Artikelen uit oude Mededelingen

Sinds 1976 geeft de Historische Kring Huessen het periodiek "Mededelingen" uit
Het blad had toen als ondertitel "over de werkzaamheden van de Historische Kring Huessen".
Dat is nu veranderd in "omtrent de verenigingsactiviteiten van en de resultaten van historisch onderzoek door de Historische Kring Huessen"
Mededelingen werd toen nog vormgegeven op een ouderwetse typemachine en daarna vermenigvuldigd op een stencilmachine.

Ook de Gelderland Bibliotheek heeft in zijn bestand een groot aantal artikelen uit oude Mededelingen.

Welke artikelen dat zijn kunt u hier raadplegen


  • Huissens Stadhuis had zes voorgangers, extra bijdrage van de HKH in 1978 Open or Close

    Huissen, juli 1978, Aan onze leden.

    Hooggeachte Dames en Heren,
    Het is ons een genoegen U hierbij aan te bieden een exemplaar van de uitgave "HUISSENS STADHUIS HAD ZES VOORGANGERS" welke de Historische Kring ten behoeve van en voor rekening van het gemeentebestuur van Huissen heeft verzorgd, ter gelegenheid van de ingebruikneming van het nieuwe stadhuis aan de Langekerkstraat.
    Het werd het gemeentebestuur overhardigd tijdens de installatie van de nieuwe burgemeester.
    In ons aanbod aan het gemeentebestuur was begrepen de beschikbaarstelling aan de Kring van evenzovele exemplaren als de Kring leden telt; vandaar, dat wij U dit exemplaar kunnen aanbieden.
    Het geschrift mogen wij U gaarne ter lezing aanbevelen aangezien het - behalve tal van bekende gegevens over de voormalige "stadhuizen" - interessante, tot nog toe onbekende, bijzonderheden bevat, met name b.v. over een afgewezen plan voor de bouw van een stadhuisje in 1822/23, waarvan tot onze verrassing de ontwerptekening bleek te zijn bewaard.
    Wij hopen U met deze toezending een genoegen te doen en en verbl ijven, met vriendelijke groeten en

    Hoogachting ,
    HISTORISCHE KRING HUESSEN
    - Het Bestuur -


    Huissens stadhuis had zes voorgangers

    Op donderdag, 2 juni 1978 is het nieuwe Huissense stadhuis in de Langekerkstraat — voorheen klooster/ bejaardencentrum en kleuterschool — officieel geopend door de Commissaris der Koningin in de Provincie Gelderland, mr. W. J. Geertsema. Het was bijna veertig jaar nadat één van zijn voorgangers, mr. S . baron van Heemstra, op 9 december 1938, eenzelfde ceremonie had verricht in de tot stadhuis ingerichte voormalige burgemeestersvilla "De Altena" aan de Helmichstraat.
    Deze villa verving op haar beurt het zgn. Waterstaats—stadhuis op de Markt, dat ruim 70 jaar tevoren was gebouwd en met een plechtige raadszitting, doch zonder enige festiviteit en buiten aanwezigheid van de vertegenwoordiger des Konings in de Provincie Gelderland in gebruik was genomen. Op die niettemin feestelijke dag — dinsdag, 3 december 1867 — was een einde gekomen aan een periode van ruim een halve eeuw, waarin de gemeenteraad had moeten bijeenkomen in kamers in particuliere huizen, die als raadszaal" waren gehuurd, terwijl de gemeentelijke administratie was ondergebracht ten huize van de burgemeester.
    Deze lange periode van gehuurde onderkomens was een gevolg van de brand, die de Fransen in januari 1795 in het eeuwenoude stadhuis op de Markt hadden gestoken én van het feit, dat Gedeputeerde Staten van Gelderland in 1823 een plan tot bouw van een (klein) stadhuisje hadden afgewezen Omdat de begroting f 297,80 hoger was uitgevallen dan de aanvankelijk door de gemeenteraad geschatte en aan de Hoofdschout van Overbetuwe opgegeven bouwkosten van f. 500,-.
    Het huidige stadhuis is het zevende in de rij, afgezien van twee tijdelijke onderkomens van de gemeentelijke administratie in de oorlogsmaanden september/oktober 1944 en in de eerste maanden na de bevrijding. Over Huissens voormalige stadhuizen en het afgewezen plan van 1822/23 mogen de volgende historische bijzonderheden worden aangeboden.

    1. Het oudste stadhuis op de Markt
    In elk geval in het midden van de 17e eeuw, doch mogelijk reeds een tweetal eeuwen eerder, was de magistraat gevestigd in de gebouwen op de Markt, die afkomstig heetten te zijn van de Tempelieren, zonder dat tot nu toe het historisch bewijs voor de vestiging van de Tempelridders te Huissen is geleverd kunnen worden. De langs de Markt lopende straat draagt niettemin van oudsher hun naam en ook bij de toenmalige stadsbestuurderen wist men niet beter of de Tempelieren waren de stichters van de gebouwen. Zo schreef burgemeester J.F. Pilgrim (1785—1814) op 4 december 1814 aan de "Landrath des Kreises Rees" :"Schon seit einigen Jahren ist auf die Wacht—Stube, welche eine alte Kapelle der vormaligen Tempelherren, wovon das ganze Rathaus abstammt, gewesen ist...
    Het gebouwencomplex bestond, voor zover bekend, uit een hoofdgebouw en een koepelvormige ( gewelfde) kapel. Afbeeldingen zijn helaas tot nu toe niet gevonden; Wél zijn plattegrondtekeningen uit het eerste kwart van de 19e eeuw aanwezig, waarvan er hier twee worden gereproduceerd. Dat deze gebouwen in elk geval in de 17e eeuw mede als stadhuis in gebruik waren, blijkt uit het feit, dat er melding van wordt gemaakt, dat de protestanten er rond 1611, bij gebrek aan een eigen kerkgebouw, hun godsdienstoefeningen mochten houden , ook al moest de magistraat daartoe aanvankelijk door een Officier van het Brandenburgse garnizoen van Huissen toe gedwongen worden.

    stadhuis1
    De situatie op de Markt in 1809/10 ten tijde van de verlegging van de Stadsdam, naar de "Kaart van de Stadsmuur en dam". (Alg. Rijksarchief, coll. Hingman). Wij hebben met letters de situatie verduidelijkt. A=stadhuis (het is niet precies bekend wat het hoofdgebouw en wat de kapel was) ; B=het Gasthuis; C=het pand, dat in 1867 het huis van "Looman" was geheten (zie "Plan voor bestrating van het stadhuisplein in 1867); D= de zgn. Stadhuistuin.

     stadhuis2

    Aan een ongestoorde behuizing in het stadhuis kwam een einde nadat de Fransen op zondag, 11 januari 1795 waren binnengetrokken en door de Magistraat waren ingehaald. Hetzij vanwege de vinnige kou, hetzij uit louter ballorigheid staken zij de brand in de stadhuis, waarbij o.a. het archief met zijn kostbare stukken verloren ging, "de grond glad was van de was" (van de oorkondezegels) en het stadhuis zware beschadigingen opliep.
    Na enkele jaren moest de magistraat dan ook besluiten om de stedelijke administratie elders onder te brengen en wel ten huize van burgemeester J.F. Pilgrim in de Langestraat (het nu nog bestaande herenhuis, nr. 35 , thans woning— en meubelinrichting B. Steijntjes). Hij ontving daarvoor - "als Huur van het gemeentehuis" — een bedrag van f. 26. . De raad vergaderde toen in de "Stadsherberg", nu nog: Tempelierenstr. 2.
    Het hoofdgebouw op de Markt verkeerde in een dergeli jke toestand van verval , dat het reeds in 1805 Of 1806 van dak en plafonds was ontdaan. Slechts de vier hoge muren waren blijven staan, zoals de burgemeester aan de "Landrath" mededeelde. Wél in gebruik bleef nog vele jaren de oude kapel, als vergaderruimte voor de raad, als archief en als lokaal voor de "Kön. Preuss. Landsturmwacht" . Waterdicht was de kapel echter niet, zoals blijkt uit een incident, dat zich op 23 juni 1806 voordeed toen de broeders van het St. Gangulphusgilde, die in het hoofdgebouw mochten vergaderen, wegens de bouwvallige situatie aldaar naar de kapel waren uitgeweken tégen het uitdrukkelijk verbod van de magistraat in.
    Voor welk vergrijp zij voor de Richter te Zevenaar werden gedaagd: "Da die Broderschaft von Gan:Golfus in Huissen beschuldigt worden ist, dass dieselbe am 23 v. M. gegen den Willen des Magistrats zu Huissen das Archivzimmer hat offnen lassen, sich dieselbe mith einer gewaltsamen Weise bemâchtigt hat... " , aldus Richter Weinhagen

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    STADHUISKLOK VERKOCHT AAN ANGERSE "GEREFORMEERDE KERK"
    Uit de raadsnotulen van 17 nov. 1820: Is besloten om van den Heer F. C. Cock te Angeren onverwijld terug te vorderen de van de Stad geleende Klok, tenzij hij zich verstond daaroor te betalen Eene gulden per pond... Uit de raadsnotulen van 17 apr. 1822: "De Schout maakte ( ...) bekend, dat de Gebroeders Cock te Angeren ten gebruike der Gereformeerde Kerk aldaar voor de klok van het voormalig Stadhuis hadden geboden Eene Gulden zeventig Cents per Nederlandsch pond (...). Dierhalven besloot de Gemeenteraad om voorbehoudens de Approbatie van het Gouvernement aan de Gebroeders Cock te Angeren de gemelde klok voor het gedane bod over te geven... Ontvangstpost bij de gemeenterekening van I"823: "Wegens een voorbehouden hoogere approbatie, verkogte klok ontvangen van d'Heeren Gebroeders J.en C.Cocqte Angeren wegens een verkogte Klok van het Stadhuys wegend 96 Ponden à 17 Stuiver het het Pond, f. 81,60

     

    Het stadhuisplan van 1822/23

    stadhuis16Het ontbreken van een "echt" stadhuis en de aanwezigheid van een ruïneuze situatie op de Markt irriteerden de vroede vaderen en ongetwijfeld ook de burgers. De raad, onder voorzitterschap van Schout J.J.E. Pilgrim, constateerde in zijn vergadering van 4 juni 1822 "Dat het ter verfraaijing der Stad te wenschen was om tot opbouw van een Gemeentehuis over te gaan terwijl tegelijker tijd dat gedeelte wat van het oude stadhuis nog staat, tot bergplaats der Brandspuiten en Brandgereedschappen die thans tot groot nadeel derzelvens in de Roomsche Kerk worden bewaard, konde worden ingerigt" .
    Een monumentaal gebouw, zoals het vroegere stadhuis ongetwijfeld geweest moest zijn, kon het verarmde en in de schulden stekende Huissen, dat nú jaarlijks f. 8O,- moest betalen voor de "huur van de gemeentekamer" , zich echter niet veroorloven.
    Op zegge en schrijve vijfhonderd gulden werden de bouwkosten geraamd, maar het "gebouw" was dan ook navenant, zoals uit de bewaard gebleven tekening (zie pg. 5) van timmerman-aannemer Hendrik Weitjens blijkt: een eenvoudig huisje, aangebouwd tegen een ander huisje ("het huis van Jan Meyer") en bevattende slechts een kamer voor de raad, een bodekamer, een bergplaats voor de brandweermaterialen, een gevangenhok, een "secreet buiten" en een zolder. Het was een armoedige behuizing, die amper "ter verfraaijing der Stad" kon bijdragen .
    "De kosten van opbouw op vijfhonderd Gulden begroot wordende, zoo vermeende de Gemeenteraad" - aldus de verhandel ingen " dat de Intressen van dat kapitaal, gevoegd bij de kosten van jaarlijksche reparatie en het aanschaffen der nodige meubels, vuur en licht geene tachtig Gulden zouden bedragen. Eindelijk vermeende de Gerneenteraad, dat de finale termijn van betaling behoorde bepaald te worden op den 15en July aanstaande" .
    Op 20 juni 1822 delibreerde de raad opnieuw over de zaak en met name over de financiële aspecten.
    Om de kosten kennelijk zoveel mogelijk te drukken in verband met de mogelijk te verwachten bezwaren van Gedeputeerde Staten, was inmiddels afgezien van het inrichten van het oude stadhuisrestant tot bergplaats voor de brandweer. "Dat ter Delging van de jaarlijksche uitgave van f. 80,- voor Huur van de Gemeente Kamer den Gemeenteraad mogt worden geauthoriseerd om een gedeelte der in de Gemeente Kas voorhandene penningen te bezigen tot opbouw van een nieuw Gemeentehuis hebbende een paar leden van den Gemeenteraad de kosten daarvan door deskundigen laten opnemen en bevonden, dat de kosten van een dusdanig locaal met twee vertrekken mitsgaders eene annexe bergplaats voor de Brandgereedschappen waartoe het thans nog voorhandene gedeelte van het oude raadhuis konde gebezigd worden, niet hoger zouden beloopen dan vijf honderd Gulden, zoodat de Intressen daarvan gevoegd bij het benodigde vuur en licht geene f. 80 . zoue bedragen.
    De laatstgernelde bergplaats beschouwde men als allernoodzakelijkst, daar niet alleen tot groot ongerief maar zelfs tot bederf van het Lederwerk, de brandgereedschappen in de Roomsche kerk bewaard worden, waar men reeds eenmaal uit baldadigheid verscheiden sneden in de slangen heeft gedaan zonder dat de dader heeft kunnen ontdekt worden...
    Met een uittreksel uit de notulen werd het verzoek om toestemming voor de bouw "van een nieuw gemeentehuis uit een gedeelte der in de Gemeente Kas voorhandene penningen" gezonden aan de Hoofd schout van Over—Betuwe te Elst, D.R.S. van Lynden, die het op zijn beurt met advies doorzond aan Gedeputeerde Staten.

