Van Hel en Hemeltje

In de Gelderlander, rond het eind van de 20 ste eeuw, verscheen een serie artikelen over Betuwse plekjes die nog op topografische kaarten worden genoemd. Deze artikelen zijn van de hand van Joop Brons.
Uit zijn archief heb ik mogen putten en in de komende tijd verschijnen hier de stukjes over de Huissense plekjes en plekjes in de directe omgeving.

  • De Brouwketel Open or Close

    Een paard in de gang

    De weg naar de Brouwketel is absoluut veilig voor kinderen. Geen auto kan harder dan vijftien kilometer per uur door en langs de kuilen in het polderweggetje. 'Maar toch heb ik wel eens medelijden met onze kinderen. Soms kunnen ze niet eens meer verder fietsen, gehinderd door dikke kluiten modder aan de wielen', verklapt Marjan Hubers.

    Door Joop Brons

    De Brouwketel torent hoog uit boven de omliggende Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. Een imponerend gebouw, opgetrokken naar het voorbeeld van de oorspronkelijke boerderij. Wie van de vrijheid houdt, vindt hier een paradijs. Vele honderden meters in de omtrek zijn er geen buren te zien. Slechts vogels: een buizerd op een paal en een fazant die zich tegoed doet aan de bonenhaag rond de moestuin van de Brouwketel. En 's avonds zijn het de ransuilen die zich laten horen op de waslijnen.Het gebiedje hoort 'pas' vier eeuwen tot de Betuwe. ln het middenvan de zestiende eeuw stroomde de Rijn nog tussen de Brouwketelen de dijk van Angeren. De strangen hier en in Huissen herinneren nog aan die periode.
    Toen de Rijn in 1565 van stroombed veranderde, viel de boerderij onder Huissen. Kleef dus. In de zeventiende eeuw was de Brouwketel, de naam verraadt het al, eigenlijk een soort grenscafé.Een herberg op de grens van Kleefs en Gelders grondgebied, waar reizigers hun vermoeide benen konden strekken en de dorst konden lessen. Die pleisterplaats was minder vreemd dan de huidige ligging doet vermoeden. Reizigers konden nauwelijks over water reizen. Omdat het Pannerdensch Kanaal nog niet was gegraven stroomde er amper water door de rivierbedding. Het Pannerdensch Voetpad daarentegen bestond wel. Dat voerde vanaf het Huissense Looveer, langs de Brouwketel, in de richting van Doornenburg. Het voetpad bestaat nog, maar wie hier gaat wandelen loopt zich vast in de modder. Zeker op een regenachtige dag.
    De Brouwketel is, liggend onder de rook van Angeren, het zuidelijkste puntje van Huissen. Die ligging was voor een Angerense schoolmeester in de zeventiende eeuw een uitkomst. De katholieke meester ontsnapte aan de greep van de Calvinisten door de jeugd van Angeren ongestraft katholiek onderwijs te geven op de Brouwketel. Ook in dit uiterste puntje Huissen gold immers vrijheid van godsdienst.
    Omgekeerd heeft de gemeente Huissen drie eeuwen later ook geprobeerd Angeren te gebruiken. Zo'n vijftien jaar geleden wilde de raad op de plaats van de Brouwketel een woonwagenkamp inrichten. Ver van Huissen, maar voldoende dichtbij het centrum van Angeren om de Woonwagenwet niet te ontduiken. Die truc werd echter een hopeloze mislukking.
    De huidige bewoner van het gebouw voelt zich op en top Huissenaar. 'Ik heb nog een hele strijd geleverd met de PTT, omdat ze ons met de postcode onder Angeren wilden laten vallen. Maar ik woon in Huissen. Die postcodes zijn een uitvinding van de PTT dus dat is dan ook maar hun probleem.'
    De gevechten met Tante Pos zijn maar Spielerei vergeleken met de strijd die Theo Hubers met het water heeft gevoerd. Hij heeft zijn lessen geleerd van de vorige bewoner, Gerrit Lamers. De oude boerderij lag, tot het moment van afbranden in juni 1982 veel lager dan de jonge Brouwketel. Lamers weigerde bij hoogwater zijn huis te verlaten. Hij werd door Angeren Kurt Carlsen genoemd, naar een kapitein die in de jaren vijftig voor de Nederlandse kust schipbreuk leed, maar het verdomde van boord te gaan. Hubers: 'Als het water toen hoog stond, dan stroomde het door de ramen naar binnen.'
    Zover wilde Hubers het niet laten komen. Hij bouwde de Brouwketel eigenhandig weer op, maar nu op een hoge terp. 'En bij alles wat je deed, moest je afvragen of dat geen problemen zou opleveren bij hoogwater.' Hubers is een tevreden man. Hij, of beter: het huis heeft inmiddels twee vuurproeven met glans doorstaan. 'Ik wilde in 1995 ook het huis niet uit. Dat hoefde ook niet, want het water kwam ook toen nog niet naar binnen. Maar ik was benieuwd hoe het huis zich zou houden. Ik heb uitgerekend dat er een opwaartse druk van 500.000 kilo op het huis stond. Moet je eens nagaan ... Maar het is allemaal goed gegaan.'
    Het gezin Hubers woont er nu zo'n zeven jaar. En in die tijd is de Brouwketel maar een dag of twintig door het water van de buitenwereld afgesneden geweest. Maar het zijn wel de dagen met de wildste herinneringen. Zo werd op zeker moment het paard in de gang van de woning gestald, omdat de schuur blank kwam te staan. Dat klinkt ingrijpender dan het is, want de gang in de immense woning is groter dan de stal van het paard ooit was. Marjan heeft ook haar ervaringen. 'Ik zou de kinderen van school ophalen met de roeiboot. Ik had met ze afgesproken aan de dijk. Maar halverwege stopte de motor en ik heb me kapot moeten roeien. Ik had thuis een kind op bed liggen, dus ik moest ook nog terug.
    Verschrikkelijk. . .' Of Theo: 'Ik had de boot vol met kinderen toen een fonkelnieuwe motor van de boot afsloeg. Ik ben in mijn onderbroek uit de boot gestapt om de motor uit het water te vissen.'
    Theo Hubers, met enig gevoel voor understatement: 'Er is hier in de polder altijd wel wat te beleven.'

