zeven jaar later werd mr. C.G.Th. van Erpers Roijaards, ontvanger der belastingen te Huissen en zoon van de laatste Pruisische ambtsman Gisbert Roijaards, eigenaar.
    Hij was toen reeds in het bezit van de hof, die noord—westelijk van de voormalige burcht was gelegen, de reeds eerder genoemde Hazenberg.
    Mr. van Erpers Roijaards liet de !aatste overblijfselen van de burcht slechten en bouwde een "fraai Herenhuis" , dat in de volksrnond reeds spoedig de naam "het Kasteel" verwierf . De Hazenberg liet hij met fruitbomen beplanten, welke situatie tot 1950 bleef gehandhaafd.
    In 1856 namen de Dominicanen dit geheel in eigendom over van J. J. Fabricius, die sedert 1832 eigenaar was geworden. In 1858 werd de eerste steen gelegd voor een verbouwing en uitbreiding van het herenhuis tot klooster, gevolgd door de bouw van een kloosterkapel, alles naar de plannen van de jonge Roermondse architect P. Cuypers.
    In vijftig jaar was "het Kasteel" in een, klooster veranderd, waarbij er echter voor een aandachtige toeschouwer nog diverse sporen uit het (burcht-)verleden zichtbaar zijn gebleven.

    Afgraving
    Bij de archeologen is het gehele terrein eerst vanaf 1950 in de belangstelling gekomen. In dit verband moet de naam van pater v.d. Assum o.p. worden genoemd die in dat jaar de eerste stoot gaf tot een onderzoek. In 1951 werd, onder leiding van drs.J.E. Bogaers hei terrein aan de zuid-westzijde onderzocht. Het betrof hier niet de "Denenheuvel" , zoals deze in de verslagen van die tijd werd genoemd, doch de Hazenberg, zijnde de heuvel in het zuidwestelijke deel van de kloostertuin.(1)
    De afgraving van deze heuvel werd door drs. Bogaers in een logboek vastgelegd en na beëindiging van de opgraving leverde dit het volgende samenvattende beeld op:
    Boven de schone grond (oeverwal) bevonden zich twee begroeiingslaagjes (lichtblauwe-grijze klei) . Deze laagjes waren in verschillende perioden ontstaan. De tussenlaag was naar alle waarschijnlijkheid een aanslibbing door de Rijn.
    Op de bovenste begroeiingslaag bevond zich een pakket opgebrachte zavelige klei, die aan de onderzijde overwegend romeinse cultuurresten uit de 1ste tot en met de 4de eeuw bevatte.
    De bovenzijde van dit pakket bevatte fragmenten van Badorfer-, Pingsdorfer— (vroeg)— en Kogelpottenwaar. Deze laag bevond zich over het gehele terrein, doch men heeft niet kunnen vaststellen tot hoever deze liep.
    Deze opgebrachte grond komt heel waarschijnlijk van een gedeeltelijk afgegraven hoogte (mogelijk de oorspronkelijke romeinse nederzetting) ; wellicht het terrein, waarop nu het klooster staat.

    De torenbouw
    De op deze grond gevormde looplaag werd indertijd als werkvloer gebruikt bij de bouw' van de eerder genoemde middeleeuwse toren. Voor de bouw van deze toren heeft men namelijk geen funderingssleuf gegraven, doch men heeft vanaf de grond (het toenmalige maaiveld) gebouwd, eerst in tufsteen de kelderverdieping tevens fundering.
    Tegelijk met het bouwen van de torenmuur heeft men een zodenwal gestapeld, namelijk één voor de ringmuur, welke de toren omgaf en één aan de binnenzijde. Ook in de toren heeft men zoden gebruikt om het niveau op te hogen.
    Door middel van de zoden en de klei is de berg langzamerhand opgehoogd, waardoor het onderste gedeelte van ringmuur en toren als fundering onder de grond kwamen te zitten. Tussen de zoden van de wal bevond zich veel blauwe klei.
    De klei uit de laatste ophoging is heel waarschijnlijk afkomstig uit de gegraven rondgracht. Aangezien de grond uit de gegraven gracht zeer waarschijnlijk ook de eerstgenoemde opgehoogde zavelige klei zal hebben bevat (die te zien was boven de begroeiingslaagjes) is deze grond, die tegen de toren werd opgeworpen, secundair verwerkt.
    In een tijdsbeeld kunnen de werkzaamheden als volgt worden weergegeven:
    1. Ophoging van het terrein. Dit is geschied in de tijd van de kogelpotten—, vroege Pingsdorfer— en Badorferwaar, d.w.z. tot de 10de eeuw.
    2. In de tijd daarna moet de toren zijn gebouwd.
    3. Heuvel opgehoogd met zoden en zavelige klei.
    4. Heuvel voor de tweede maal opgehoogd en uitgebreid met een zodenpakket.
    5. Daaromheen is de gracht gegraven.
    6. De toren is afgebroken in de tijd van de vondsten, die zijn aangetroffen in de vullingen van de uitgebroken torenfundering.
    Bij verder onderzoek is komen vast te staan, dat indertijd een laag met romeins materiaal is neergeworpen en dat tijdens de bewoning de bovenste en laatste scherven in de laag zijn gekomen.
    Deze scherven waren, zoals genoemd, van het zgn. Badorfer—, Reliëfband-, Pingsdorfer— en Kogelpottenaardewerk, tot de 9de en 10de eeuw kan worden gedateerd.

    Grondmonsters
    Onder de toren werd een waterput aangetroffen, bestaande uit een uitgeholde eik, waarop de schors nog aanwezig was. Vooraf waren eerst vier eikenhouten palen ont&kt in de grond, waarbinnen op een iets lager niveau de put aanwezig was. De rechtop staande palen zijn vermoedelijk met planken verbonden geweest.
    Mogelijk wijst dit op een soort beschoeiing bij de aanleg van de put. In de bovenrand van de put bevonden zich 4 inkepingen, welke mogelijk hebben gediend om er een volgend putgedeelte op te bevestigen. Uit de begroeiingslaagjes op het diepste niveau zijn enige grondmonsters genomen, welke gedeeltelijk brandsporen vertoonden en scherven van Inheems—Bataafs aardewerk.
    Van een bewoning in die tijd getuigen ook verschillende spinschijfjes, een gekartelde potrand en gegolfde gestreepte vaatwerkornamentiek en scherven met nagelindrukken.
    De grondmonsters werden door drs. Bogaers voor een macroscopisch onderzoek aan prof. F. Florschutz te Velp gezonden.
    Het rapport naar aanleiding van dat onderzoek gaf de volgende gegevens weer:
    - kleine stukjes verkoold hout;
    - verkoolde graankorrels;
    - zaden van Urtica urens;
    - zaden van Sambucus nigra;
    - zaden van Chenopodiadeae.
    De zaden van Urtica wrens (kleine brandnetel) en de zaadjes van Chenopodiae (ganzevoetachtigen) zijn een aanwijzing voor menselijke bewoning. Misschien kan hetzelfde ook gezegd worden van de Sambucus nigra (vlier) .
    Van de stukjes houtskool was de boomsoort, waarvan zij afkomstig waren, niet meer te bepalen. Onder de verkoolde graankorrels werden gerstekorrels herkend.