    Van Lynden berichtte hun, dat hem daartegen geene bedenkingen zijn voorgekomen, dan alleen dat de opgegeven schatting der kosten van dien opbouw ad f. 500,- door een behoorlijk bestek en begrooting nader zou behooren te worden gestaafd, weshalve ik " — aldus de Hoofdschout — " behoudens die aanmerking vermeen, U EdGrtbr. gunstige dispositie op het voorzegde voorstel te mogen verzoeken" . Van Lyndens advies werd in handen gesteld van de Gecommitteerden tot de finantien, naar aanleiding van wier rapport de Hoofdschout het verzoek kreeg "om van den Gemeenteraad te vragen een behoorl ijk bestek en teekening benevens eene specifieke gedetailleerde begroting van kosten teneinde alsdan daarover nader te kunnen delibreeren"

    "DE STEENEN WORDEN VAN TIJD TOT TIJD WEGGEHAALT EN GESTOOLEN .....

    ... Bij de vorige Regeering is het Oude stadhuis hier in de Stad, hetwelk uit twee kamers bestond en den inval dreigde, op hoogeren ordre van vooren afgebrooken en die daarvan gekomen materialien zijn voor weinig geld opentlijk ten voordeelen van de Stadskas verkogt. Van Agteren is nog een klein Kamertjen overgebleven, waar nog voor en na Raadsverzamelingen gehouden worden.
    Van de groote Kamer voor aan de Markt bleven vier muuren staan waarvan er nu eene is ingestort en de andere drie ook dreigen te vallen waardoor zomwijlen ongelukken voor Menschen konde gebeuren. De steenen van de ingestorte muuren worden van tijd tot tijd weggehaalt en gestoolen..." (Uit brief van Maire J.F. Pilgrim aan de Prefect van het Departement van den Boven-IJssel dd. 21 januari 1812, GAH - OA 20)


    Op de schatting van de gemeenteraad wensten GS niet in te gaan, mogelijk omdat hun het bedrag als onwaarschijnlijk laag voorkwam en zij een overschrijding der kosten - zoals die thans usance is - vreesden.
    Kennelijk heeft men in Huissen met dat nadere verzoek danig in de maag gezeten, want het duurde tot januari 1823 voordat de Hoofdschout bestek, tekening en begroting ontving. De reden van de vertraging laat zich gemakkelijk raden. In plaats van het door de raad geraamde bedrag van f. 500,- kwam de door Hendrik Weitjens op 18 januari 1823 opgestelde "Siering van Kosten tot het Aanleggen en bouwen van een gemeentehuis te Huissen" uit op een bedrag van liefst f. 797.80; een overschrijding met f. 297.80  of bijna 38%.
    Op deze aanzienlijke verhoging leverde de Hoofdschout Van Lynden in zijn brief aan G. S. merkwaardigerwijze geen enkel commentaar. De enige "observatie", die hij meldde, was, "dat in het voors: bestek de reserve van UEdGrtbr. approbatie der aanbesteding verzuimd is, welke dus, behalve andere door U EdGrtbr: goed te vindene verander ingen, eventueel de plaats van het laatste artikel zal behooren te bekleeden" .
    Ook de laatste Huissense zending werd in handen van de "Gecommitteerden tot de finantien" gesteld. Op de brief van de Griffier aan de Gecommitteerden schreef één hunner: "Heeft Huissen schulden ? Zo ja hoe groot is de Som ? Kennelijk omdat op deze vragen antwoord moest worden gevraagd duurde het tot juni voordat Gecommitteerden rapporteerden. Op de brief van de Griffier noteerde Gecommitteerde v. Rechteren: "Te difficulteeren in het verzoek aangezien de Gemeente schulden heeft — nog niet afgedaan zijn" .
    Ged. Staten besloten dienovereenkomstig: "Gezien de Begroting der kosten, in aanmerking dat die kosten, welke volgens het besluit van de Gemeente Raad van den 20 Junij 1822 waren berekend op f. 500,-, volgens de overgelegde Siering f. 797.80 zouden bedragen; In aanmerking genomen, dat de gemeente Huissen nog met aanmerkelijke schulden is bezwaard; Is besloten: In het verzoek van de Gemeente Raad van Huissen te difficulteeren."
    Daarmee waren de Huissense stadhuisplannen van de baan. Het zou 40 jaar duren voordat de raad zich opnieuw met het chapiter "nieuw stadhuis" zou (kunnen) bezighouden.
    Het laatste gedeelte van het stadhuis op de Markt werd tenslotte gesloopt in 1830, blijkens een bevelschrift tot betaling aan J van Binsbergen bij de gemeenterekening van dat jaar: "voor afbraak van het ingestorte gedeelte van het voormalige Raadhuis... "

    Het afgewezen stadhuisplan van 1822/23

    Zó zag het plan tot "het aanleggen en bouwen van een gemeentehuis" er uit, dat timmerman—aannermer Hendrik Weitjens op 18 januari 1823, op verzoek van de gemeenteraad , ontwierp.
    Zijn begroting beliep een bedrag van f. 797,80 hetgeen f. 297,80  méér was dan de bouw volgens de raad zou kosten. Weitjens "Siering van kosten" luidde als volgt: - De matrialen (...) zijn kozijns, glasramen en waterdorpels met werkloon: f 91,60; - Deurkozijnen enz. : f. 121,20; — Vloerenzolders : f. 250,50  - IJzerwerk: f. 10,- ; — Glas en verf: f. 30,- — ; — Metselwerk: f. 294,50; Totaal: f. 797,80.
    In het bestek werd bepaald: "Dit gemeentehuis zal volgens teekening bestaan in een kamer waarin de gemeenteraad vergaderd, voorhuis of gang , bodekamer , gevangenenhok en bergplaats, voor de Brandspuiten en het ook te maken overeenkomstig het dak en frond het huis van "Jan Meyer" .Het zou dus gebouwd worden tegen "het huis van Jan Meyer"  en met een zelfde (simpele) voorgevel.
    Aan de andere zijde woonde, aldus het bestek, zekere Engeraay ("en kozijn in den Zytgevel naast Engenraay aan den zolder", — art.5 . De voorgevel moest "boven de stoep" in nieuw steenen zooals den gevel aan het huis van Meyer" opgetrokken worden, gelijk ook het dak, evenals dat van Meyer, met rode pannen moest worden gedekt. De raadskamer, waarheen ook "de boekekast die in het oude stadhuis staat" moest worden overgebracht, zou een planken vloer krijgen.
    Voorhuis en bodekamer kregen estriken op de vloer, bergplaats en gevangenenhok klinkers. - De door ons ingetekende letters geven aan: A= stoep; B= voorhuis of gang; C= kamer van de gemeenteraad; D= bodekamer; E= bergplaats van het brandweermateriaal; F= gevangenenhok; G= trap en zolderoverkamer; H= het "sekreet , in de volksmond "het huuske" geheten. Aan de achtergevel zgn. bakjes "om de brandhaken en leren op te leggen.stadhuis4

    2. Ten huize Pilgrim in de Langestraat

    Zoals eerder vermeld werd de gemeentelijke administratie enkele jaren na de brand in het stadhuis op de Markt overgebracht naar het woonhuis van burgemeester J.F. Pilgrim.
    Het is het nog bestaande herenhuis Langesr. 35/37, waarin thans woning— en meubelinrichting met woning van de Heer B. Steijntjes is gevestigd. In dit pand, waarvan de voorgevel in latere jaren ten behoeve van winkelvestiging helaas werd verbouwd, bleef het "stadhuis" rond een halve eeuw gevestigd, namelijk tot het voorjaar van 1863.
    Het herenhuis Langestraat 35/37, dat, naast burgemeesterswoning,
    Burgemeester J. F. Pilgrim was op 26 maart 1814 als Koninklijk Pruisisch Burgemeester opgevolgd door zijn zoon Jeremias Jacobus Ernst, die van 1812 tot begin 1814 — aldus zijn eigen biografische gegevens — reeds de Mairie Huissen voor deszelfs vader geadministreert" had en bij de overgang naar de Nederlanden op 1 juni 1816 burgemeester-secretaris was gebleven en op 27 november 1817 door Koning Willem I officieel als schout en secretaris van Huissen was benoemd. In 1850 - hij was toen 63 jaar - werd hij als burgemeester en secretaris opgevolgd door zijn zoon, de 26—jarige Johannes Andreas Theodoor. Deze bleef als vrijgezel inwonen bij zijn vader, die sinds 1818 ook het ambt van notaris bekleedde. Als eigenaar en hoofdbewoner bleef de oud—burgemeester de vergoeding voor verhuur van de "gemeentekamers" ontvangen.
    stadhuis6

    3. Ten huize Bergsma in de Langestraat

    In de raadsvergadering van 28 februari 1863 gaf burgemeester J.A.Th. Pilgrim te kennen, dat "hij hoogstwaarschijnlijk in het laatst der maand Maart of in het begin der maand April van woning denkt te veranderen, weshalve hij in verband daarmede het voorstel doet, om de Gemeente-Secretarie als dan gelijktijdig onder te brengen naar het huis van I.J. Bergsma in de Langestraat Wijk A no. 83 alswelk zich bereid verklaard heeft om voor dezelfde geldelijke tegemoetkooming als de Heer J.J.E. Pilgrim daarvoor tot hiertoe heeft genoten, de ene voorkamer regts voor kantoor en de andere voorkamer links voor het houde der Raadsvergaderingen en voor het voltrekken van Huwelijken aftestaan."
    In de notulen werd aangetekend: "Zulks tot geene deliberatien aanleiding gevende" De aangekondigde verhuizing hield verband met het voorgenomen huwelijk van de toen ruim 38—jarige burgemeester J.A.Th. Pilgrim met de elf jaar jongere, eveneens te Huissen geboren Ida JohannaBergsma, dochter van de "particulier" Petrus Adrianus Bergsma en Huiberdina Dingena Appel.
    Het huweijk had op 15 maart 1863 plaats, waarna het paar zich vestigde ten huize van de bruid, "Langestraat Wijk A no. 83" . Dit pand zou laastelijk — tot het brandbombardement van 13 op 14 mei 1943 - bewoond worden door mej. A. Houtkoper, die was opgegroeid bij Ida Bergsma en haar tweede echtgenoot, Cornelis Leonhard Pilgrim, broer van de overleden burgemeester.
    Het pand werd bij het brandbombardement getroffen en werd na de bevrijding gesloopt. Het stond op de plaats van het huidige dubbele woonhuis Langestraat 18/20, tussen de Hervormde Pastorie en fa. Broekman. De huisvesting van het "stadhuis" in het pand Langestraat "Langestraat Wijk A no 83" zou slechts van korte duur zijn. Op 30 augustus 1865 reeds stierf burgemeester J. A. Th. Pilgrim, drie dagen zijn 41e verjaardag. Met zijn heengaan kwam tevens een einde aan een 80-jarige Pilgrim—burgemeestersperiode.