    Dit verhaal is verschenen in de Gelderlander op 13 december 1997

  • Hoge Woerd Open or Close

    Hoog en droog

    In de verte rukt het betonnen onkruid op. Keurig in het gelid marcheert de Rijkerswoerdse eentonigheid de Betuwe binnen. En het zal nog vele jaren duren voordat een bos op deze plaats de dreiging aan het zicht onttrekt.

    Door JOOP BRONS

    De Hoge Woerd. Het meest westelijke puntje van Huissen en een naam die wat dubbelop is. Maar hoog is het hier zeker. Jan Stinnissen (72) is er geboren en getogen, net als zijn vader. „Ik weet nog dat we na de oorlog terugkwamen en dat er hier een Rijnaak in de zeeg lag. Die was door het gat bij Driel de Betuwe binnengevaren. En aan het einde van het land, lagen twee kano’s aan een boom vast.” De Duitsers hielden hier droge voeten. Uit alle huizen en schuren was het hout gesloopt om er bruggetjes van te maken.
    Maar eerder al hadden ook de Huissenaren de bult in het landschap al ontdekt. „Er stond hier vroeger een soort van vluchtschuur. Daar konden boeren met wat vee naar toe. De wanden waren met teer dichtgemaakt.” Jan en Ans Stinnissen wonen ver van het centrum, maar ze zijn in de loop der jaren wel van alle gemakken voorzien. „Vroeger hadden we hier een radio met een accu. Die werd opgeladen bij Vin Siepman. Maar sinds zo’n kleine veertig jaar hebben we hier ook licht.” Al heel snel daarna kwam ook de waterleiding. „Ik moest wel toen er bij het oppompen van het water op zeker moment een kikker meekwam,” lacht hij. „We hadden nog wel de luxe van een pomp binnenshuis. Zelfs in het centrum van Huissen moest iedereen toen nog de straat op. We kregen die pomp nadat we in 1932 afbrandden. Zoiets vergeet je niet. Ik was zeven jaar. Ik zat op school toen de ouwe Hent Aaldering tegen me zei: „Ollie hüs is afgebrand.” Toen ik thuis kwam was d’r al niks meer. Ik geloof zelfs dat de brandweer d’r niet eens bijgeweest is.”
    Een paar honderd meter verderop is Bernd Kuster bezig de uien van het land te halen. „’t Is nou nog mooi weer hé?”. De Huissense kermis zegt hem niet meer zoveel. „We hadden hier vroeger ieder jaar buurtfeest, zo rond half oktober. Dan werd er worst gebraden voor iedereen. De jenever kostte nog maar ’n paar gulden de liter. De hele zaterdagavond feest en dan ’s mèèrs ien alle godsvroegte achter de harmonica aan naar Paterskerk. Ach, je was jong en je kon nog wat hebben. Maar op d’n duur is ’t feest verdwenen. Eerst werd het nog in De Hoeve gehouden en later nog verder. Nou helemaal niet meer.” Bij Stinnissen leeft de kermis nog wel. De fris gewassen gordijnen worden weer opgehangen. „Het is toch kermis, ook al zitten we dan ’n eind weg”, zegt Ans. De kermis was vroeger een hoogtepunt in het jaar. Nieuwe kleren werden getoond, het zomerspul ging in de mottenkist. Menige liefde is er opgebloeid