    Romeins materiaal
    Bij deze afgraving kwam ook, zoals opgemerkt, een grote hoeveelheid romeins materiaal aan het licht zoals aardewerkfragmenten en delen van tegels en dakpannen. Er zijn. dakpannen met stempels van het Xe en XXXe legioen. Dergelijke stempels wijzen op een romeinse militaire nederzetting.
    Verschillende voorwerpen in terra-sigillata kunnen tijd en aard van de nederzetting illustreren.
    Het materiaal loopt vanaf ca. 70 na Chr. tot de 4de eeu.•,'. Tevens is bij dit onderzoek nog een dakpanfragment gevonden met een stempel : LEG(IO) XXX V(LPIA) V(ICTRIX)P(IAE) hetwelk dateerbaar is na 196 en dat uniek is voor ons land. Dit fragment is indertijd door pater (toen prior) E. Rodenburg o. p. aan mijn zorg toevertrouwd.
    Al het materiaal is destijds door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort in 10 dozen verpakt, waarna deze op 29 januari 1963 zijn overgebracht naar het Gemeentemuseum te Arnhem en daar zijn toevertrouwd aan de hoede van mej. drs. Waardenburg.

    Latere vondsten
    Onlangs is nog een stukje typerende merovingische ambachtskunst gevonden, namelijk een sierspeld (vogelfibula). Volgens mededeling van de heer J. Ypey van het ROB, onder wiens hoede de vondst is gereinigd, kan de fibula naar alle waarschijnlijkheid in de tweede helft van de 5de eeuw worden gedateerd.
    Zij wordt gerekend tot de 3de hoofdgroep zoals deze is vermeld in "Die Chronologie der Vogelfibeln (Kerbschnittfibeln)" van G. Thiry, pg. 73—84, in het bijzonder Taf. 19 nrs.48—72.
    Tevens werden nog aangetroffen een fragment van een versierde glazen armband uit de Latène—cultuur (tot de 1ste eeuw na Chr.) en een fragment met versiering van een Saksisch bulturntje.
    In de zestiger jaren heb ik, voorzover dit mogelijk was, de andere heuvel , waarop thans de kapel en het klooster staan, onderzocht. Tijdens verbouwingswerkzaamheden in het klooster werden aan de binnenzijde tegen de voorgevel van het middengedeelte (het Oudste gedeelte) sleuven gegraven tot een diepte van 60 cm.
    In deze grond kwamen veel scherven voor van het aardewerk en steengoed (kannen) , welke gedurende de 14de en de 15de eeuw in Siegburg (Rijnland) werden vervaardigd. De sleuven gaven ook veel puinmateriaal vrij, zoals kloostermoppen (bakstenen), formaat 27 x 14 x 6 cm, tufsteenblokken en kennelijk in specie gevatte veldkeien.
    Onder de kloostermoppen waren exemplaren, welke door een groene glazuurlaag waren omgeven. Verder werden ook fragmenten van zwart en blauwgrijs aardewerk (schalen en voorraadpotten) aangetroffen, dateerbaar in de 13de en 14de eeuw, wellicht ook nog 12de eeuw.

    Kelders
    Volgens een broeder van het klooster was een gedeelte van deze grond afkomstig van een in de jaren dertig uitgevoerde ingraving voor een nieuwe toegang tot een onder de keuken van het klooster gelegen kelder. Het heeft er alle schijn van, dat deze kelder van een oudere datum is dan het klooster. Deze broeder wist zich nog te herinneren, dat op dit punt, op een diepte van 2.50 tot 3.00 meter diverse kannetjes waren gevonden. Tevens was men ook op een oud muurwerk gestoten, hetwelk was opgebouwd uit veldkeien.
    Bij graafwerkzaamheden in de noordoostelijke zijde van het voorgebouw  van het klooster werd een kelder ontdekt, die onder de kloostergang doorliep. Ook hier wijst er alles op, dat deze kelder ouder is dan het klooster. Beide kelders hebben buiten het zgn. Kasteel (het herenhuis) gelegen, het huidige middenstuk van het klooster. De laatste kelder vertoont een typisch gewelf. Het loopt aan zijde naar beneden door en het doet denken aan een verbinding met een ander gangdeel.
    De kelder is met puin en ander materiaal gevuld. Dicht bij deze plaats, bij de achteruitgang en wel aan de buitenzijde, werd in de bodem een muurwerk van kloostermoppen aangetroffen, dat eveneens van een vroegere bouw afkomstig moet zijn.
    De tuin, direct v56r de ingang van het klooster, werd tot een diepte van 60 cm. uitgegraven voor een aan te leggen parkeerterrein. Deze laag gaf het zelfde schervenmateriaal vrij als in het klooster, doch met dit verschil, dat deze laag in noordoostelijke richting dunner werd en waarbij een oudere laag aan de oppervlakte kwam.
    Verspreid over het terrein werd hier en daar op de diepst ingegraven plaatsen een enkel stuk romeins, merovingisch,alsmede enkele Pingsdorfscherven en een haakoor van een Paffrath-pot aangetroffen.

    Schacht
    Aan de buitenzi jde van deze ingraving werd een breed muurwerk van kloostermoppen waargenomen , dat schuin in noordelijke richting naar het einde van de voorgevel liep. Tussen dit muurwerk en de voorgevel van het klooster werd op 60 cm. diepte een enige decimeters dikke, oude specielaag aangetroffen.
    In het zuidoostelijke deel van de voortuin bevindt zich nog een waterput of kelder. Op enige meters afstand van de hoofdingang kon een 15de eeuwse schervenkuil worden uitgegraven.
    Op enige meters afstand van de noordoostelijke zijgevel van het voorgebouw van het klooster bevindt zich, volgens zeggen, een uit kloostermoppen gevormde ronde schacht in de grond.
    Deze schacht (mogel ijk het keldergedeelte van één der torens van de toegangspoort tot het slot, is in de jaren dertig reeds bekend geworden. Voor een deel stond hij onder water.
    Het schijnt de toegang te zijn naar een gangdeel, dat schuin in de diepte wegloopt. Deze schacht werd enige jaren geleden bij een ingrijpende wijziging in het tuinbeeld rond het klooster uit veiligheidsoverwegingen met een betonplaat afgedekt.
    Voor een voorlopig inzicht in een mogelijke reconstructie van het burchtcomplex heb ik een aantal muurrestanten in zwarte vlakken Op de kaart aangegeven.