    4. In „de Kerkstraat op nr. A63"

    Reeds op 14 oktober 1865 werd een opvolger benoemd: Coenraad Vemer, die op 30 oktober door loco-burgemeester W. Goris werd geinstalleerd. Hij vestigde zich in de Kerkstraat "Wijk A no 63" dat eigendom was van het raadslid A.J.L. Baron van Laer van Hoenlo. "Wijk A no 63" was toen waarschijnlijk het huidige pand Kortekerkstraat 2.
    Zekerheid bestaat daaromtrent - wegens gebrek aan exacte gegevens - niet. Ook ten huize van de nieuwe burgemeester werd nu het "stadhuis" gevestigd. Dat blijkt uit de raadsvergadering van 30 april 1857, waarin wethouder Putters mededeelde, "dat met ultimo April het huurcontract der Raadszaal en secretarie tusschen deze Gemeente en den (inmiddels overleden) Heer Verner komt te vervallen" .
    In zijn vergadering van 25 november 1865 werd door de raad kennisgeving aangenomen de mededeling van het Dagelijksch Bestuur, dat , met het oog op art. 131 van het Burgerlijk Wetboek, de Raadzaal en de secretarie zijn overgebragt in een gedeelte van het huis staande in de Kerkstraat A No 63"c. (Art. 131 BW bepaalde o.a.: "Het huwelijk zal in het Openbaar in het huis der gemeente) worden voltrokken")
    In de raadsvergadering van 22 februari 1866 vroeg Verner toestemming tot het aanschaffen van "bureaumeubilair" aangezien ten huize van de Pilgrims als gemeente-eigendom slechts aanwezig waren "eene schrijftafel en twee boekenkasten"
    Totdat het nieuwe stadhuis 'op de Markt kon worden betrokken bleven zaal en secretarie in de Kerkstraat gevestigd, ook nadat burgemeester Verner op 28 februari 1867 was overleden. Eigenaar Baron van Laer van Hoenlo was bereid om "voorloopig op den ouden voet en wel van maand tot maand het bestaande huurcontract" te continueren.

    stadhuis5

    Gezicht vanuit de Langestraat op de Markt toen het stadhuis er reeds was gebouwd. Het 4e (hoogste) huis van links is het pand waarin tussen 1863 en 1865 het "stadhuis" was gevestigd ("ten huize Bergsma").
    Rechts: de "Gelderse gevel". - Schilderij van Kees Berendsen


    5. "Waterstaatsstadhuis" op de Markt

    Het ontbreken van een "echt" stadhuis en het zich moeten behelpen in gehuurde kamers was, zeker voor de jonge vrijgezel—burgemeester, inwonend bij zijn vader de oud—burgemeester, een weinig "magistrale" entourage. Het duurde echter twaalf jaar na zijn ambtsaanvaarding voordat hij een poging waagde om plannen voor de bouw van een stadhuis ter tafel te brengen. Ongetwijfeld kende hij, behalve de minder florissante positie van de gemeentel ijke financiën, ook de zuinigheid van de raadsleden, van wie met name de grootgrondbezitter Baron van Laer van Hoenlo er steeds voor waarschuwde om de gemeente op kosten te jagen.
    In de raadsvergadering van 25 juni 1862 deed burgemeester Pilgrim tenslotte het "voorstel om eene teekening en begrooting te doen maken voor het bouwen van een gemeentehuis" Echter tevergeefs, want het voorstel werd "wegens de onvoltalligheid der vergadering aangehouden tot de volgende vergadering".
    Wat Pilgrims voorstel precies behelsde wordt in de notulen niet uit de doeken gedaan. Wél blijkt, dat er toen, behalve het pand van de kuiper Hent Looman (zie de tekening op pg. 12) , ook nog het "pand van Vrouw Harderwijk" op de Markt stond. Waar het precies stond is niet bekend. De bewoonster en huurster heette Derkje Gerritse Boomhof huisvrouw van P. van Harderwijk en uit de van de raad blijkt, dat men er aanvankel ijk over heeft gedacht om dit huis tot stadhuis te verbouwen. In de vergadering van 30 augustus 1862 stelde burgemeester Pilgrim — zonder dat in de notulen van zijn oorspronkelijke voorstel met name gerept wordt — aan de orde "de bestemming die men denkt te geven aan het huis op de Markt". 

    DE "SCHUP" EN DE STENEN...
    In het houten torentje op het stadhuis bevond zich, behalve een uurwerk, ook een klokje. Wegens het eigenaardige geluid, dat het produceerde, droeg het in de volksmond de naam "de schup"....
    Aan weerszijden van de hoofdingang bevond zich een gedenksteen. Tegen een inscriptie had zich een raadslid verzet zonder dat nu de reden daarvan valt te achterhalen.
    In de raadsnotulen van 19 nov. 1867 vinden we erover aangetekend: Wordt ter tafel gebracht een door den architect Fijnebuik opgemaakt concept opschrift voor de gedenkstenen (...) en wel op den steen links: "De eerste steen gelegd door W.S. Goris fungerend Burgemeester den 8 April 1867" ; en op den steen regts: In ontvangst genornen door C.T. Kolfschoten Burgemeester, W.S. Goris en F.E. Putters Wethouders den 3en December 1867", welke inscriptie met 10 tegen 1 stem, zijnde die van den Heer Boerboom, aldus worden goedgekeurd..."


     "De heer van Laer" — aldus de notulen — " doet daarop het voorstel om, alvorens daaromtrent eene beslissing te nemen, door eene commissie te doen onderzoeken of het tegenwoordige gebouw niet met weinige kosten voor gemeentehuis kon ingerigt worden, zich daartoe zoo noodig van een deskundige te bedienen en den Raad daaromtrent te dienen van berigt en raad. Welk voorstel nadat daarover nog onderscheidene het woord gevoerd hebben, met 9 tegen 2 stemmen, is aangenomen en vervolgens als leden der commissie door den Voorzitter benoemd de Heeren Baron van Laer, Putters en G. Jansen". Het duurde tot de vergadering van 11 februari 1863 voordat de cornmissie verslag uitbracht. Zij adviseerde "om in het financieele belang der gemeente, den bouw van het gemeentehuis vooralsnog onbepaald uit te stellen maar om daarentegen te trachten hetzelve (het huis) voor 3 jaren tegen een verhoogde huur te geven aan de tegenwoordige bewoonster, wijders om het huis uitwendig te doen verwen en eenige uitbreiding en verbetering van het (annexe) brandspuitenhuisje te doen bewerkstelligen" .
    Bœgemeester Pilgrim, die meedeelde, dat de bewoonster "niet ongenegen was om het huis tegen de verhoogde pachtsom in huur te nemen", zei van mening te zijn, "dat de financieele toestand over drie of latere jaren niet voordeeliger zal zijn als nu, daar er toch voor dit geval zoowel nu als later speciale voorzieningen dienen genomen te worden" . De voorgestelde verbetering van het brandspuitenhuisje achtte hij tenslotte maar een halve maatregel. De burgemeester kreeg medestanders in de raadsleden Smit, Goris en Van Gent. Het commissielid Baron van Laer echter verdedigde het voorstel van de commissie. Hij beschouwde de financiële toestand der gemeente niet genoeg om tot de bouw van een gemeentehuis te kunnen besluiten en wilde daarom "de gemeente niet bovenmatig belasten" .
    Hij verklaarde zich echter wel bereid om het voorstel van de commissie in zoverre te wijzigen, dat "wanneer de gemeente een ander geschikt locaal tot bergplaats der brandspuiten kan huren, alsdan van de verbetering en uitbreiding van het brandspuitenhuisje te willen afzien. Met S tegen 4 stemmen werd daarop besloten om tegen de met f. 20. verhoogde huurprijs van f. 160. voor drie jaar het huis weer te verhuren aan " Vrouw Harderwijk". Het huurcontract zou derhalve april 1866 eindigen en intussen kon men zich dus bezighouden met de plannen voor de bouw van een nieuw stadhuis. Op 30 augustus 1865 stierf burgemeester J.A.Th. Pilgrim en op 14 Oktober werd zijn opvolger benoemd, Coenraad Vemer. Echter, nog voordat hij - op 30 oktober — werd geïnstalleerd, nam de raad , onder voorzitterschap van loco—bugemeester W. Goris, een belangrijk besluit...

    stadhuis8stadhuis9

    In de vergadering van 19 oktober stelde Goris aan de orde "de te geven bestemming van het huis op de Markt bewoond door Vrouw Harderwijk" . De notulen vermelden dan: "De Heer Smit stelt aan de vergadering voor om bij het eindigen der huur op primo Mei aanstaande tot geene verdere verhuring over te gaan en inmiddels eene teekening met bestek benevens eene begroting van kosten tot het bouwen van een gemeentehuis door een deskundigen te doen opmaken. De Heer van Laer meent het raadzamer om met het oog op de finantiele toestand der Gemeente, welke welligt door de herziening van het belastingstelsel niet verbetert wordt, alsnog met het daarstellen van een Gemeentehuis een jaar te wachten. Na dupliek wordt het voorstel van de heer Smit in stemming gebragt en met 8 tegen 2 stemmen aangenomen. Ten gevolge van die aanneming wordt het dagelijksch bestuur door den raad gemagtigd om omtrent het opmaken van eene teekening en bestek en eene begrooting van kosten met den Heer Fijnebuik opzigter van de Waterstaat 1e klasse te Arnhem in overleg te treden en onder overlegging van een en ander hiervan aan den raad verslag. te doen, terwijl verder besloten is tot het maken van het bestek de navolgende gegevens vast te stellen:
    Het Gemeentehuis zal bestaan uit:
    a. Een zoogenaamde sousterrain bevattende eene woning voor den bode, 2 gevangenisvertrekken, eene kamer voor de nachtwacht, een bergplaats voor de brandbluschmiddelen , een dito voor materialen van de Gemeente en voor brandstoffen.
    b. Eene zoogenaamde belle étage bevattende eene raad- en eene commissiekamer en suite, eene Kamer voor de secretarie , eene Kamer voor den Burgemeester, eene Kamer voor het archief en wachtkamer , en
    c. Eene gelegenheid tot plaatsing van een uurwerk.
    Na deze machtiging van de raad nam het dagelijks bestuur contact op met de heer S .A.Feynebuik, waarmee Huissen een stadhuis zou krijgen in de zgn. Waterstaatsstijl, waarmee wordt aangeduid de (Neo-klassistische) stijl, waarin in die tijd onder leiding van ingenieurs van de Waterstaat gebouwen van openbaar nut werden opgericht.
    De raad besloot jn zijn vergadering van 22 februari 1866 om de maximum bouwkosten op f. 13.000  te bepalen en bij brief van 15 maart zond Feynebuik zijn ontwerptekening in, waarvan helaas geen exemplaar meer werd aangetroffen.
    Hij verschafte er de volgende toelichting bij: "De plaats waar dit gebouw wordt gesteld opgetrokken te zullen worden; is ten Oosten van het Marktplein, zoo als dit door eene roode kleur op de Situatie-teekening is aangewezen. Tot opheldering van het plan strekke: dat als beganen grond is aangenomen de hoogte van den tegenwoordigen grondslag en dat de halve kelderverdieping zal worden verkregen door den grondslag vóór het gebouw met 0.90 el of iets meer te verhoogen.
    Het plan van den beganen grond en der 1e verdieping is zoo ik yertrouw door de renvooien voldoende opgehelderd . Omtrent het plan van den beganen grond merk ik echter nog op, dat het vertrek No. 1 wordt geacht slaapkamer, No. 2 keuken en No. 3 woonkamer te zijn. De zolder boven het middendeel van het gebouw is bestemd voor berging van materialen van de gemeente, het archief, het plaatsen van een uurwerk enz. De kosten van het gebouw worden door mij globaal geschat Op f. 10.000.--."
    In de vergadering van 24 maart 1866 hield de raad zich met het ontwerp bezig. Met 7 tegen 3 stemmen werd het plan "in het algemeen" goedgekeud, maar nietternin werd de ontwerper verzocht om de volgende wijzigingen aan te brengen:
    1e. het terrein waarop het gebouw moet komen te staan, dient in het algemeen te worden opgehoogd;
    2e. zoo eenigzins mogelijk de buitentrap binnen in te brengen. De daardoor vervallende gevangenissen kunnen gevonden worden door het daartoe bezigen van een der vertrekken van den bewaarder;
    3e. het sousterrain dient eene hoogte te hebben van 2.50 El;
    4e. 0e Raadkamer is te klein; dezelve dient eene lengte te hebben van 8 en eene breedte van 6 ellen; Misschien kan zulks gevonden worden door de vestibule en de kamers regts en links te verkleinen, of wel het gebouw in het algemeen dieper te maken;
    5e. Gaarne had men een toren waarin een uurwerk met slaanden klok;
    6e. het voorfront komt te eenvoudig voor; hetzelve dient te worden verfraaid door het aanbrengen van palmetten en pilasters van een halve steen op de zijden;
    7e. Gaarne zag men de muren van het sousterrain en de lijst boven de belle êtage met hardsteenen platen belegd en de kozijen van hardsteen;
    8e. Bij onmogelijkheid de trap van binnen aan te brengen, moeten stoep en trappen van hardsteen zijn en zag men gaarne op de stoep twee ijzeren pilaren, kunnende dienen tot verlichting en aan de beide Zijden eenen ijzeren leuning;
    9e. wordt in overweging gegeven of er mogelijkheid bestaat de stoep te voorzien van een soort van dak tot het kunnen doen van afkondigingen;
    10e. In de keuken moet eene pomp geplaatst worden.
    Feynebuik wijzigde het plan naar de wensen van de raad, die tenslotte in de vergadering van 21 augustus 1866 zijn zegen gaf aan het definitieve ontwerp.
    Feynebuik stapte reeds naar drukker Van der Wiel in Arnhem om het bestek en de aankondiging der aanbesteding te laten drukken. Maar de burgemeester moest hem er ijlings op wijzen, dat eerst nog de goedkeuring van Ged.Staten op 's Raads plannen noodzakelijk was. Op 20 september 1866 nam de Raad dan formeel het besluit, strekkende "om een Raadhuis daar te stellen tegen de geraamde bouwkosten van f. 12.380.--" en reeds op 25 september volgde de goedkeuring van Ged.Staten
    In de overwegingen tot dat besluit, waarin Gedeputeerde Staten hun fiat hechtten "aan de geraamde kosten van bouw ad f. 12.380.--" werd tevens notitie genomen van het feit, dat al verder zal worden overgegaan tot de afbraak en benuttiging van het te dien einde in der tijd aangekochte huis, gelegen op de groote markt gemerkt A no. 104 ; het huis van "Vrouw Harderwijk" .
    Het dekkingsplan van de gemeente zag er als volgt uit:1e Uit het te gelde maken eener som van f. 8400,-- 3% Nationale werkelijke rentegevende schuld, berekend tegen een waarde van 66% : f. 5.550. — ; 2e een gedeelte van het batig saldo der rekening over 1865 ad f. 1.000.--; 3e. de opbrengst van den verkoop in dit jaar van een gedeelte der Valomsche straat: f. 550. —; 4e. den verkoop van een gedeelte der zoogenaamde Breedestraat, groot ruim 2 bunders, geschat op eene waarde van f. 1.8OO.-- per bunder en zijnde dit jaar verpacht voor eene som van f.140.-- : f.3.600.--; 5e. den verkoop van den zoogenaamden Doelentuin, groot 12 roeden, 10 ellen, geschat op eene waarde van f. 1.000.--, zi jnde verpacht voor f. 38.-- per jaar; 6e. den verkoop van den zoogenaamden Secretarietuin, groot 14 roeden SO ellen, geschat op eene waarde van f. 700.--" , totaal f. 12.400.--.
    Op 11 oktober 1866 had de aanbesteding plaats, waarbij de Huissense aannemers G.J.Weitjens (zoon van de aannemer van "1822/23") en H.W.Jansen als laagste inschrijvers uit de bus kwamen met een bedrag van f. 11.499,--  voor het afbreken van twee gebouwen (het huis van Vrouw Harderwijk en het annexe brandspuitenhuisje) aan de zuidoostzijde van het Marktplein en het inplaats bouwen van een "Raadhuis" .
    stadhuis11stadhuis10