tijdens het najaarsfeest, vooral tijdens het dansen op maandag (d’n èrste maken) en op dinsdag. Het woord kermis is afgeleid van kerkmis, een mis doorgaans ter viering van de naamdag van de patroonheilige van een parochie. Dat gebeurde op de zondag, zo dicht mogelijk bij die naamdag. Het spreekt bijna vanzelf dat tegen het hieruit voortvloeiende feest tijdens de reformatie fel van leer werd getrokken. Elders dan, want Huissen was en bleef een katholiek bolwerk. Huissen was immers een Kleefse enclave.
    Dat had ook andere gevolgen. Zo heette het stadje vele jaren geleden een toevluchtsoord te zijn van allerlei gespuis dat zich daar veilig waande voor het Nederlands gezag. Vooral toen de welvaart in Huissen terugliep, werd de plaats de uitvalsbasis voor geboefte dat bij nacht en ontij elders zijn slag sloeg. Of háár slag sloeg. Dr. Jan Wolters heeft ooit eens beschreven hoe in 1776 een 40­jarige Huissense, Betje Wemmen, in Arnhem terecht stond voor diefstal en heling. Bovendien werd haar verweten dat ze twee Huissense meisjes op het dievenpad had gezet. Ze was al eens betrapt op het stelen van kool en suikerbonen, maar toen had ze de benen genomen. De ‘oude’ vrouw had de twee meisjes verteld dat er op de boerderij van Peter Ruul een en ander te halen viel. De boerderij was afgeloten, maar één van hen slaagde er via het varkenshok binnen te komen. Van daaruit slaagde ze er met veel moeite, via ladders en hooizolders, ook de ander binnen te laten. Eenmaal binnen pakten ze een linnen kap die met boter werd gevuld en één van de vier zilveren rijksdaalders die ze aantroffen. Ze gingen ermee naar Betje, die echter ook op kleren had gerekend. De twee dieveggen­in­opleiding keerden terug en stalen vuile kleren uit een wasmand, waarschijnlijk uit een vorm van valse bescheidenheid. De andere dag ging het duo nog een keer terug, nu voor de andere drie rijksdaalders. Ze werden uiteindelijk betrapt. Hoe, vertelt de geschiedenis niet. Ze werden veroordeeld tot acht dagen op water en brood. De historicus Wolters concludeert uit deze milde straf, dat de rechters in Arnhem wellicht bang waren door een strenge aanpak van de diefjes de boosheid op te wekken van de Pruisische koning. En daar had men in het Gelderse al meer dan eens pijnlijke ervaringen mee opgedaan.

    Deze aflevering van de serie van Hel en Hemeltje over Betuwse plekjes die nog op topografische kaarten worden genoemd, verscheen Betuwse editie van De Gelderlander rond de Huissense kermis van 1998.

  • De Pol Open or Close

    Hoge heren in Huissen

    De meer dan royale entree is vanaf de weg amper te zien. De door hagen en struiken aan het zicht onttrokken buxushaagjes vormen kamers voor het plaveisel. Groot en ruim zijn de steekwoorden van het moderne kasteel dat aan de Polseweg in Huissen is opgetrokken.