    NOOT:
    1) De oorzaak van dit verschil van mening is nafnelijk terug te voeren op een aantekening, vermeld op een kaart, waarop in vogelvlucht de Hazenberg met toren en ringmuur is geschetst.
    In het zgn. Huissense Legerboek (Rijksarchief in Gelderland te Arnhem) is een kaart opgenomen van de 16e eeuwse situatie van het beschreven gebied. Tussen het net nog aangegeven gedeelte van het burchtcomplex en de Hazenberg met toren is een aantekening geschreven:
    "Diese Danenburgh ist 1616 affgebrochen un die Duyffstein verkocht. Et sic cessat Antiquitatis Danorurn" .
    Tot op heden is het voor mij nog niet zeker, dat deze aantekening betrekking heeft op de zogenaamde "Grote Torn" , welke op de Hazenberg was gebouwd.
    De omstandigheid, dat de naam "Danenburgh" dichter bij het net nog zichtbare gedeelte van het burchtcomplex is vermeld aismede de in de grond van de burchtheuvel aangetroffen veldkeien, welke in mortel waren gevat, alsook de tufsteenblokken, versterken mij in die mening.
    Daarbij komen ook nog de fragmenten van aardewerk tot en met de: 10de eeuw, welke op het terrein zijn aangetroffen en welke een bewoning en een daarmede in verband staande bebouwing veronderstellen.
    In een volgend nummer van "Mededelingen" hoop ik hier uitvoerig op terug te komen.


    Huissense vondsten op expositie in Arnhem
    Van 25 maart tot en met 7 mei 1978 zal in het Gemeentemuseum te Arnhem een tentoonstelling gehouden worden van het werk der A.W.N. in Gelderland.
    De Archeologische Werkgemeenschap Nederland telt in onze provincie verschillende afdelingen en afzorderlijk werkende leden. Aan hun werk zal op de tentoonstelling veel aandacht worden besteed.
    De vondsten dienen daarbij vooral ter illustratie van de activiteiten zelf. Het gaat er in de eerste plaats om een beeld te geven van de verschillende onderzoekingen, die door deze amateur-archeologen worden verricht. Er zal aandacht worden geschonken aan de omstandigheden, waaronder het onderzoek moet plaats vinden, aan bepaalde vondstsituaties en aan soms vreemde en zelfs gevaarlijke bijkomstigheden. De een loopt regelmatig rioolsleuven langs om iets te kunnen ontdekken, een ander gaat ergens kijken wanneer het geregend heeft, weer een ander tracht alles wat in de loop der tijd in zijn woongebied is opgegraven te inventariseren en verricht daarbij aanvullend onderzoek.
    Verschillende objecten komen op de tentoonstelling aan bod: een overzicht van neolitische vondsten in Aalten en omgeving, de veldcontrole van een paleolitische vindplaats in de Achterhoek, een onderzoek van een huis in Lochem, een stadskerncontrole in Arnhem, een pottenbakkersoven uit de IJzertijd uit Bemmel, de blootlegging van kapelrestanten in Oud—Lobith, een verdwenen dorp bij Renkum, een IJzertijdhuis uit Bennekom, een vindplaats met sporen uit diverse tijdperken in Emst, het verleden van Hattem, een inventarisatie van grafheuvels bij Ermelo e.d. , en last but not least het stadskernonderzoek in Huissen aan de Burchtgracht.
    Over dit laatste object bent U al uitvoerig ingelicht door de artikelen van de heer Th.H.Janssen, de sectieleider archeologie van de Historische Kring Huessen. Op de tentoonstelling zal voor het eerst iets van de resultaten van dit onderzoek te zien zijn. Wij hopen dan ook dat vele leden van de Historische Kring de expositie in ons museum zullen bezoeken.
    Ruud Bornman, afd.arch.en topografie

    klooster1 Custom

    klooster2 Custom

  • De slag bij Angeroyen , uit Mededelingen jrg 3, nr 1 (1977) Open or Close


    De slag bij Angeroyen

    uit Mededelingen jrg 3, nr 1 (1977)

    Terwijl Jaarlijks — op Huissens gebied — het felt wordt herdacht, dat in 1502 de Gelderse belegering van de stad Huissen een fiasco uitliep, is mij steeds niet helemaal duidelijk geworden, waar en hoe Karel van Gelre verslagen werd. Uit de bronnen is wel algemeen duidelijk geworden, dat niet de belegeraars werden verdreven, maar dat een aanval op een Kleefs ontzettingsleger "aen die Angelroise gemeinte" tot het overhaaste vertrek van de Geldersen leidde.(1) In het volgende verhaal wil ik proberen de plaats te bepalen, waar 's hertogen nederlaag zich voltrokken te beschrijven, hoe deze gebeurtenis verliep.