    Tijdens de bouw van het stadhuis trof de gemeente opnieuw een verlies: het plotseling overlijden van burgermeester C. Verner op 28 februari 1867. Het was dan ook de loco—burgemeester, wethouder W. Goris, die op 8 april d.o.v. de eerste steen legde. Enkele dagen later, op 16 april, werd Verners opvolger benoemd: de Arnhemse candidaat-notaris Constantijn Theodoor Kolfschoten.
    Op dinsdag, 3 december 1867 tenslotte kon het nieuwe stadhuis-op-de-Markt plechtig in gebruik worden genomen tijdens een buitengewone zitting van de raad, waarvan toen deel uitmaakten: N.van Gent, H.F.Boerboom, W.Goris, J.H.Smit,H.R.Cremer, Baron van Laer van Hoenlo, C.Meeuwsen, P.van Os, G.Jansen, F.Janssen en F.E.Putters.
    De toespraak, die burgemeester Kolfschoten toen hield, drukken wij hier curiositeitshalve in extenso af.

    Een gemeentegebouw waarop het oude Huissen met regt trotsch zal mogen zijn'

    Toespraak van burgerneester C. T. Kolfschoten in de "buitengewone vergadering van den Raad der Gemeente Huissen bij gelegenheid der inauguratie van het nieuwe Gemeentehuis op Dingsdag den 3. December 1867" .
    "Mijne Heeren Wethouders en Secretaris, leden dezer Gemeenteraad en verdere ingezetenen van Huissen hier tegenwoordig. stadhuis12
    Een aangenamen indruk zal het gewis op ons allen teweeg brengen, wanneer wij bedenken, welke plegtigheid wij geroepen zijn hier thans te volvoeren; aangenaam moet het ons zijn, wanneer wij nagaan, welke de oorzaak dezer plegtigheid was, welke hare gevolgen zullen zijn. Het is nu ongeveer acht maanden geleden dat Huissen getuige was van de eerste plegtige steenlegging tot dit gebouw, hetwelk wij thans inaugureren; tot dit gebouw, waarin voortaan de belangen der gemeente en van hare ingezetenen behandeld en beslist zullen worden.
    De behoefte aan zulk gebouw, aan zulken tempel, waar die belangen aan het oordeel van hen, die door U allen geroepen zijn om ze voor te staan, zouden onderworpen worden, was sints lang gebleken, sints lang gevoeld. Tijds- en andere omstandigheden van finantieelen aard, waren echter oorzaak, dat in die behoefte niet voorzien kon worden. Drukkende tijden, drukkende jaren trokken ook over Huissen heen; jaren van ziekten onder de menschen en onder de voortbrengselen van den landbouw teisterden ook deze gemeente en gedoogden niet, dat door het Bestuur de handen aan het werk werden geslagen tot het daarstellen van een voegzaam gemeentehuis. Langzarnerhand echter begonnen aan den horizont der tijden, wêer heldere dagen te verrijzen. De vreeselijke ziekten begonnen allengskens hun kwaardaardig karakter te verliezen, landbouw en veeteelt bloeiden weer ongestoord, terwijl de vijf onder deze gemeente opgerigtte steenfabrieken voor menigen ingezetene dezer gemeente de gelegenheid daarstelden, om zich op eerlijke wijze een goed bestaan voor zich en de zijnen te verschaffen en bovendien bij spaarzaamheid en vlijt iets voor den naderenden winter over te leggen. Deze gunstige wending der zaken was dan ook de oorzaak, dat het Bestuur dezer Gerneente ten vorigen jare zich in de gelegenheid gesteld zag, den bouw van dit raadhuis te ontwerpen en aan ongetwijfeld aller wensch te voldoen om aan het oude Huissen een gemeentegebouw te verschaffen, dat het ten sieraad zal verstrekken en waarop het met regt trotsch zal mogen zijn.
    Ook de gevolgen, die het bestaan van dit gebouw na zich zal slepen, zullen voorzeker voor deze gemeente zegenrijk zijn. Hoe meer toch eene plaats in bloei toeneemt, hoe fraaijer en sierlijker ze zich uitwendig vertoont, zooveeI te meer zal ze hare aandacht tot zich trekken, vreemden aanlokken zich hier te vestigen, daardoor het verkeer en de beschaving in die plaats doen toenemen en hare welvaart bevorderen. Hiervan immers kunnen de laatste jaren voldoende getuigen zijn. Huissen mag er trotsch op zijn, boven en behalve dit raadhuis in den laatsten tijd in zijnen schoot gebouwen en instellingen te hebben zien verrijzen, die den bloei en vooruitgang dezer Gemeente op onmiskenbare wijze bevorderden en aanwakkerden.
    Ik heb U , Mijne Heeren, hier slechts te wijzen op het kloostergebouw der Paters Dominicanen, waar niet slechts zoo menige behoeftige onder onze medeburgers troost en ondersteuning vindt maar waardoor ook het verkeer naar deze plaats heeft toegeromen; ik heb U nog slechts te wijzen, — om van de andere nuttige instellingen niet te spreken — op de kostschool van den Heer Wansink, aan wiens kundige leiding ouders van heinde en verre hunne kinderen toevertrouwen om ze tot nuttige leden der maatschappij te vormen, aan welke instelling voorzooveel verschuldigd is, door de behoefte, die zij met zich sleept en aan menigen onzer medeburgers het dagelijksch brood verschaft, terwijl zij bovendien menigen vreemdeling herwaarts trekt.
    Ook voor ons, Mijne Heeren Wethouders, Secretaris en leden van den Gemeenteraad, zal dit nieuwe gebouw voorzeker niet zonder gevolg wezen. Ge hebt voorzeker, evenals ik, toen ge zoo even voor het eerst den drempel van dit nieuw gebouw betraadt, nogmaals U den eed in het geheugen geroepen, dien gij bij de aanvaarding Uwer betrekking aflegdet, dat gij de belangen dezer Gemeente met al uw vermogen zult voorstaan en bevorderen; gij hebt U , toen gij voor het eerst deze raadzaal binnentraadt en het beeld van onzen beminden vorst aanschouwdet voorzeker met mij den afgelegden eed van trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks wederom te binnen gebragt en ophieuw het voornemen gevormd om met verjongden ijver en kracht en gesteund door de goede gezindheid, de welwillendheid en het vertrouwen der burgerij, met vereende krachten Huissens belangen en die zijner ingezetenen te blijven bevorderen. Laten wij aan die pligten hier opnieuw trouw zweren, laten wij de eensgezindheid, eerlijkheid en trouw, in één woord alle christen- en burgerpligten onder onze medeburgers helpen aankweeken, laten wij hen door ons voorbeeld aanzetten om het goede te doen,het kwade te laten en laat ons voornamelijk de beschaving voorstaan. Wij mogen ons verheugen binnen deze muren scholen voor lager onderwijs te bezitten, waar door ijverige en geschikte personen grondig onderrigt gegeven wordt, waar door behoeftige kinderen dezer gemeente gratis onderwijs kan bekomen worden, doch, helaas!, hoevele kinderen zien wij langs de straten slenteren en hunne jeugd nutteloos laten voorbijgaan. Laat ons de ouders van zulke kinderen door woorden en gepaste middelen aansporen om hunne kinderen vlijtig ter school te zenden, laten wij hen wijzen op het groot voordeel dat in kunde en beschaving gelegen is, laten wij hen opbeuren uit dien slaap van onverschilligheid en achteloosheid, opdat zij er zich eindelijk op mogen toeleggen om de kinderen, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, tot werkzame en nuttige leden van de maatschappij, tot heil van hen zelven, tot nut van vorst en vaderland op te voeden.
    Zoo doende Mijne Heeren kan het niet anders Of onder Gods besten zegen, zal het Huissen welgaan en zal Huissen wederom eenmaal een straal van dien ouden luister deelachtig worden, waarmede het in de oude geschiedrollen dezer streken staat aangeteekend.
    Ten slotte een woord van warmen dank aan U , Mijne Heeren leden der bouwcommissie van dit Raadhuis. Gij hebt U veel laten gelegen liggen, moeite noch zorg gespaard om dit gebouw op soliede, hechte en voordeelige wijze voltooid te krijgen. Ontvangt daarvoor onzen dank. Weest lange jaren met de uwen nog getuigen van het werk, dat ge onder uw toezigt tot heil dezer gerneente hebt helpen tot stand brengen. Hulde en dank zij ook den Heeren ontwerper en aannemers van dit gebouw. Dat ook zij nog lange jaren met welgevallen op hunnen voltooiden arbeid mogen nederzien en dat het werk zijne meesters nog in hunnen grijzen ouderdom moge kroonen.
    lk eindig deze toespraak Mijne Heeren, met den luiden wensch, dat deze opening van dit gebouw lange jaren onder het heilrijk bestuur van het geëerbiedigde Hoofd van Onzen staat, onzen beminden Koning Willem de Derde, rijke vruchten van zegen en voorspoed, van bloei en welvaart voor deze gemeente en ons allen moge opleveren.
    Heil onzen Koning ! Heil de gemeente Huissen !
    stadhuis13