    Door JOOP BRONS

    Niets herinnert er meer aan huize De Pol. De naam is verdwenen en wat er nog aan eeuwenoude souvenirs zou kunnen bestaan, ligt veilig onder de grond opgeborgen. Het is een bodemboek geworden, dat de eerste decennia door niemand meer zal kunnen worden geraadpleegd. Toch is De Pol een historisch gebied, een oud adellijk goed dat in de volksmond nog steeds bestaat. Veel meer dan die andere, heel oude naam: De Waede, die maar weinigen in Huissen kennen. Deze naam dateert uit het begin van de veertiende eeuw. Drie eeuwen later wordt steeds vaker geschreven over De Pol(l).
    De Historische Kring Huessen heeft vijftien jaar geleden heel wat archeologisch onderzoek gedaan naar het gebied. Th. Janssen concludeerde uit grondboringen en tekeningen dat het oorspronkelijke adellijke huis aan de kant van de Papesestraat moet hebben gestaan. Om het huis liep een gracht met een brug. Waarschijnlijk is het huis niet het oudste woongedeelte geweest, maar een woontoren die er al in de veertiende eeuw moet hebben gestaan. Janssen gaat nog verder. Uit bodemvondsten blijkt dat er op de Pol mogelijk al eeuwen eerder werd gewoond. Die bebouwing zou zijn vernield door een dijkdoorbraak in de twaalfde of dertiende eeuw. De Kring heeft niet alleen het slot in kaart gebracht in de eerste ‘Mededelingen’ van 1984. Ook de achtereenvolgende geslachten die sinds 1516 op De Waede of De Pol hebben gewoond zijn daardoor bekend.
    De laatste heer van De Pol was Baron van Laer van Hoenlo, die in 1875 overleed. Zijn lichaam ligt begraven op het kerkhof aan de Doelenstraat, onder een steen waarop het wapenschild goed te zien is. De baron woonde bij zijn overlijden al in het centrum van Huissen, waar hij ook een bezittingen had. Een aardig moment om over te stappen naar een ander plaatselijk fenomeen: de Umdracht, die morgen opnieuw door de kom trekt. Toeval of niet: in dezelfde Mededelingen van 1984 wordt door J. Zweers geschreven over het jaar 1812 waarin de processie op de tocht kwam te staan. In 1816 gebeurde dat nog een keer. Maar dankzij het optreden van de protestantse (!) burgemeesters J.F. en J.J.E. Pilgrim kon de Umdracht gewoon doorgang vinden. Waar zat het probleem eigenlijk? Volgens de toen geldende wetgeving moesten openbare katholieke godsdienstplechtigheden achterwege blijven. In Huissen was er echter sprake van een jaarlijkse traditie, zonder enige onderbreking. Bovendien liet de burgemeester de autoriteiten weten dat de preken over het algemeen bijzonder gematigd waren geweest. Kortom, er was geen enkele reden om de processie uit het straatbeeld te halen. Die conclusie werd uiteindelijk overgenomen door koning Willem I in 1823.
    In de zeventiende eeuw moesten de processiegangers ook al opboksen tegen hoge heren. Zo is bekend dat de gereformeerde ambtsman in 1641 een broertje dood had aan deze katholieke gebeurtenis. Hij was bang dat de Umdracht zou worden gebruikt als dekmantel voor een gewapende opstand. Zijn opvolger verbood zelfs dat de Umdracht langs zijn slot (op de plaats van het huidige Dominicanenklooster) zou trekken. De pastoor lapte het verbod aan zijn laars: hij trok langs de ambtman. Lang niet iedereen durfde de pastoor te volgen. Een deel van de deelnemers bleef wachten op de Markt. De boze ambtman stapte onmiddellijk naar de keurvorst om te klagen over de weigerachtige parochieherder. En hij kreeg gelijk. De pastoor werd veroordeeld tot het betalen van honderd goudgulden. Morgen trekt de Umdracht onbedreigd door de straten. Na afloop van de plechtigheid zal de stadstoren na een ingrijpende renovatie worden ‘teruggegeven’ aan het stadsbestuur. Wilt u nog meer toeval? In nog steeds hetzelfde exemplaar van Mededelingen 1984 een artikel van Henny Derksen over het opknappen van de toren in 1940. Destijds werd de spits gedeeltelijk vernieuwd. In de toren, die toen Mariatoren werd genoemd, bevond zich nog de balk met katrol om de korf te hijsen als waarschuwing tegen hoogwater. Een deel van de balk bleek toen al te zijn afgezaagd.
    Terug naar de Pol, waar de Huissense toren nog te zien is. De nieuwe kasteelheer is Wim Selman. Hij kocht een kleine tien jaar geleden de ruïne die was overgebleven van de boerderij die op de plaats van huize De Pol was gebouwd. Selman moest hemel en aarde bewegen om op deze plaats zijn riante woning te kunnen bouwen. Hij is een eigentijdse grootgrondbezitter. Net als baron Van Laer van Hoenlo, de laatste bewoner van de Pol, heeft ook hij verschillende bezittingen in het centrum van Huissen. Toeval bestaat immers niet.
    Deze aflevering was de honderdste in de serie Van Hel en Hemeltje die verscheen in de Betuwse editie van De Gelderlander. Dit verhaal over de Pol verscheen in juni 1998. Overigens is in dit verhaal onvermeld gebleven dat ook Piet Evers, de godfather van de Huissense tuinbouw op de Pol woonde. Hij verhuisde daar naar toe nadat hij in de Hoeve successen boekte met zijn teeltmethoden. Naar hem is de Piet Eversstraat op de Pol genoemd. Ook Baron van Laer heeft hier een weg als herinnering gekregen. De Polseweg maakt het historisch straatnaamboek compleet.