    I. Plaatsbepalinq.
    Het verhaal van de slag bevat drie duidelijke plaatsaanduidingen, namelijk de plaats, waar het Gelderse leger de IJssel overstak (Iseloort) , de plaats, waar de Kleefsen lagen (Pottingshuys) , en de plaats, waar de slag werd geleverd (Die Angelroise gemeinte) .
    Omdat duidelijk is, dat de slag "aver" (aan de overkant), in de Lymers dus, plaatsvond, is het voor de hand liggend bij het zoeken naar de benamingen onze overburen te raadplegen.
    Die Angelroise gemeinte of juister de Angeroyense gemeente ontleent volgens de Lymerse historicus A.G. van Dalen haar naam aan de waard Angeroyen. Letterlijk betekent dit Angers eiland. Angeroyen was een waard, die in de twaalfde eeuw of eerder voor Angeren in de Rijn ontstond en waaronder een groot gebied viel , dat destijds nog op de Betuwse oever lag.
    Hiertoe behoorde ook het huidige Loo. Angeroyen en Loo vormden samen één buurgemeenschap. Deze gemeenschap moet in de dertiende eeuw door rivierverlegging op de Lymerse kant terecht zijn gekomen.
    Het eigenlijke Angeroyen verdween in de Rijn, maar wat bleef was de benaming voor de gemeenschappelijke weiden, de uiterwaarden: "Angeroyensche ader Lohesche gemeinte". (3) Kortom, wat ons verslag "die Angelroise gemeinte" noemt, zijn de uiterwaarden ten zuiden van Loo.
    Iseloort of, zoals het nu heet, IJsseloord, is de enige nog bestaande benaming. (4) Bij IJsseloord lag destijds de splitsing van Rijn en IJssel, welke door natuurlijke omstandigheden zó was, dat de Rijn eerder een aftakking leek dan de IJssel. (5)
    Pas in de jaren 1773—1775 kwam door het graven van een kanaal door de Pley een nieuw aftakkingspunt. (6) .Het IJsseloord van 1502 moeten wij ook iets zuidelijker denken dan de (latere) schans IJsseloord, namelijk precies bij de splitsing, noordwest van de Pley.(7)
    Angeroyen2
    Pottingshuys levert, waar dit kennelijk een naar de bewoners genoemd woonhuis is, de meeste problemen op. Toch is ook hier uitsluitsel te geven. Aangezien het verslag van 1502 de benaming zonder verdere mededeling geeft, moet het een huis zijn geweest, dat al min of meer vast een historisch gegeven was geworden, zoals we in Huissen namen als Giebensland en Schalkshofstede kennen.
    Op de ambtskaart van de Lymers (8) (fol. 31), waarop de Huslarij en het Leuffense Veld staan weergegeven, komt het huis voor van Micharis Püttinck.
    De naam Micharis Potting/Pötting komt — als dijkbode — in de Lymerse archieven meermalen voor. Ook al is de ambtskaart van 1735, het is zeer waarschijnlijk, dat dit het Pottingshuis van 1502 is.
    Het huis ligt niet ver van de Rijn, van Groessen. Tegenwoordig is in het landschap er niets meer van te kennen. (9)
    Met dat al zijn — plaatskundig — onze problemen opgelost. Karel van Gelre kwam uit het westen bij IJsseloord de IJssel over. De Kleefsen lagen ten zuiden van Groessen en men trof elkaar logischerwijze daar tussen bij Angeroyen of, zo men wil, ten zuiden van Loo.

    II. De slag.
    In de nacht van 25 op 26 Juni 1502 stak een Gelders leger order aanvoering van Karel van Gelre zelf bij IJsseloord de IJssel over. Dat was dringend nodig, want vanuit het oosten was een Kleefs leger in aantocht om de stad Huissen, die sedert 29 mei werd belegerd, te komen ontzetten.
    De Klevenaren waren per schip gekomen, dat zeggen de bronnen, zowel de Duisburgse kroniek van Johan Wassenberch (10) als de Geldersche Geschiedenissen van Arend van Slichtenhorst (1l) .
    Waarom het ontzettingsleger niet in de Betuwe, .maar in de Lymers landde, is niet duidelijk geworden. Een feit is in elk geval, dat het Kleefse leger bij Pottingshuys ten zuiden van Groessen lag.
    De Kleefsen wachtten het Gelderse legers dat volgens één bron 1500 man teide, (12) niet zonder meer af, maar legden - kennelijk in de Angeroyense waard — een hinderlaag. Het Emmerikse deel van het leger stelde zich op waardoor de Geldersen een gemakkelijke overwinning dachten te halen.
    Maar toen kwamen Wezelse en Reese troepen met 700 ruiters onder Rabanus van Buren in de strijd. (13) De eersten hadden een kanon meegebracht, de Bonte Koe (14) , kennelijk het stuk geschut, dat in het Huisgense verslag "een kartouwe" (15) heet.
    Daarmee schoten zij op de Geldersen. Dat leverde een groot aantal doden op hoewel men zich van de uitwerking van een zestiende-eeuws kanon niet teveel moet voorstellen. Belangrijk was vooral de paniek, waardoor in het nu volgende man op man gevecht de Kleefsen voordeel hadden.
    In de paniekerige vlucht van de Geldersen viel Karel van Gelre in handen van Emmerikse soldaten. Een Moor, die bij het Gelderse hof hoorde, hielp de hertog echter over de Rijn te ontsnappen.(16)
    Wel brachten de Emmerikse strijders het paard van de hertog in triomf naar hun stad. (17)
    Minder fortuinlijk dan de hertog waren vele van zijn ondergeschikten.  

    Angeroyen1

    DE SLAG BIJ ANGEROYEN
    Enkele werden door de Kleefsen gevangen Het Huissens verslag spreekt over 300 (18) , het lied op beleg en ontzet van 500 (19) .
    Geen cijfers zijn bekend over het antal doden. Een eigentijdse Kleefse bron spreekt over 200 doden, die bij het beleg van Huissen en de slag bij Angeroyen tesamen zouden zijn omgekomen.(20)
    En gaat dat natuurlijk maar over één kant, de Kleefse overwinnaars.

    III.De gevolgen.
    De Gelderse troepens die de stad Huissen ingesloten hlelden, hadden van over de rivier de slag kunnen volgen. Toen zij zagen, dat het Gelderse leger bij Angeroyen op de vlucht ging, wachtten zij niet een Kleefse aanval af, maar verlieten in paniek hun posities.
    Zelfs namen zij niet de tijd om hun geschut en voorraden in veiligheid te brengen. De Klevenaren hadden aldus een makkelijke en rijke buit. De opsomming loopt in twee verslagen nogal uiteen.
    Feit is in elk geval, dat minstens zes en misschien zelfs acht stukken geschut verloren gingen voor hertog Karel van Gelre, die toch al zo'n moeite had om zijn artillerie te betalen.
    Ook lichte wapens, buskruit en proviand worden ais buit opgesomd. (21)
    Na het ontzet van Huissen konden de Kleefsen naar hartelust in het offensief gaan.
    Nog in hetzelfde jaar veroverden zij het slot Keppel , wonnen een slag aldaar en trokken plunderend door de Over-Betuwe.
    Bij Elden leverden Geldersen en Kleefsen vervolgens weer een slag, die voor de laatsten een nog groter succes werd dan die bij Angeroyen.(22)
    Na dat alles zai Karel van Gelre zijn aanval op Huissen wel hebben betreurd.