    6. „De Altena": stadhuis buiten de stad

    Na burgemeester C.Th. Kolfschoten zag het "Waterstaats—stadhuis op de Markt de volgende burgemeesters verschijnen: P.J. Masion (1876 - 1886) , mr. A.E.J. Baron van Voorst tot Voorst (1887 - 1893), W.M.Helmich (1893 - 1934) en mr. C.M.J. Dany (vanaf 1 juni 1934).
    Enkele jaren nadat laatstgenoemde zijn ambt had aanvaard constateerde hij, dat het toen 70 jaar oude gebouw te klein was geworden voor het zich uitbreidende ambtenarenkorps. Bovendien echter bleek het scheuren te gaan vertonen e.d.,in elk geval niet meer geschikt te zijn voor restauratie uitbreiding.
    Besloten werd naar een andere huisvesting om te zien, het oude stadhuis te slopen en op de Markt een ander openbaar gebouw — een brandweerremise - te stichten. Het oog viel op de villa "De Altena" met bijbehorende grond aan de Steenstraat (thans Helmichstraat), die de inmiddels overleden burgemeester W.M. Helmich voor zijn grote gezin had laten bouwen.
    Met de familie Helmich werd overeenstemming bereikt over een aankoopsom van f. 20.000.- De gemeenteraad besloot daarop op 13 mei 1938 tot aankoop over te gaan en "het huis na geringe verbouwing, in te richten tot gemeentehuis, waarin tevens een centrale verwarming zal worden aangelegd, terwijl het oude gemeentehuis zal worden afgebroken en de afbraak, alsmede de overblijvende (in 1866/67 opgehoogde) grond , na verruiming van het Marktterrein zal worden verkocht".
    De totale kosten van het project beliepen: aankoopsom f. 20.000.- , transportkosten f. 606.- ,verbouwingskosten f. 1.500 — , totaal f. 22.106.- .
    Dit bedrag moest worden verminderd met: opbrengst van de afbraak van het oude gemeentehuis f. 606.-, nader geschatte waarde van de overblijvende grond gelegen nabij hef oude gemeentehuis na verruiming van het Marktterrein : f. 2.500.-, totaal f. 3.106.-, zodat netto resteerde f. 19.000.—. Daarbij kwam nog eens een bedrag van f. 1.900.- wegens kosten aanleg centrale verwarming. Voor beide bedragen werden geldleningen aangegaan. De eerste ( f. 19.000.-) had een looptijd van veertig jaren; d.w.z. tot 1978!
    De verhuizing naar "De Altena" betekende, dat voor het eerst in Huissens geschiedenis een stadhuis buiten de wallen van het oude stadje werd gevestigd; een door vele burgers betreurd besluit.
    stadhuis15Op 30 september 1938 had de plechtige opening van het nieuwe stadhuis plaats door de Commissaris der Koningin in de Provincie Gelderland,mr.  S. Baron van Heemstra.
    Bijna veertig jaar later zou het worden gesloopt en zou het gemeentebestuur "binnen de wallen" terugkeren, zij het niet op de historische plaats, de Markt.
    "De Altena" bleef in de eerste vier oorlogsjaren ongestoord als stadhuis fungeren en — in de eerste oorlogsjaren - tevens als centrale waarnemingspost voor de Luchtbeschermingsdienst. Voor de huisvesting van de Distributiedienst bood het geen plaats, zodat deze achter het stadhuis in een voormal ig schuurtje werd ondergebracht, waar zich ook het gevangenhok bevond. Op dinsdag, 5 september 1944 (Dolle Dinsdag") werd het stadhuis door de Duitsers gevorderd om te worden ingericht als lazaret van de "Gesundheidsdienst" van de te Huissen gelegerde eenheid "Feldpostnr. 19.992" van de "Reichsarbeitsdienst", ingediend bij de luchtafweerdienst. De volgende dag was de inrichting van het lazaret voltooid: de burgemeesterskamer als zitkamer voor de verplegers, de secretariskamer als bureau van de stafarts, die de kamer van de afd. bevolking als zijn zitkamer gebruikte. De kamer van de hoofdcommies en commies werd "Krankenstube!" en in het ontvangerskantoor vestigde de "Unterfeldmeister" zijn bureau. De commissiekamer werd operatiekamer en de raadszaal tot " Krankenstube II" bestemd. Het verplegend personeel richtte slaapkamers in op de kamer, waar het materiaal en het financieel archief waren ondergebracht. De gemeentesecretarie werd ingericht in het gevangenlokaal in het gebouwtje van de distributiedienst, terwijl voor de waarnemend burgemeester een spreekkamerruimte werd gevonden in het leegstaande bijkantoor van De Gelderlander in het pand van Hotel De Gouden Engel tegenover het Stadhuis. In de nacht van 17 op I8 september 1944 werd het lazaret ijlings weer ontruimd, waardoor "de Altena" - op 20 september — opnieuw voor de gemeentelijke diensten kon worden ingericht. Op 2 oktober liep "De Altena" 's morgens tijdens zwaar artillerievuur lichte schade op. Bij het zware bombardernent 's middags viel er een bom juist naast de aan de noordzijde van het gebouw gelegen secretaris- en bodekamer, waardoor dit gedeelte van het stadhuis werd ontwricht. In het park achter het stadhuis viel een drietal bommen. Vanaf die dag werd "De Altena" niet meer als stadhuis gebruikt. De afdelingen burgerlijke stand en evacuatie werden toen ondergebracht in het als centraal noodhospitaal ingerichte Dominicanenklooster tot aan de algehele evacuatie van de gemeente op 23 oktober 1944. In dit klooster vond het gemeentelijk bestuursapparaat in de eerste maanden na de bevrijding, na de terugkeer van de burgers uit de evacuatie, eveneens onderdak, totdat het gehavende stadhuis "De Altena" weer in gebruik kon worden genomen. stadhuis14
    Nog ruim dertig jaar zou de voormalige — intussen uitgebreide en intern verbouwde - burgemeestersvilla dienst doen als stadhuis; jaren van wederopbouw, jaren ook van soms hoog oplaaiende lokaal-politieke emoties, tijdens welke het zelfs eenmaal aan "bestorming" bloot stond.
    Na mr.C.M.J.Dony (tot 1 febr. 1947) "zag" De Altena als burgemeesters:F.Th.C.M.Terwindt (1947—1966), drs. A.Stadhouders (1967—1972) en H.J.J.Aalders (1972—1978). In de "burgemeesterloze tijdvakken" traden waarnerners op (W.van Elk en H.M.Oldenhof) . Onder burgemeester Aalders werd tenslotte het besluit genomen te verhuizen naar het huidige gebouwencomplex. Enkele dagen na de verhuizing was stadhuis/villa "De Altena" van de aardbodem verdwenen.

     

  • Halve eeuw geleden: molensloop Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 4/5 (1978/79) Open or Close


    Halve eeuw geleden: molensloop
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Een halve eeuw geleden voltrok zich te Huissen het drama, waarover ieder rechtgeaarde Huissenaar zich nog steeds kan opwinden: de sloop van de torenmolen in de Stadsmolendel , aan de overzijde van de Stadsdam, tegenover het Dominicanenklooster. (Voor geschiedenis en uitvoerige beschrijving zie: G.W.C. van Wezel , De cilindrisch gemetselde molen te Huissen, in Bijdragen en Mededelingen van Gelre,dl.LXVIII, 1975). Allerlei pogingen van de laatste molenaar, de onlangs overleden heer Th.J. Heijckmann, om het monumentale bouwwerk te behouden - ook bij de gemeente — hadden niets uitgehaald, zodat een slopersbedrijf uit Apeldoorn op 6 januari 1929 met de sloop een aanvang maakte.
    De Gelderlander publiceerde op woensdag, 9 januari, een laatste foto, met het onderschrijft: "De oude Kruitmolen te Huissen, die elk jaar 'n belangrijke rol speelt in de folkloristische feesten van 't schuttersgilde van genoemd oud stadje is thans definitief gedoemd te verdwijnen". En op 12 januari verscheen onder het kopje " Onze oude molens " het laatste bericht: "Men schrijft ons uit Huissen: Maandag (6 jan.) is men begonnen met het slopen van den ouden kruitmolen alhier. Donderdag was de belangstelling der burgerij al bijzonder groot nu het gold de verwijdering van de ijzeren wieken, welke met een donderend geraas naar beneden stortten. Naar men ons mededeelde zai voor het slopen nog van explosie materiaal gebruik moetem worden gemaakt, daar het muurwerk op plaatsen ruim 2 meter dik is."
    Behalve de naam "Molendel" herinnert nog slechts de zich in de gildenkapel bevindende altaarsteen, welke uit één der molenstenen is gehouwen, aan wat eens één van Huissens trotse bouwsels was en dat zonder veel eerbied voor het verleden het lot ten deel viel, dat daarvóór tal van andere historische bouwwerken (burcht, stadspoorten en -muren, convent e.d.) beschoren was geweest.

    molenklmolensteenkl

  • Kortekerkstraat en toren: Geheel verdwenen, Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 3 (1978/79) Open or Close

    Kortekerkstraat en toren: Geheel verdwenen
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Reeds eerder hebben wij (o.a. in Mededelingen, 3e jrg.nr.4,pg. 168) foto's gepubliceerd van de vooroorlogse situatie van de Kortekerkstraat. Door het bombardement van 2 okt. 1944 en de na de bevrijding gevolgde sloop, is de oorspronkelijke noordelijke gevelwand van het straatje, dat aan de kerkzijde met een hek was afgesloten, totaal verdwenen. De gebouwen op de foto, inclusief de toren, zijn alle verloren gegaan. Slechts het pand van de fa. Stam (strookje uiterst links) is behouden gebleven. De naoorlogse bebouwing aan deze — op de foto voorkomende - zijde heeft 't karakter van dit straatje totaal veranderd.
    De foto, die we thans publiceren, is vermoedelijk de laatste, welke het straatje in zijn oorspronkelijke toestand weergeeft. Zij dateert uit 1941 of 1942, mogelijk zelfs nog uit 1943. Zij werd gemaakt vanuit de Langestraat. Het blonde meisje is Trudy Scheepers (thans mevr. T. van Dillen-Scheepers in Huizen NH) , dochter van het echtpaar J.Th.A. Scheepers-Nass, dat het (nieuwe) huis hoek Langestraat - Kortekerkstraat (op de foto slechts een strook uiterst rechts zichtbaar) bewoonde. Achter haar even nog zichtbaar een dochtertje (Cilia?) van de fam. Bos, die in de Kortekerkstraat het historische pand nr. 2 ,dat de oorlog overleefde, bewoonde.

    kortekerkstraatkl

  • Inkomensverhoudingen in Huissen anno 1807 Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 3 (1978/79) Open or Close

    Inkomensverhoudingen in Huissen anno 1807
    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 3 (1978/79)

    Talrijke malen wordt in de 19e eeuw geklaagd over de bittere armoede van vele Huissenaren. Een scherp inzicht in de inkomensverhoudingen in Huissen ontbrak tot nu toe geheel.
    Een wellicht niet geheel zuiver, maar toch opmerkelijk beeld van de toestand is te verkrijgen uit een tweetal "Individuelle Aufnahmen der jährlichen Einkommen der Familien und einzelnen für Sich bestehenden Personen" uit 1807 (1).
    In deze overzichten is de bevolking — uiteraard ten behoeve van de belastingen — verdeeld in 13 categorieën . Bij het nu volgende moet men er rekening mee houden, dat de opnemers voor de ambten Huissen en Malburgen de cijfers hoog hebben gehouden ten einde het vereiste belastingbedrag te krijgen.
    Ook als men met dat gegeven rekening houdt, is het grootste aantal armen in de stad Huissen gezocht moest worden. Daar leefde 30.4% van de gezinnen onder de grens van 100 rijksdaalders per jaar, wat ongeveer het bestaansminimum was. In het ambt was maar 13% zo arm, terwijl in Malburgen slechts één van de 22 gezinnen (4.5%) onder dit niveau leefde.
    Net boven het bestaansminimurn (100 - 200 rijksdaalders) verdienden 89 van de 421 gezinnen. de armoede in de overgangstijd sedert 1795 was gestegen, blijkt wel uit het feit, dat bij een telling in 1764 "slechts" 20% armen in de stad woonden (2).
    Aan de andere kant van de ladder vinden we de rijken, die een redelijke tot grote welvaart hadden. De burgemeester, Johann Friedrich Pilgrim, verdiende tussen 500 en 800 rijksdaalder, waardoor hij zijn stand behoorlijk kon ophouden. Zijn categorie en die erboven, totaal 54 gezinnen (12.8%), kunnen we als de rijkeren beschouwen. Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat de telling geestelijken buiten beschouwing laat, waardoor bijvoorbeeld de rijkste instelling in de stad, het St. Elisabethconvent, niet is meegerekend, evenmin als de pastoor, de kapelaan en de predikant, in 1764 allen tot de welvarendste Huissenaren behorend.
    In de opname van 1807 springt één zeer rijk man in het oog. Het zal niemand verbazen, dat de edelman Carel van Laer tot de Poll als enige Huissenaar meer dan 5.000 rijksdaalder per jaar verdiende. Goede tweede is de Malburger Willem Roeloffzen, die een jaar later het beheer over de domeinen kreeg, maar die als "Halbbauer, Schneider und Käsemacher" toch al in 1807 tussen 4.000 en 5.000 rijksdaalder verdiende.
    In de stad was de rijkste een vrouw, namelijk Elisabeth Royaards-van Erpers, de weduwe (sinds 1805) van ambtsraad Gijsbertus Royaards. Opvallend is, dat stadssecretaris Bequignol haar als beroep "Amts Räthin" meegeeft, een niet bestaande functie. In dezelfde categorie viel overigens ook de domeinpachter op de Pley, Frederik Nass. Al is het vorenstaande slechts een flauwe weergave van de verhoudingen in het Huissen van vlak voor de - eerste — overgang naar Nederland, het kan mogelijk een aanzet vormen tot een nadere bestudering van de sociale toestanden in het 19e eeuwse Huissen.