    Deze aflevering was de honderdste in de serie Van Hel en Hemeltje die verscheen in de Betuwse editie van De Gelderlander. Dit verhaal over de Pol verscheen in juni 1998. Overigens is in dit verhaal onvermeld gebleven dat ook Piet Evers, de godfather van de Huissense tuinbouw op de Pol woonde. Hij verhuisde daar naar toe nadat hij in de Hoeve successen boekte met zijn teeltmethoden. Naar hem is de Piet Eversstraat op de Pol genoemd. Ook Baron van Laer heeft hier een weg als herinnering gekregen. De Polseweg maakt het historisch straatnaamboek compleet.

  • Looveer Open or Close

    Bedrijfseiland

    Het parkeerterrein onder aan de dijk is een zee van blik. Overal staan auto’s, zelfs op de dijk is nauwelijks een plaatsje te vinden. Het water staat een meter hoog op de veerweg: het Looveer is een tijdelijk bedrijfseiland geworden.

    Door Joop Brons

    Een auto met een scheepsschroef tussen de wielen. Of is het een rijdende boot? Het amfibievoertuig zorgt ervoor dat de verbinding met het centrum van Huissen in stand blijft, als was er niets aan de hand. De grijswitte Moby Dick trekt grote hekgolven langs de Looveerweg. Elk verkeersbord is hier nu belachelijk. Of het nu gaat om een waarschuwing voor overstekende fietsers of om het bord ‘Zwemwater met wisselende diepte’. De
    toevoeging zwemmen op eigen risico is slechts tussen twee golven door te lezen.
    De luxe lijndienst vaart/rijdt op het hele en halve uur. Het is een riante oplossing. „Wij werden vroeger met de roeiboot naar school gebracht. En je kon gerust ondeugend zijn, want ze konden je toch niet eerder naar huis sturen”, lacht Jan Leenders. „Vaak roeide Wim Martens, maar er waren meer roeiboten aan het Veer. Mijn vader zette ons als jongens ook zelf aan het roeien: vier man aan de riemen.” Jan woont niet meer aan het Looveer, maar het water blijft trekken. Iedere dag kijken, elke dag de waterstanden bijhouden. Hij is een schipperszoon en zoiets verloochent zich niet.
    Na zijn schooljaren zorgde hij, samen met nog een paar andere knapen uit de buurt, ook voor de verbinding met het Looveer als het water weer eens tegen de dijk stond. „Het was heel gemoedelijk in Huissen: ik werkte bij slagerij Smulders en daar kon veel. Als er iemand naar het veer moest, dan roeide ik op en neer. Zo ging dat. En gevaar kende je niet. We, en dan praat ik over Jos Martens, Halle Leenders en ik, hebben in de winter van ’39­’40 wel eens een fietser over de Rijn gezet bij zware ijsgang. Met haken duwden we de schotsen weg. Daar verdienden we mooi twee kwartjes mee, tegen anders een dubbeltje.” In datzelfde jaar hielden de ponteniers uit Dordrecht met een ijsbreker de Rijn open, om te voorkomen dat de Duitsers erover heen zouden kunnen marcheren.
    Het Looveer. Het gebied is altijd een spanningsveld geweest tussen wonen en werken. Een gevecht dat langzaam maar zeker is gewonnen door de bedrijvigheid. VBI is een dominante betonreus geworden aan de boorden van de Rijn. Een saai kantorencomplex heeft mét het Veerhuis veel van de gezelligheid uit het buurtje verdreven. Op de opslagterreinen liggen stapels betonnen elementen te wachten tot er weer vervoer mogelijk is. Verder wordt het gebied bepaald door loodsen, een asfaltkraker en kranen, allemaal vanaf de dijk goed te zien. Aan de rand wordt gewerkt aan een nieuw bouwwerk. Het allerlaatste op die plaats, heeft de gemeente plechtig beloofd.
    Maar ook voor de oorlog was er bedrijvigheid, zij het van een andere grootte. Er waren twee steenfabrieken: een veldoven en een ringoven. „Willem Tuil had er een zand­, grind­ en turfhandel. Mijn oom, Bernard Leenders, was parlevinker en hij had een eigen winkel aan het veer. En dan was er natuurlijk het Veerhuis. Dat lag toen nog tegenover de plaats waar Wim Martens later zijn nieuwe Veerhuis begon.” Er is in de hele Betuwe amper een buurt te bedenken waar de oorlog meedogenlozer heeft uitgehaald. Ook Leenders weet er van mee te praten. „Dat begon eigenlijk al op 10 mei 1940. We liepen op de Veerweg toen de pont werd opgeblazen. We zagen de stukken door de lucht vliegen. Gelijktijdig werden nog een stuk of wat schepen tot zinken gebracht. Om te voorkomen dat de Duitsers ze zouden kunnen gebruiken.”
    De motordekschuit van vader Leenders, de Pieternella Huissen, werd nadien van 1940 tot 1944 gebruikt als pont in Malburgen. In september werd het schip opgeblazen door de Duitsers. Die maand heeft een dikke zwarte rand gekregen in het geschiedenisboek van Huissen. Op 17 september werd het Looveer tot drie keer toe gebombardeerd, elke keer met zes vliegtuigen. Bij de eerste aanval werd een woonboot vernield: drie doden. De tweede aanval trof enkel wat koeien. De derde aanval was afschuwelijk. In de schuilkelder die werd getroffen, zaten zeventien kinderen en drie volwassenen. Allemaal vonden ze de dood. De familie Eerden verloor elf kinderen en één volwassene. Binnen enkele ogenblikken. Maar ook de familie Leenders bleef niet gespaard. „Mijn broers Henk en Tonny van 13 en 10 jaar zijn ook in die kelder omgekomen...”
    Na de oorlog was het voor iedereen uithuilen en opnieuw beginnen. „Wat moest je? Het huis lag aan puin, het schip was opgeblazen en twee kinderen dood. Pa, ik en onze Wim hebben een noodwoning gehaald in Arnhem­Zuid en opgebouwd aan het Looveer.” De verschrikkingen hebben de innige band met het Looveer niet kunnen verbreken. „Ik ben vanmorgen weggeweest. Maar als ik terugkom, dan rijd ik over de dijk. Even kijken op de schaal. En het water was weer een paar centimeter gevallen.”