    DR E. SMIT

    NOTEN
    1. J. H. Hofman, Beleg en ontzet der stad Huissen. In: Bijdragen en Mededelingen van "Gelre" (1899), pg. 325-326.
    2. A.G. van Dalen, Angeren of Angeroyen/Lensenb1-rg. Zevenaar, 1968,
    3. A.G. van Dalen, Uit de Kerkgeschiedenis van Loo. Zevenaar, z. j.
    4. Topografische Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden, blad no. 40 West Arnhem.
    5. Rijksarchief in Gelderland — Algemene Kaartenverzameling no. 129.
    6. G.P. van der Ven, Aan de wieg van Rijkswaterstaat, Zutphen 1976, pg. 358-360.
    7. J.W. van Petersen, Des landmeters trots, Zutphen 1974, Kaart 10.
    8. Gemeentearchief van Zevenaar - Oud Archief 1243.
    9. Vriendelijke mededeling van de heer J. Th. M. Giesen te Zevenaar.
    10.. H. van 't Hooft, Honderd jaar Geldersche Geschiedenis in historieliederen,Arnhem 1948, pg. 68.
    11. A. van Slichtenhorst, Veertien der Geldersche Geschiedenissen, Arnhem 1654, pg. 316.
    12. B. H. van 't Hooft, a. w. , pg. 76.
    13. W. Teschenmacher, Annales Cliviae,JuIiae etc. ,Frankfort/Leipzig 1721, pg. 322.
    14. B.H. van 't Hooft,a.w.pg.6B.
    15. J.H. Hofman, a.w., pg. 326.
    16. W. Teschenmachers a.w. , pg. 322.
    17. B.H. van 't Hooft, a.w. ,pg.69.
    18 .0.H.Hofman, a.w. , pg.326.
    19. B. H. van 't Hooft, a.w., pg. 76.
    20. Hauptstaatsarchiv Düsseldorf — Kleve, Mark, Akten no.392,' fol. 2b.
    21. J. H. Hofman,a.w. pg. 326 en B. H. van 't Hooft, a.w. , pg. 76.
    22. W. Teschenmacher, a.w. pg. 323.

  • Holthuizen: een voormalig Kleefs leen (uit Mededelingen, jrg 2, nr. 5) Open or Close

    Holthuizen: een voormalig Kleefs leen
    uit Mededelingen, jaargang 2, nummer 5

    ln de "ambtelijke werkgroep straatnaamgeving", waarin - op uitnodiging van B. en W. - ook de Historische Kring Huessen is vertegenwoordigd, is thans aan de orde de straatnaamgeving in de 3e fase van De Zilverkamp, welke wijk van de zijde van Gemeentewerken "Groot Holthuyzen" wordt genoemd.
    Er is hier echter sprake van het voormalige Kleefse leengoed "Holthuizen", waar - in latere tijden - stonden de boerderijen Groot Holthuizen (Hoogerbrugge) en Klein Holthuizen (Van Essen) , beide eigendom van de Dullertstichting te Arnhem. De laatstgenoemde boerderij is gesloopt ten behoeve van de Zilverkamp-bebouwing.
    De Historische Kring heeft in de genoemde ambtelijke werkgroep gesuggereerd om ten aanzien van Holthuizen af te wijken van het tot nu toe in de Zilverkamp toegepaste straatnamenpatroon en er voor gepleit om allereerst de herinnering aan de naam van het leengoed levendig te houden, maar ook die der families, die het - vanaf 1392 tot 1799 - in leen hadden.
    Bestuurslid dr. E. Smit geeft in de hiernavolgende bijdrage historische bijzonderheden over de beleningen van Holthulzen.
    Hij verschaft tevens interessante bijzonderheden over het drama, dat zich in januari 1795 op Holthuizen afspeelde en dat boer Derk Brands het leven kostte.
    Wij maakten daarvan reeds melding in een "snipper" in het vorige nummer (pag. 128).

    De naam HOLTHUIZEN wijst volgs Oedin (1) op een aldaar gelegen klein bos. Met de aanwezigheid van de naam "Loo" ( = open plek in een bos) in de buurt is het wel verleidelijk bij het Huissense Holthuizen aan een oud bos te denken. Er zijn echter nog andere mogelijkheden. De Middelnederlandse benaming Holthuus of Houthuus kan ook eenvoudig houtsçhuur betekenen (2).
    Bij ons Holthuizen is er nog een derde mogelijkheid.  Bij de eerste vermelding in 1392 wee namelijk een Arnd van Holthusen met het goed beleend.
    Dezelfde Arnd van Holthusen was ook leenman van Holthuizen bij Verkält (tussen Kalkar en Üdem (3)), zodat de mogelijkheid niet uitgesloten moet worden, dat het ene Holthuizen zijn naam aan het andere ontleend heeft. (4)
    Waar we dus niet zeker zijn van de herkomst van de naam biedt Holthuizen wel een mogelijkheid om alle beleningen van 1392 - 1799 na te gaan. (5)
    Het goed was namelijk een Kleefs leen. Deze vorm van gronduitgave hield in, dat de graaf van Kleef aan een man een stuk grond in leen gaf, waarvoor deze dan bij oorlog tot dienst verplicht was.
    Deze plicht werd evenwel meestal afgekocht, zodat het, ieengoed een soort eigendom werd, dat extra belast was. Een leen kon aldus ook vererven of verkocht worden.
    ln 1392 was, zoals gezegd, Arnd van Holthusen leenman van Holthuizen. In 1443 blijkt hij overleden en zijn zwager Gerit van Marwick neemt het leen (althans een derde deel ervan ) ten behoeve van zijn
    vrouw Johanna (van Holthusen) over. Aldus vererfde het goed in 1474 op hun beider zoon Arndt van Merwick. Bij zijn dood in 1495 was er alleen dochter Johanna van Marwick, voor wie haar oom Derick van der Hoeven als leenman fungeerde.
    Tusschen 1495 en 1535 zijn we de familieband (als die er is) even kwijt. De weduwe van een zekere Derick van Elss blijkt dan namelijk op Holthuizen te wonen. Haar zoon Arndt nam in 1551 het goed over, maar hij had er niet lang plezier van, want zeven jaar later blijkt ook hij overleden, want het goed blijkt vererfd op zijn zuster Elisabeth en op de kinderen van een andere zuster, Anna, gehuwd met Gaert van Gelickom. Door deze erfenis blijkt een deel van Holthuizen bij Anna's nakomelingen (Van Gelickom) , een ander deel bij die van Elisabeth (Van Merten) terecht te komen. De hof lijkt nu voorgoed gesplitst en alleen over het part van de Van Merten's (een derde deel) zijn we verder volledig ingelicht. Arndt van Merten zit van 1596 - 1647 op dit deel van Holthuizen. Zijn zoon Eberhardt Godtfriedt volgt van 1647 - 1672. In 1673 waren ook de Van Merten's uitgestorven en volgde Bernhard Gottfried van Reetradt als bezitter. Deze familie liet de hof al in 1682 over aan een (aangetrouwd) familielid Wilhelm Bernier. Van hem vererfde Holthuizen in 1710 aan zijn dochter Christine Elisabeth, getrouwd met Derk Brandts. De familie Brands bleef tot het einde toe met Holthuizen beleend. ln 1803 werden de leenrechten opgeheven, zodat geen verdere administratie plaatsvond.