    DR E. SMIT

    Noten
    1) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Grossherzogtum Berg 2630 en 2690.
    2) Hauptstaatsarchiv Düsseldorf - Kleve Rammer 3750.

    inkomstenkl

  • De Wildeman: Historisch of folkloristisch figuur? Uit Mededelingen jaargang 4, nr. 6 (1978/79) Open or Close


    De Wildeman: Historisch of folkloristisch figuur?

    Bij het beeldje op het het Postkantoorpleintje

    Uit Mededelingen jaargang 4,  nr. 6 (1978/79)

    Over verfraaiing van het straatbeeld door de plaatsing van beelden, beeldjes, mozaiëken en plaquettes heeft Huissen (gelukkig) geen klagen. Behalve religieuze (Christus Koning, Maria van Banneux, St.Joseph, St. Elisabeth) staan er hier en daar ook verschillende profane beelden in steen of brons.
    In voorbereiding is voorts een beeld van de poortwachter en op de dag, waarop beleg en ontzet worden herdacht, onthulde de burgemeester op het pleintje voor het Postkantoor een bronzen beeld van de "wildeman", de bekende figuur uit dat ludieke herden, een en ander dank zij een royale geste van het P.C.I.
    Minder ludiek was, dat daarbij - zonder protest van milieubeschermers of andere actiegroepen - een fraai boompje ten behoeve daarvan het loodje moest leggen.
    De Historische Kring kan er alleen maar verheugd over zijn, dat figuren uit Huissens historie en folklore in steen of brons worden vereeuwigd, die historie en folklore levendig houdend en tevens aan de verfraaiing van het stads(erf)beeld bijdragend.
    De Kring hoopt ook zelf daaraaen - men leze daarover elders in dit nummer - een bijdrage te mogen leveren. Er zijn overigens nog verschillende historische en folkloristische figuren, die waard zouden zijn aldus te worden vereeuwigd.
    We denken b.v. aan: de stadsomroeper, de nachtwaker/klepperman, de man-met-de-ben uit de Umdracht, de vrouw aan de stadspomp, de visvanger met zijn grote net tijdens het beleg en ontzet,de schutter aan de schietboom, de bieleman, een tuindersechtpaar in de oude klederdracht etc.
    De keuze voor het beeld is tenslotte gevallen op de WILDEMAN, nadat aanvankelijk een gildekoning in brons zou worden gegoten. De betrokken kunstenaar kon met zijn ontwerp daarvoor echter geen genade vinden in de ogen van de opdrachtgevers aangezien het "beeld" van de koning niet overeenstemde met dat van Huissense gildekoning.
    Een artistieke beoordeling van het beeld laten we - als niet terzake deskundig - gaarne aan anderen over. We veroorloven ons slechts de opmerking, dat de door de gemeente geplaatste en gefinancierde sokkel nogal pover is uitgevallen, gezien het daarvoor beschikbare bedrag.
    Een handvormsteen ware fraaier en een kloostermop zelfs "toepasselijker" geweest, gelet op de ruige wildeman—figuur, afgezien van het feit, dat de huidige creatie identificatie met de wildeman, zoals hij jaarlijks wordt uitgebeeld, vrij moeilijk maakt. Men denkt onwillekeurig eerder aan een poelier in brons of een kippendief.
    Herkenbaarheid en artistieke vrijheid hadden in deze ongetwijfeld best samen kunnen gaan. De wildeman spreekt in Huissen sterk tot de verbeelding, vertrouwd als men is met zijn jaarlijkse verschijning, wanneer hij schrik en beven verspreidt onder de jeugd. Aan zijn figuur is reeds eerder aandacht besteed (l).
    Het meest bekend is de "wildeman" uit de heraldiek. Dan fungeert hij meestal als schildhouder (ténant) . Zijn lendenen zijn dan met groen omgord — een symbool van de natuurkracht - , hij heeft een sterke, ruige haardos en grote tanden, terwijl hij met een knots is gewapend. Men vindt hem ook wel geplaatst voor gebouwen als afwerend zinnebeeld.
    De wildeman wordt dan gezien als de wilde jager, een personificatie van Wodan. In het kader van het herdenkingsspel, het Huissense "vuurvechten", waarin historie en folklore zo nauw met elkaar zijn verbonden én zodanig dooreengeweven, dat het niet gemakkelijk valt om van alle gebruiken en tradities de juiste oorsprong te achterhalen, is de wildeman op zijn allervreemdst en ruig, wild uitgedost.
    Het liefst heeft hij een groot mes tussen zijn tanden. Men vereenzelvigt hem wel met de Moor, de bediende, die Karel van Gelre in 1502 hielp ontvluchten, maar óók wel met een Gelders spion. Onzes inziens moet hij louter als een folkloristisch figuur gezien worden, die met de historie van het beleg en ontzet niets te doen heeft, afkomstig als hij vermoedelijk is uit een ouder (heidens midzomer- later St.Jans-)feest.
    Als hij inderdaad de Moorse bediende zou moeten voorstellen, dan is zijn rol daarmee toch wel in sterke tegenspraak. Op de eerste plaats zou hij ook als Moor uitgedost moeten zijn. Dat is niet het geval en voorzover uit vroegere afbeeldingen is te is na te gaan, is dat ook nimmer het geval geweest.
    Op de tweede plaats zou van de "Moor" verwacht mogen worden, dat hij zich bij voortduring aan de zijde van de "Geldersen" zou bevinden. Dat doet hij niet en dat schrijft de traditie ook niet voor. Hij verkeert bij voorkeur in de stad, terwijl toch mag worden aangenomen, dat Karels zwarte dienaar nooit in de stad is geweest.
    Op de derde plaats wijst zijn gevangenneming er op, dat hier per se niet de Moor kan zijn bedoeld. Deze wist namelijk integendeel zijn meester én zichzelf aan gevangenneming te ontkomen.
    Ook met een Gelders spion kan hij moeiiijk worden vereenzelvigd. Daarvoor is hij te opzichtig uitgemonsterd en beweegt hij zich té opvallend binnen de stad.
    De oorspronkelijke betekenis en functie van de wildeman vallen in het kader van het feest niet duidelijk te herkennen. Eerder heeft de eerstondergetekende ("Sint Jan - Sint Jansdag en de Huissense gilden" in Huissens Gilden Kroniek, 2e jrg., nr.3,pg.6-10) als zijn veronderstelling uitgesproken, dat men in het nu niet meer of slechts symbolisch uitgevoerde gebruik om de wildeman onder te dompelen (bekend als "klein Evertje verzuupen"), het onderdomnpelingsritueel moet zien, oorspronkelijk een heidens ritueel, doch later gekerstend en passend in het christelijke Sint Jansfeest, waar het herinnert aan doop in de Jordaan (2).
    Het is slechts een veronderstelling, die overigens niet rijmt met de verklarirg voor de betekenis van het "klein Evertje verzuupen", die we citeerden in Mededelingen, 3e jrg.,nr. 5.
    H.W.J.O./J.H.F.Z.

    (1) H.W.J.Derksen, Figuren rond het spiegelgevecht: Wiideman en Bieleman in Huissense Gilden Kroniek,2e jrg.nr. 11/12, pg. 1-4.
    (2) Over de Sint Jansviering te Huissen zie men:
    D.J. Van Ven, Het Vendelzwaaien herleeft, Baarn, 1936.
    H.W.J.Derksen, "St. Jan-in-de-zomer (24 juni), een der oudste volksheiligen in ons land", De Gelderlander, 23 juni 1964, pg. 3. id. "Historisch spiegelgevecht in de vlammen van het St. Jansvuur", in De Gelderlander, 24 juni 1954, pg. 2. id, St.Jan — midzomerfeest - in Huissen en Laren, in Huissense Gilden Kroniek, 2e jrg., nr. 11/12, pg. 5—7.

    wildeman

  • Enige oudheidkundige aspecten van de Malburgse Polder Uit Mededelingen, jaargang 4, nr. 6 (1978/1979) Open or Close

    Enige oudheidkundige aspecten van de Malburgse Polder
    Uit Mededelingen, jaargang 4, nr. 6 (1978/1979)