    Het drama van 1795
    Een drama beleefde Holthuizen in 1795. De Fransen waren in dat jaar namelijk in opmars en op 10 januari waren zij de Waal overgestaken. De troepen die (voor Pruisen) Huissen verdedigden, waren Kroatische militairen van Pruisen's bondgenoot, de keizer van Duitsland. Op de komst van de Fransen sloegen dezen aan het plunderen en van wat op Groot Holthuizen gebeurde volgen hier de gruwelijke details. Vijf Kroaten', in grijze uniformen, waren al overdag op 10 januari bij Holthuizen gesignaleerd en dat de knechten van boer Derk Brands het hazenpad hadden gekozen, toen het donker werd, is te begrijpen.Rond 10 uur 's avonds drongen de vijf bij de broers Derk en Peter Brands op Groot Holthuizen binnen en eisten geld en horloges.
    Met name aan de laatste wens konden de broers niet voldoen. Ze hadden er zelf geen.Toen begonnen de soldaten met hun degens te slaan. Derk Brande hield zijn hand nog geheven tot verweer, maar een Kroaat sloeg hem hand en hoofd in één hauw af. Peter lag intussen al met een forse sabelhauw over zijn gezicht op de vloer en moest machteloos toezien. Dat hij er tenslotte het leven bij overhield, lag aan de uitstekende geneeswijze van de Huissense chirurgijn Budding.
    De daders gingen - met een buit van meer dan 500 gulden - vrijuit, al deed de Pruisische overheid nog maanden later moeite hen te achterhalen. (6)
    Aldus enkele feiten uit Holthuizen's rijke historie.
    DR. E. SMIT
    Noten:
    1) S. Oedin, De Gemeente Huissen, Diss. Wageningen 1946, pg. 19.
    2) J. Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek, 's Gravenhage 1932, pg. 259.
    3) Topographischer Atlas Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf 1968, kaart 88. '
    4) E. Dösseler en F.W. Oediger, Die Lehnregister des Herzogtums Kleve, Siegburg 1974, pg. 269.
    5) E. Dösseler en F.W. Oediger, a.w., pg. 272-273. Waar dit niet nader gemeld wordt, zijn alle volgende gegevens aan dit boek ontieend.
    6) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Kleve Mark Akten X-18-Vlll.

  • Achter de Gracht of Duisterestraat ? (Uit Medelingen jrg. 2 nr. 5) Open or Close

    Achter de Gracht of Duisterestraat ? (Uit Medelingen jrg. 2 nr. 5)

    B. en W. vroegen Historische Kring om advies:

    Achter de Gracht of Duisterestraat?
    (Men zie de illustraties op pag. 110 en 136)
    Sinds enkele jaren draagt het weggetje tussen Helmichstraat (hoek Warenhuis Janssen) en Stadswal (langs Hubertsland) officieel de naam: DUISTERESTRAAT, ofschoon het weggetje in de volksmond altijd als ACHTER DE GRACHT bekend is geweest. Nu het pad een nieuw wegdek heeft gekregen en over de juistheid van de straatnaarngeving verschil van mening bestaat, wil het gemeentebestuur wel eens weten wat
    nu juist of onjuist is. B. en W. hebben de Historische Kring Huessen
    om zijn advies gevraagd. Het bestuur heeft het volgende medegedeeld c.q. geadviseerd. (Voor de verwijzing naar de cijfers zie men het fragment van de kaart van 1586 op pag. 110).

    Duisterestraat
    ". . . De naam Duisterestraat - die overigens ook in andere Betuwse plaatsen voorkomt - wijst op grote ouderdom. Oedin merkt op, dat de duistere straten steeds in verband staan met een "loo". Zo leidt - hem
    citerend - de Duisterestraat in Doornenburg naar de Loohof. De Huissense Duisterestraat is het verlengde van de Loostraat; wellicht een oud heiligdom in het oorspronkelijke gebied Upt Loo '? (Oedins veronderstelling, dat het einde van het Duisterestraatje in Huissen nog een markant plekje is omdat er nog een Mariabeeld staat, is echter volkomen onjuist, aangezien de plaatsing van het (eerste) Mariabeeld pas uit 1936/37 dateert, na de ontsluiting van het plan-Johannahoeve) .
    Het Duisterestraatje vindt men als "Dat duystere straitgen" (nr. 5) " tweemaal aangegeven op een tiendenkaart uit 1586. Zoals uit de kaart blijkt, vormde de Duisterestraat - (tot aan de bebouwing in het midden van de jaren dertig niet meer dan een smal weggetje) - de verbinding van de Loostraat (hoek Lange/Korte Loostraat) met de gracht langs de stadsmuur (6) ter hoogte van de toren Ravenborch (2). Langs deze stadsgracht liep een smal weggetje, een paadje, vanaf de Arnhemse Poort langs de Malenborch (1) en Flavenborch (2), tot aan de Vierakkerse Poort (3).

    ACHTER DE GRACHT OF DUlSTERESTRAAT ?
    Dit paadje bestond nog totdat na de oorlog met de aanleg van de Stadswal werd begonnen. De Duisterestraat mondde op dat paadje uit ter hoogte van de pand van de fam. Gertsen en Saat. Tot op dat punt ook heette het weggetje "Duisterestraat". Hier eindigde het dus. Door de aanleg van de Stadswal is dit punt geheel verdwenen zoals ook de oude gracht sindsdien is gedempt. De Duisterestraat eindigt nu dus bij de Stadswal tussen de beide flatgebouwen.

    Achter de Gracht
    Het nu verharde weggetje vanaf de Stadswal tot aan de Helmichstraat is niet het verlengde van de Duisterestraat, maar het laatste restant van het hiervorengenoemde paadje langs de Stadsgracht, dat altijd Achter de Gracht werd genoemd. Doordat de Stadswal de verbinding Duisterestraat-Achter de Gracht totaal heeft doen verdwijnen, heeft het de schijn alsof Achter de Gracht de verlenging is van de Duisterestraat.
    Zij is het dus niet, maar liep - zoals opgemerkt - parallel aan de huidige Stadswal tot aan de Arrhemse Poort. De betrokken situatie zou uit een plattegrond van vóór de Stadswal-aanleg duidelijk worden. l-loe het laatste restant Achter de Gracht de naam Duisterestraat heeft kunnen krijgen, is ons een raadsel.