    Door : RUUD BORMAN
    Het verleden van de Malburgse Polder (tot voor kort grotendeels Huissens territoriurn) is eigenlijk pas sinds kort, letterlijk en figuurlijk aan de oppervlakte gekomen. Nog niet zo lang geleden was er over dit gebied nog maar bitter weinig bekend en de archeologische vondsten waren op de vingers van één hand te tellen. De heer Th.H. Janssen, voorzitter van de Historische Kring Huessen, was eigenlijk de eerste, die zich serieus met het verre verleden van de polder ging bezighouden en van hem ook heb ik, mede voor dit artikel , veel verzamelde gegevens ontvangen.
    Een aantal recente vondsten heeft er toe geleid, dat het gebied wat meer in de belangstelling van de oudheidkundigen kwam. In dit artikel zal ik me beperken tot de periode, die vooral in archeologisch opzicht van belang is, te weten de pre- en protohistorie en de late middeleeuwen.
    In de eerste plaats dan nu een beknopte verkenning in het omringende gebied teneinde het geheel in een duidelijke context te plaatsen. Met de prehistorie zijn we snel kiaar. Vondsten uit de Oude— en Middeneesteentijd zijn vooral op de hogere gedeelten der stuwwallen aangetroffen (Wageningen, Renkum, Posbank). Nederzettingen en begraafplaatsen uit de Nieuwe Steentijd moeten we zoeken langs de Renkumse Beek, op de Ginkelse heide en bij Schaarsbergen, een aantal losse vondsten ook in de directe omgeving van Arnhem. Opvallend op de verspreidingskaart is , dat zich vanaf Doorwerth een lange gordel van grafheuvels over de hogere delen in noordoostelijke richting tot Schaarsbergen uitstrekt en daar plotseling abrupt wordt onderbroken. Ze komen verder naar het oosten niet meer voor. In de Bronstijd is de bewoning ten noorden van de Rijn ook al in iets lagere gedeelten (Ruysdaelstraat met huisplattegronden) geconstateerd terwijl er dan eveneens sprake is van nederzettingen in de Betuwe (Hien, Dodewaard). In de IJzertijd vestigt men zich op vele plaatsen, die tot dan toe onbewoond waren gebleven (voorzover bekend op dit moment) : Arnhemse binnenstad, Driel, Elst, Huissen en Bemmel.
    In de Romeinse tijd, waarmee we in de Protohistorie zijn gekomen (Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen), is zelfs op vele plaatsen van een intensieve bewoning te spreken. Op de stroomruggen bezuiden de Malburgse winterdijk worden talloze inheems-Romeinse nederzettingen aangetroffen en in enkele gevallen ook puur Romeinse bewoning (Elst). Uit de periode der volksverhuizingen is weinig bekend; zowel bodemvondsten als schriftelijke berichten ontbreken vrijwel of geheel. Daarin komt verandering in de Merovingische periode. Grafveldjes met bijgiften zijn van meerdere piaatsen bekend (Doorwerth, Huissen, Lent) . In Huissen deed de heer Janssen een aantal interessante vondsten in een Frankisch-Merovingisch grafveld uit het einde van de 7e eeuw.
    Ook zijn er in deze periode weer wat schriftelijke gegevens, O.a. over de kerstening en het stichten van kerkjes. In de Karolingische periode (ca. 750-900) komen we veel namen tegen van nederzettingen, die ook nu nog bestaan. Veelal bevinden zij zich op plaatsen, waar ook in de Romeinse tijd al werd gewoond. Daarmee zijn we terechtgekomen Bij de MALBURGSE POLDER , want de oudste vermeldingen met betrekking tot deze polder dateren uit de 9e eeuw.
    Of er eerder echte bewoning in dit gebied is geweest valt moeil ijk te zeggen. In de buurtschap Malburgen zijn wel enige Romeinse zaken aan het licht gekomen, maar hierbij handelt het om zogenaamde losse vondsten, die zonder verdere samenhang zijn aangetroffen. Het betreft hier een bronzen steelpan, die uit de Rijn werd opgevist, en een inscriptiesteen, gewijd aan Hercules Magusanus, de voornaamste god der Bataven, en aan Haeva (waarschijnlijk Hebe als de echtgenote van Hercules) .De steen werd vervaardigd in opdracht van Ulpius Lupio en Ulpio Ammava (burgers van Nijmegen?) . Helaas is de steen spoorloos verdwenen en er is alleen een afschrift van bewaard gebleven. (Lit. : Nederland in den Romeinschen tijd - Dr. A.W. Byvanck).
    Bij het Malburgse Veer is voorts een ijzeren lanspunt met sporen van zilverinlegwerk gevonden. Deze berust in een particuliere collectie, die sinds lang in bruikleen aan het Gemeentemuseum Arnhem is gegeven (inv.nr. BH 145). Ouderdom: Romeins of Frankisch. Helemaal aan de andere kant van de polder . bij Meinerswijk, is eveneens een ijzeren speerpunt opgegraven, mogelijk Romeins (Gem. Museum Arnhem). Met de laatste vondsten zijn we bij een eigenaardig terreintje aangeland. Het bestaat uit een soort schiereilandje, in een kleiwinning ontstane plas, dat even ten oosten van de steenfabriek "De Galantijnse Waard" is gelegen.
    De heer Paes, de vroegere directeur van deze steenfabriek, had al eens gewezen op het voorkomen van middeleeuws schervenmateriaal op dit terreintje. Even ten oosten ervan waren in het begin van deze eeuw al wat interessante vondsten gedaan (Gelre B&M, deel V, Beschrijving van eenige onder Elden gevonden Oudheden - Dr. W. Pleyte) te weten een loden beeldje (Romeins?), mogelijk voorstellend een jonge Bacchus, een gesmede bronzen lamphaak (Romeins ? ), twee kogelpotten en een kruik en kookpot van blauwgrijs aardewerk.
    Pleyte veronderstelt in zijn artikel, dat het aardewerk mogelijk in de pottenbakkerij aan de Duno is vervaardigd (Collectie Gemeentemuseum Arnhem). Er waren dus enige aanwijzingen, dat op genoemd terreintje meer verwacht mocht worden. Tijdens verschillende proefonderzoekjes gedurende de afgelopen jaren kwam inderaad een partij aardewerk- en steengoedfragmenten aan het licht (blauwgrijs aardewerk, gladwandig en ruwwandig steengoed, volksaardewerk en meer incidenteel Pingsdorfaardewerk en kogelpotten).
    Al gauw viel op, dat de vondsten zich zeer dicht aan de oppervlakte bevonden in een laag, waarvan de onderkant uit de 13e, welltcht zelfs uit de 11e eeuw, dateerde. De meest recente laag moet bij kleiwinning verloren zijn gegaan. Opvallend was voorts, dat vrijwel direct onder de genoemde laag Romeins materiaal werd blootgelegd, waaruit geconcludeerd mag worden, dat de laag van de tussenliggende eeuwe wellicht door een dijkdoorbraak of overstroming is weggeslagen. Uitgerekend deze laag was van belang om de oudste schriftelijke vermeldingen over Meinerswijk (uit de jaren 814 en 847) met archeologische vondsten te kunnen staven.
    Bij een nauwkeurig onderzoek van enkele vierkante meters kon de volgende gelaagdheid worden vastgesteld:
    a. een kleilaag van 15 cm dikte zonder vondsten;
    b. een smalle, geelbruine kleilaag van ca. 5 cm, met fragmenten van volksaardewerk, blauwgrijs aardewerk, een bronsfragment, stukken ijzer en 17e eeuws steergoed. Deze laag is sterk vervuild met stukjes roodgebakken bouwpuin, houtskool en kleine kiezelsteentjes. Plaatselijk was een sterke concentratie van vervuiling waar te nemen en ook konden kruislings lopende ploegsporen (7 - 10 cm. breed en 7 cm. diep) geconstateerd worden;
    c. op 20 cm. diepte een overgangslaag van 10 cm van klei naar ijzerhoudend zand met in het onderste gedeelte van de kleilaag fragmenten van blauwgrijs aardewerk en in het overgangsniveau enige Romeinse scherven, blauwgrijs aardewerk en ruwwandig steengoed. In de zandlaag daaronder kwam geen middeleeuws aardewerk meer voor. Middenin de laag werd een paalgat van grofkorrelige klei met een diameter van 35 cm. aangetroffen;
    d. op 30 cm diepte volgde een ca. 5 cm dikke laag met Romeins materiaal: gladwandig, gevernist en inheems-Romeins. Na 35 cm verschenen in ijzerhoudende zandlaag plekken vette grijze klei. Op 45 cm diepte is de vette grijze klei één laag geworden van 6 cm dikte, doorspekt met zandspikkels. Daaronder volgden afwisselende roestzand- en kleilagen. Onder de Romeinse laag werd geen materiaal meer aangetroffen.
    Wanneer we het geschetste natrekken in "De bodem van Nederland" zien we, dat het zowel kenmerken van een ooivaagbodem als van een poldervaagbodem heeft. Opmerkelijk in dit alles is natuurlijk de Romeinse laag. Het is nog steeds niet duidelijk of we hier te doen hebben met verspoeld of met oorspronkelijk "in situ gelegen materiaal . "
    Het verdere orderzoek zal dit moeten uitwijzen.
    WORDT VERVOLGD

    malburgsepolder

  • "De herberg van K├╝ppers" stond in de Vierakkerstraat Uit Mededelingen, jaargang 4, nr 4/5 (1978/1979) Open or Close

    "De herberg van Küppers" stond in de Vierakkerstraat

    Uit Mededelingen, jaargang 4, nr 4/5 (1978/1979)

    In de vorige aflevering werd opgemerkt, dat de herberg van Küppers een royaal etablissement moet zijn geweest, gelet op het aantal van ca.70 feestvierders, die er zich op vastenavondsdinsdag 1853 ophieiden.
    Ons bestuurslid dr E. Smit is het intussen gelukt om te achterhalen in welk pand Küppers' herberg (en koperslagerij) was gevestigd. Het was het pand, laatstelijk gemerkt Vierakkerstraat D 148, dat bij het bombardement van 2 oktober 1944 werd getroffen en na de bevrijding werd gesloopt. Het was laatstelijk bewoond door het gezin van het toen gepensioneerde hoofd der r. k. jongensschool, de heer Willems. Op de plaats van dit pand werd na de bevrijding het winkel-woonhuis van de familie Eigenhuysen ("De Gunst") gebouwd (thans: nr. 31) , wier winkel (waar zich thans schoenhandel Huisman bevindt) tot aan het bombardement was gevestigd in het pand tussen de familie Willems en de familie Scheerder. Voordat de familie Willems het grote huis betrok, was het bewoond door de rijksontvanger Sarton (tevens gemeenteraadslid) , die er ook het belastingkantoor had gevestigd. Dit kantoor werd per 1 september 1932 opgeheven en gevoegd bij het kantoor Elst. Na P.F.W. Küppers ging het in eigendom over aan de "fabriekskoopman" Peter van Os cs, daarna aan A. Th. van Os cs. (directeur der Gemeente-Spaarbank), waarna het in 1864 werd verkocht aan dokter G. H. van Everdingen, die het in 1865 liet verbouwen.
    In 1882 werd eigenaresse: Wilheimina Martina van Gendt, "zonder beroep", te Huissen. Laatstelijk was het pand eigendom van de Zusters van Heijthuizen. Het werd op 5 augustus 1943 door de burgemeester op de Gemeentelijke Monumentenlijst geplaatst onder nr. XX zijnde een "woonhuis, met door regelmatig ingedeeide ramen voornaam gehouden voorgevel " .
    De stoep van het pand van de familie Willems en die van het huidige (behouden gebleven) dubbele woonhuis nr. 33/35, was gescheiden door een gesmeed hek, dat we nog vonden afgebeeld op een foto van de viering van het beleg en ontzet in 1939.

    H. W. J.D.

    kuppers2

    kuppers3

  • "Stadserf": 75 jaar geleden Uit Mededelingen, jaargang 4 nr. 4/5 (1978/1979) Open or Close

    "Stadserf": 75 jaar geleden

    Uit Mededelingen, jaargang 4 , nr. 4/5 (1978/1979)

    Vijf en zeventig jaar geleden - op 7 september 1904 - verzond een (jonge?) Huissenaar de op de omslag afgebeelde ansichtkaart. Wie hij of zij was is onbekend. Op de voorzijde had de afzend(st)er zichzelf afgebeeld gevonden toen hij/ zij de kaart zag liggen in de winkel van Geveling in de Vierakkerstraat. Met een eenvoudig "ik" ter hoogte van het ouderwetse melkkarretje, gaf hij/ zij aan waar hij/ zij op de foto stond afgebeeld. Voor de geadresseerde was dat kennel ijk voldoende. Dat was "Mejuffrouw R. Burgers, p/a Den Heer Jozehfie No. 25 Rijnstraat Arnhem" de latere echtgenote van de huidige oudste inwoner van Huissen, de 94-jarige heer J. Brons (Mariaplein). 
    Op de originele kaart, die wij ontvingen van mevr. C. Jeurissen - Siepman, staat naast de foto gedrukt: "Huissen, Langestraat. 8045. uitgave van Th. Geveling, Huissen". Zij behoort tot een serie van bijzonder scherpe opnamen. Voor na de oorlog geboren en "nieuwe" Huissenaren zal deze foto nog slechts één herkenningspunt opleveren, nl. geheel rechts de Gelderse gevel, die toen nog bepleisterd was. Behalve deze gevel en op de achtergrond rechts huis en schuur van de fam. Pauw op de Markt (thans café Het Schuurke) zijn alle andere op de foto voorkomende panden verdwenen.
    Met uitzondering van het stadhuis en de daarvóór staande hardstenen pomps die eind 1938 reeds verdwenen waren werden alle panden na de bevrijding gesloopt. De meeste waren getroffen óf bij het bombardement van 13/14 mei 1943 (de huizen van Van Dort, Houtkoper en Schopman, links) òf bij het grote bombardement van 2 oktober 1944. De foto is niet onbekend. Publikatie nú werd ons ingegeven door de recente publikaties rond de (inmiddeis gefiatteerde) plannen tot aanleg van een zgn. stadserf, welke weldra gerealiseerd zullen worden.
    Enkele elementen van die stadserfaanieg betekenen namelijk in feite een terugkeer naar de situatie, zoals die op deze foto, welke nog vóór de aan!eg van de tramrails werd gemaakt, is vastgeIegd. De asfaltering zat verdwijnen om plaats te rnaken voor de traditioneie bestrating, een rijgedeelte en aan weerszijden daarvan voetgangersgedeelten. Een rijgedeelte kende de Langestraat in de vorm van een bestrating met zgn. kinderkopjes. Het werd gef!ankeerd door beklinkerde voetpaden langs de stoepen.
    Deze - de stoepen - gaven aan Langestraat en Vierakkerstraat een eigen, toch wel karakteristiek accent. Elk huis had zijn eigen stoep, zowel qua vorm als qua hoogte. Sommige hadden bij de voordeur nog eens een extra opstap. Er waren eenvoudige, van klinkers gemetselde stoepen, maar daarnaast ook bijzonder fraaie trottoirs van kleine of grote tegels; sommige van grote hardstenen platen en enkeie (o.a. bij de familie de Haas - naast de familie Broekman) waren voorzien van stoepranden met ingehakte huismerken e.d. Deze waren waarschijnlijk van gesloopte gebouwen afkomstig.
    En om de huidige term "straatmeubilair te hanteren: tal van stoepen waren van gesmede hekwerken voorzien, zoais ook de foto laat zien o.a. bij de Gelderse gevel en enkele aan de overzijde staande panden.De stoephekken-situatie, zoals die op de foto voorkomt en die ook elders de Langestraat en Vierakkerstraat kenmerkte, bieef grotendeels ongewijzigd tot aan het bombardement van 2 oktober 1944.Daarna deed de naooriogse reconstructie van de beide straten de oude stoepen rigoureus verdwijnen en uniforme, doorlopende trottoirs ontstaan. Ook deze foto laat zien, dat de straten van het stadje interessante, zo niet opmerkelijke geveis kende.
    Dit gold vooral voor het gefotografeerde gedeelte tussen Gelderse gevel en Markt, dat bij het grote bombardement bijzonder zwaar werd getroffen.