    Advies
    Op grond van het vorenstaande mogen wij resumerend vaststellen:
    a. de straat tussen Van Voorststraat en Stadswal draagt terecht de naam Duisterestraat;
    b. het weggetje tussen Helmichstraat en Stadswal draagt sinds een aantal jaren ten onrechte de naam Duisterestraat. '
    Wij zouden Uw College derhalve willen adviseren om het onder b. genoemde weggetje de naam ACHTER DE GRACHT te hergeven. Indien Uw College t.z.t. overgaat tot het aanbrengen van explicaties bij de straatnamen zouden wij ten aanzien van ACHTER DE GRACHT willen voorstellen de vermelding: WEG LANGS WESTELLJKE STADSGRACHT'.

    Oude Kerkhof
    Wij zouden van deze gelegenheid overigens graag gebruik willen maken om Uw Collegeer op te wijzen, dat het alleszins te betreuren is dat enkele jaren geleden tevens een andere eeuwenoude straatnaam is verdwenen, namelijk het OUDE KERKHOF, dat thans Molenaarstraat is geheten, welke naam aldaar geen enkele historische betekenis heeft.
    Wij kunnen ons voorstellen, dat het bezwaarlijk is om de nieuwe naamgeving te herzien. Wij zouden het echter bijzonder op prijs stellen indien t.z.t. als explicatie bij het straatnaambord "Molenaarstraat" zou worden vermeld: VOORHEEN "OUDE KERKHOF". U vindt de naam ALDE KEHCKHOF (7) eveneens op het kaartfragment en wel uiterst rechts, in het midden, het ovaalvormige perceel. . . .", aldus de brief van het bestuur van deHistorische Kring Huessen aan B. en W.
    De Historische Kring is overigens van gemeentewege uitgenodigd êeen bestuurslid als vertegenwoordiger van de Kring af te vaardigen naar de Commissie Straatnaamgeving. De Kring-vertegenwoordiger
    heeft inmiddels reeds i.o.vanhet bestuur schriftelijk een voorstel ingediend nopens de straatnaamgeving in de 3e fase van het plan-Zilverkamp, dat van gemeentewegevoorgesteld wordt "Groot Holthuyzen" te noemen, ofschoon het hier om het oude Kleefs-hertogelijke leengoed Hilthuisen of Holthuizen gaat.
    Groot- en Klein Holthuizen zijn de namen van de resp. boerderijen (Hoogerbrugge en Van Essen) .Van dit leengoed zijn de beleningen bekend vanaf 1392 - 1799.
    Wij komen op ons voorstel, dat gebaseerd is op de historie van Holthuizen, nog nader terug.

    Snipper
    Moord op Holthuizen
    "1795. Den 11 January is Theod: Brandts oud 60 jaar voor het plunderen
    der Keiz: Croaten des nachts op Holthuijsen hoofd en hand afgeslagen".
    (Doodboek R.K. Parochie)

    IMG 20170516 0001 Custom

    IMG 20170516 0002 Custom

  • De Langestraat tussen 1910 - 1920 (Uit Medelingen jrg. 2 nr. 6) Open or Close

    DE LANGESTRAAT TUSSEN 1910 en 1920
    (Gezien vanaf de Arnhemse Poort)

    Uit Mededelingen, jaargang 2, Nr. 6

    Bij foto nr.: 1 B 12 (voorpagina)  
    Dit is een oude foto. Zij moet zijn gemaakt tussen 1909 en het begin van de jaren twintig, toen op de plaats links op de voorgrond een huis (bewoond door de fam. Herm.Hendriksen) stond, dat heeft moeten plaats maken voor de Bioscooop Apollo, die in de eerste jaren de naam "De Batavier" droeg. De tramrails geven aan, dat de foto niet ouder kan zijn dan 1909, toen de tramlijn voor de Betuwse Stroomtram Maatschappij werd gelegd. Ook de kleding van de vrouw links op de voorgrond duidt erop, dat de foto wel zal zijn gemaakt tussen 1910 en 1920.
    Gaan we nu beide zijden van de straat bekijken . Dan zien we allereerst de vrouw, die aan een stadspomp water haalt. Pas na de tweede wereldoorlog is Huissen voorzien van waterleiding ! Tot dan deden de stadspompen, die we ook op andere foto's zullen aantreffen, dienst voor mensen, die zelf thuis geen pomp hadden. Het eerste huis links is verdwenen en op die plaats staat - zoals vermeld - nu sedert het begin van de jaren twintig Cinema Apollo. ln het volgende huis woonde in de jaren dertig de schoenhersteller Adr. Oostrom. Bovendien is er de eerste drukkerij van De Nieuwe Koerier gevestigd geweest, daarna de winkel van Fr. Klaassen en nadien heeft er lange tijd de familie Wubbels-Polman gewoond.
    Het volgende huis met bloemenbak (thans De Lama) is lang de winkel geweest van de fam. Lestrade (loodgieter, rijwielhandelaar en electrische apparaten).
    Het grote hoge huis daarnaast is een oud herenhuis. Men lette op de zijgevels met trappen, die, in tegenstelling tot die van de Arnhemse Poort, wel oud zijn. Het huis, dat op de Rijksmonumentenlijst staat en wellicht oorspronkelijk een dubbel woonhuis is geweest, dateert uit de eerste helft van de 17e eeuw. Veel meer of minder bekende personen hebben er kortere of langere tijd gewoond. Zo bijvoorbeeld de Apostolische Vicaris Petrus Codde. ln het begin van deze eeuw woonde er o.a. emeritus-pastoor Luyckx. ln het begin van de jaren twintig werd het huis gekocht door het oud hoofd van de gemeenteschool ,de heer Hulsman. Nu woont er nog zijn dochter Lembertine, -intussen ook hoog bejaard.
    De volgende huizen zijn verwoest bij het bombardement van 2 oktober 1944. Goed zichtbaar is ook nog het huis met het balkon, waar lange tijd heeft gewoond gemeentesecretaris A.A.C. van Dort. Dit huls liep tijdens het bombardement met brandbommen in de nacht van 13 op 14 mei1943 zware schade op.' Nu staat er de pastorie van de Ned.Herv.Gemeente.
    Aan de rechterkant zijn de huizen minder duidelijk te zien. Midden op de straat zijn duidelijk zichtbaar twee strepen van het zonlicht. De voorste streep komt uit de tegenwoordige Vicariestraat (voorheen Bloemerstraat); de achterste uit de Korte Kerkstraat. Op de hoek van de Korte Kerkstraat is het huis zichtbaar, dat licht bepleisterd is en een schuine ingang op de hoek heeft. Dit is het huis voorheen van bakker Hübbers, nu in derde generatie van de familie Stam, bakkers, banketbakkers en kruideniers.
    ln het huis met het zonnescherm was de manufacturenzaak van de familie Scheepers (De Bijenkorf) gevestigd en is nu - na verbouwing - het winkelpand van de HEMA (Mali). Ook is nog vrij goed zichtbaar het huis met de oud-Gelderse gevel, vele jaren bewoond door de familie Smulders en nu door de fam. Helsen, die er een antiekzaak heeft gevestigd.
    Wilt U nog op enige bijzonderheden letten ?
    De stoepen of trottoirs zijn alle verschillend. Ze waren tot in de jaren zestig eigendom van de eigenaar van het betrokken pand. Bij de renovatie van de straten in de binnenstad zijn ze aan de gemeente verkocht en vervangen door gelijke trottoirs met tegels. Het is natuurlijk niet mooier geworden, maar wel noodzakelijk voor het verkeer. Op de stoep bij het huis met de trapgevels ziet men nog hekjes, die de eigendom markeerden. Zo waren er meer in Hiussen. Ze zijn tegelijk met de renovatie van de straat verdwenen. (Een hekje staat nog in de achtertuin van het huis met de trapgevels.) De straat is tussen de rails geplaveid met klinkers, maar in het midden van de straat liggen nog de bekende zware vierkante natuurstenen, de “kinderkopjes".