    H.W.J.D.

    stadserf3

  • De Arnhemse Poort te Huissen uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79) Open or Close

    De Arnhemse Poort te Huissen

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79)

    door TH. H. JANSSEN

    Nu allerwegen het gesprek rond de ontsluiting van de (straat) Arnhemse Poort op gang komt, heeft het zin de voormalige stadspoort, waaraan de naam hier onder de aandacht te brengen. Deze poort was eertijds één der bouwerken, welke Huissen in wellicht de 13e, doch zeker in de 14e eeuw, naar buiten het aanzien van een stadje gaf. Op de plaats waar deze Arnhemse poort zich bevond, werden in verband met een reconstructie van de oprit naar de nieuwe dijk Huissen-Arnhem in de week van 8 tot 13 maart 1971 door de fa. Heyting te Huissen grondverplaatsingswerkzaamheden verricht. Daarbij kwam een klein fragment van een laat middeleeuws muurwerk vrij, dat een dikte had van 0.75 mtr. poort1kDank zij één der heren Heyting kreeg ik de gelegenheid om in het daarop volgende weekend een groter gedeelte te ontgraven. Jammer genoeg kon de opgraving slechts beperkt worden uitgevoerd wegens de beschikbare tijd. In de daaropvolgende week moest namelijk een begin worden gemaakt met de afwerking van de oprit, welke dwars over het muurwerk kwam te liggen. Tijdens dit weekend kon ik een veel groter gedeelte vrij maken en wel zover , dat een aardig zicht op het totale Arnhemse Poortcomplex kon worden verkregen. Over dit waren tot dat moment nog maar enkeie summiere gegevens voorhanden in de vorm van primitieve grondplan- en aanzichtschetsen op enkele 16e en 18e eeuwse kaarten van Huissen. Het onderzoek kon dus een aanmerkelijke bijdrage leveren aan de kennis ven de wordingsgeschiedenis van ons stadje.
    De schets op de volgende pagina brengt het ontgraven gedeelte in beeld. Het over een lengte van 19 meter aangetroffen muurwerk met een fragment van een rondeel was uit in kruisverband gelegde kloostermoppen (de vroege groot formaat baksteen) opgebouwd. De stenen hadden een lengte van 26 tot 28 cm. en waren 13 cm. breed. poort2kDe tras (specie), welke de stenen verbond, was kennelijk aangemaakt met gerstemeel , waarvan bekend is, dat het een stevige kleefkracht bewerkstelligt. Het muurwerk schijnt bij de ontmanteling van Huissen (van midden 18e tot begin 19e eeuw) tot iets beneden het huidige straatniveau te zijn gesloopt. Mijns inziens was dit niet tot op de diepte van de fundamenten, daar het muurwerk tot op een meter diepte nog schoon metselwerk vertoonde. Dit valt te verklaren uit het feit, dat deze omgeving begin 19e eeuw is opgehoogd in verband met de verhoging van het direct in de nabijheid gelegen dijklichaam van de Stadsdam. Jammer genoeg kon wegens het gebrek aan tijd het onderzoek niet tot onder de fundamenten worden uitgebreid, zodat nog geen direct bewijs van de datering van een eerste bouw kon worden verkregen. Het is namelijk nog steeds niet bekend op welk tijdstip de ommanteling van Huissen een aanvang heeft genomen. Bij de ingang van de meest noordelijke zijde werd op de met A gemerkte plaats bij een ondiepe afgraving gestoten op een wegplaveisel van veldkeien, formaat 6 tot 8 cm. rond. Wat dieper bleek een nog oudere wegverharding aanwezig te zijn, waaronder zich veldkeien van een nog groter formaat bevcnden. Dit plaveisel was gericht op de dijk richting Arnhem en niet op de Loostraat. poort3kDe breedte was plm. 3 meter. Op de met B gemerkte plaats werden in het verlengde van elkaar op zijn kant staande kloostermoppen aangetroffen. De ruimte tussen deze kantstenen en het muurwerk was opgevuld met in verticale stand naast elkaar geplaatste platte veldkeien. Mogelijk heeft zich hier een uitsparing met boogfries bevonden, waarin de ingangspoort kon worden gedraaid. Deze poortingang is vermoedelijk via een brug over de stadsgracht bereikbaar geweest. Een bevestiging van dit gegeven kon tijdens dit onderzoek niet verkregen worden. Op de met C gemerkte plaats bleek bij een diepere uitgraving, dat het muurwerk ter plaatse per steen trapsgewijze naar buiten was uitgebouwd. Mogelijk is dit het begin geweest van een stenen trap naar een hoger in het gebouw gelegen vertrek. In het met D gemerkte gedeelte kwam een vlakke specielaag te voorschijn, welke deels door muurwerk was omgeven. Moeten we hier denken aan een restant van een poortwachtersonderkomen of aan een middenstuk, dat een tweedelige ingang van het poortgebouw ondersteunde ? Moge!ijk kan het dus ook gietwerk zijn geweest, nl. een dun muurwerk , dat in de vorm van een pilaar is opgetrokken en waar de ruimte binnenin werd gevuld met mortel en baksteenpuin. Tijdens het onderzoek werden veel fragmenten gevonden van het uit de 15e eeuw stammende Siegburger Steinzeug, met name van de zgn. Jacoba-kannetjes. Deze datering vormt echter nog geen gegeven voor de vroegste datering van het bouwwerk daar alleen de bovenlaag kon worden onderzocht. Naast dit materiaal werden ook dikke spijkers en (naar alle waarschijnlijkheid) ijzeren keggen aangetroffen.
    Voorts nog fragmenten van leien en korte stukken bronsdraad, welke kennelijk wijzen op het feit, dat het gebouw van een leien dakbedekking voorzien is geweest. Evenals op: het voormalige burchtterrein (huidige Dominicanenklooster) zijn hier ook groen geglazuurde kloostermoppen aangetroffen, welke wel ter aankleding van de binnenmuren of vloeren hebben gediend.
    Afgaande op het gevondene en de voorhanden zijnde oude schetsen is de Arnhemse Poort een vrij groot complex geweest. Het gevondene en in beeld gebraçhte muurwerk maakte deel uit van het voorste gedeelte van het poortcomplex: een soort rondeelachtige ingang, welke met twee geknikte weermuren was verbonden met een dieper in de stad gelegen poortgebouw (m.i. van jongere datum) , waaraan aan beide zijden de stadsmuur haaks aansloot en wel in de richting van resp. de Dijk en de Walstraat. Van dit laatste poortgebouw werd in de Langestraat bij de bouw van het Hemapand op één meter diepte een keibestrating aangetroffen, overeenkomend met het plaveisel , dat bij het onderzoekvan de poort ingang werd aangetroffen. Het met E gemerkte muurwerk (vóór het pand van de fam. Bosman/ Jeurissen, nr. 108) vormde een gedeelte van één der weermuren en loopt naar alle waarschijnlijkheid onder de huizen door tot het huidige café Arnhemse Poort ter hoogte waarvan, het binnenpoortgedeelte geplaatst dient te worden.De onder dit pand gelegen kelder is welhaast zeker van dit poortgebouw afkomstig. De Strang (Rijn of Rijnarm), welke tot de 17e eeuw nog met schepen bevaarbaar was, was door een haventje met dit poortgebouw verbonden. Tijdens de uitgraving kreeg ik nog geen antwoord op de vraag of dit haventje mogelijk in verbinding heeft gestaan met de stadsgracht, welke aan de buitenzijde rond het poortcomplex heeft gelegen.
    Samenvattend kan worden gezegd, dat we bij dit poortcomplex te maken hebben met twee poortgebouwen waarvan het voorste een rond grondplan en het binnen stad gelegene een vierhoekig grondplan had. Ook het poortcomplex aan de zuidoost—zijde van Huissen bestond uit een poortgebouw met een vierhoekig grondplan (Vierackersche Poort) en een poortgebouw, gevormd o.a. door twee ronde torens (de buitenpoort) . Beide poortgebouwen waren eveneens door twee weermuren met elkaar verbonden. Persoonlijk ben ik van mening, hoewel ik dit nog niet geheel kan bewijzen, dat de met het ronde grondplan de oudste verdedigingswerken zijn geweest. Gelukkig kon ik bewerkstelligen, dat de aangetroffen muurwerken aan de Arnhemse Poort voor een nader onderzoek gespaard bleven.
    Ze zijn nl. tijdens het afwerken van het wegdek met een dikke zandlaag afgedekt. Indien een ontsluiting van de Arnhemse Poort doorgang zou vinden, zouden de dientengevolge noodzakelijke grondverplaatsingen een mogelijkheid geven voor een nader onderzoek van het overige gedeelte van het complex.
    poort4k
    poort5k

  • De doorbraak bij Huissen in 1769, uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79) Open or Close

    De doorbraak bij Huissen in 1769

    uit Mededelingen jrg. 4 nr. 3 (1978/79)

    In de Landsmeerse Poort te Culemborg bevindt zich een voor Huissen interessante steen. Door een aanwijzend handje wordt hier aangegeven hoe hoog het water in de stad Culemborg stond ten gevolge van de dijkdoorbraak bij HUISSEN op 29 december 1769. Over deze voor de Betuwe opmerkelijk zware overstromingsramp handelt de hier volgende bijdrage.
    De oorzaak van de dijkdoorbraak van 1769 was eigenlijk het graven van het in 1707 gereedgekomen Pannerdens Kanaal. In de 17e eeuw had de Nederrijn steeds een tekort aan water gehad, waardoor ook de dijken niet teveel te verduren hadden. Sinds 1707 stroomde steeds meer water door het Pannerdens Kanaal én door de oude Rijnloop. Stroomopwaarts leidde dat tot het ontstaan van een grote meander in de rivier, die tenslotte in 1764 de ondergang van het oude dorp Herwen veroorzaakte. Waar de oude Nederrijnloop en het Pannerdens Kanaal bijeenkwamen kwamen de dijken 's winters onder grote druk te staan, vooral ook, omdat de verzande IJsselmond de afvoer van water naar die richting verhinderde. Een en ander had reeds in de eerste helft van de 18e eeuw tot talrijke doorbraken geleid. Het gevaar werd ook wel gezien, maar doordat bij maatregelen liefst vijf partijen betrokken waren, namelijk Pruisen en de Nederlandse provincies Gelderland, Holland, Utrecht en Overijssel, was het nemen van besluiten erg moeilijk. Om toch tot resultaat te komen moest eerst een grote ramp plaatsvinden. In de nacht van 27 op 28 december 1769 brak de dijk tussen Angeren en Huissen over een lengte van 160 meter door. Het aantal slachtoffers was in Huissen niet groot; kennelijk had men de doorbraak zien aankomen.Op de Pol, net achter het gat in de dijk, verdronk een oud-matroos Van Wissen, terwijl de zoon van baron Van Spittaal maar net gered kon worden. Ook de toen 27—jarige Johann Friedrich Pilgrim, de latere burgemeester, verdronk bijna bij het omslaan van een boot.
    Het water liep prompt de hele Betuwe in. Pas de Diefdijk,die de Betuwe van de Vijfherenlanden en de Alblasserwaard scheidde, hield de stroom water tegen; op 31 december stond het water er 16 à 17 voet hoog tegenaan. Vooral voor-de laagst gelegen delen van de Betuwe was de toestand zeer rampzalig, terwijl men niet moet denken aan de catastrofe, die bij een breuk in de Diefdijk kon ontstaan.
    Toen het water wat gezakt was, legde men bij Huissen een noodkade, die eind januari 1770 Opnieuw doorbrak. pas het voorjaar bracht verlichting. Eind april was de Neder-Betuwe grotendeels weer droog, maar Culemborg bleef het hele jaar water houden.
    De Pruisische overheid weigerde een herstel van de Huissense dijk, zolang dit niet gepaard ging met ruimere maatregelen om herhal ing van de doorbraak te voorkomen. Zelfs dreigde zij de dijk op zomerdamhoogte te houden, zodat de Betuwe elk jaar vol zou lopen. Een behoorl ijk herstel vond dan ook in 1770 niet plaats, zodat op 1 december de Betuwe opnieuw volstroomde. Toen daarbij in januari 1771 nog grote stormen kwamen, die de vruchtbomen ontwortelden, was de schade niet meer te overzien. Pas in april 1771 kwamen de heren Nederlandse en Pruisische onderhandelaars, wier overlegmethode de ingezetenen al zo grote schade had gebracht, in Arnhem tot resultaat. Er werden opmerkelijke maatregelen getroffen, waarvan de voor Huissen interessantste de doorgraving van de Pley is, die in 1773-1775 tot stand kwam. Stroomopwaarts werd ook de Bylandse Waard doorgegraven (in 1775) terwijl nog een aantal maatregelen bij de mond van de oude Rijn en de dijk bij Herwen werd genomen. De dijk bij HUISSEN werd in de zomer van 1771 definitief hersteld.

    Dr. E.SMIT

    Bronnen :
    - G. P. van der Ven, Aan de wieg van Rijkswaterstaat. Zutphen, 1976. (Hoofdstuk VI) .
    - A.R. Hol, De Arnhem, 19762 (Pg.52).
    - R.H. Graadt Jonckers, Huissen, eene stad des vredes. Dordrecht, 1856 (pg. 4).

    doorbraak 1

    doorbraak2