    A.J. JANSSEN

    Langstraat1

     

  • Zilverkamp: Eens Sgrevenvelde (Uit Mededelingen jrg. 2 nr. 4) Open or Close

    Zilverkamp : eens Sgrevenvelde

    Uit Mededelingen jaargang 2, nov/dec 1976, Nr. 4

    Het plan "Zilverkamp" ontleent,zoals bekend, zijn naam aan de boerderij in de Korte Loostraat. Historisch gezien heeft deze naam niet of nauwelijks betekenis. De boerderij dateert uit 1867/68 (Zie "Mededelingen" , jrg. 2., nr.1 , p.16) en voordien was de naam, voorzover na te gaan onbekend. Het terrein tusgen de Loostraat en Huissense Dijk, waarop thans het plan "Zilverkamp" in fasen wordt gerealiseerd, heette nl. in vroeger niet Zilverkamnp, maar Sgrevenvelde ( 's Grevenvelde = 's Gravenveld).
    Op de 17e kaart,waarvan een fragment is gereproduceerd, zijn Sgrevenvelde en omgeving vrij nauwkeurig aangegeven. Wij hebben op het kaartfragment een aantal cijfers geplaatst om de diverse aanduidingen gemakkelijker te kunnen verklaren.
    Het leek ons voor de "nieuwe" Huissenaren-Zilverkampbewoners interessant te weten hoe het gebied van hun wijk e.o. er in vroegere eeuwen uitzag en hoe de diverse benamingen luidden; temeer waar de gemeente nu een tweetal namen (Sgrevenvelde en Dat Nielant) in een straatnaam heeft doen herleven.
    Het grootste deel van de huidige Zilverkamp was dus Sgrevenvelde (1) geheten, naar één der graven van Kleef, die Huissen — zeker vanaf het begin der 13e eeuw — in bezit hadden.
    In elk geval waren landsheren van Huissen de volgende graven van Kleef: Dirk V (1242—1260) , Dirk VI (1260-1275), Dirk VII (1275-1305), Otto (1305-1311), Dirk VIII (1311-1347), Johan (1347-1368), Adolf I (1371-1394) en Adolf II (1394- 1417, die in jaar tot hertog werd verheven). Dirk V Ill gaf in 1319 "acht hoeven lands bij onzer stad Huissen" in erfpacht en het is niet onmogelijk (maar voorlopig blijft dit speculatief) , dat hierop betrekking heeft de naam "Flandersche Erfpachtslant" (2) .
    Sgrevenvelde behoorde niet tot dit Erfpachtslant, wél: "Dat Kampstuck" (3) welke perceelsnaam nu nog bestaat en ook in een straatnaam voortleeft; "Up Steege" (4) , (de Steeg, aan de Loostraat , bestaat nog) en "Up Haydell" (5) , het grote perceel aan de Loostraat, waarvan de naam verloren is gegaan en nu - volkomen ten onrechte - Rietkamp wordt genoemd; "Dat Nielant" (6) , welke naam nu dus in een straatnaam levendig wordt gehouden, en "Upt Loo" (7) , waaraan de Loostraat (8) haar naam ontleent.
    Aan Sgrevenvelde, Dat Nielant en Upt Loo grensde "Holthusen" (9) , welke naam behouden is gebleven. De boerderij "Klein Holthuizen" heeft voor de bebouwing van de Zilverkamp plaats moeten maken; "Groot Holthuizen" is behouden gebleven. De Korte Loostreat komt op de kaart voor als een brede weg en wordt dáár genoemd "Die Breedestrait" (10) .
    Daar grensde het langgerekte perceel "Die Wigartzhoeveo" (11) die — verbasterd - bewaard is gebleven in de straatnaam "Wijngaarden". Met een wijngaard heeft deze naam dus niets te maken. De oorspronkelijke naam duidt op de "hoeve" van zekere "Wigart".
    De huidige Bredestraat is veel smaller aangegeven en heet op de kaart "Die Breedestrait na Bercheren" (12) = de Bredestraat naar Bergerden, de aan het einde van de Hoeve gelegen buurtschap, die niet tot het grondgebied van Huissen behoort.
    Onder aan da kaart ziet men de vermelding "artgen" , het restant van de naam Startgen (13) — staartje , een staartjesvormige waard vóór de stad.
    Rechts daarboven is het bochtig dijkverloop te zien en in de eerste grote bocht een bouwsel (14) op de plaats van de Stenen Paal, een naam die waard is behouden te blijven. De oude grenspaal ("Stenen Paal") tussen Huissen en Holthuizen mag zeker niet verdvvijnen.
    Buitendijks tegenover de Stenen Paal ziet men een perceel met behuizing, dat op de kaart als "Cleverkamp" (15) is aangegeven. Rechts onder op de kaart wordt bij de dijk vermeld: "Begin van Malbergen" (16) .

    Grevenveld kl