    (Deze aflevering uit de serie Van Hel en Hemeltje verscheen in het najaar van 1998 in De Gelderlander. De serie beschreef plekjes en gebiedjes die met name worden genoemd op de topografische kaarten van de Betuwe.)

  • Paterslaan Open or Close

    Paters en heksen

    De Kloosterlaan wordt uiteindelijk weer prachtig: jonge opgroeiende kastanjebomen hebben in enkele jaren de huiveringwekkende kaalslag op Huissens meest romantische laan goeddeels gecompenseerd. De gracht ernaast is de laatste herinnering aan het tijdperk dat er een burcht op de Hazenberg stond.

    Door Joop Brons

    De naam Paterslaan staat in geen enkel Huissens register, maar er is geen Huissenaar die dit vrijerslaantje niet kent. De laan is bezongen in carnavalsliedjes en beschreven in de boeiende geschiedenis van het Dominicanenklooster. De naam Hazenberg, de oorspronkelijke benaming van de plaats van het klooster, is daarentegen vrijwel onbekend in het stadje.
    Eerst wat over het ‘kasteel’ dat zo’n duizend jaar geleden werd gebouwd.
    Als bescherming tegen overstromingen (en Noormannen) werd het bouwwerk op een door mensenhanden opgeworpen heuvel (Hazenberg) opgetrokken. Vooral de hoge, ronde tufstenen toren sprong in het oog. Er is in Nederland maar één soortgelijke vluchttoren bekend: die van kasteel Bergh. In 1361 bevond zich bij die toren nog een tweede heuvel, waarop een burcht en een woonhuis waren gebouwd. Hier woonde de Huissense ambtman. In de loop van de 17e en 18e eeuw werd de vesting beetje voor beetje gesloopt. De heuvels zijn nog heel lang blijven liggen. Pas in 1951 werden de bulten afgegraven.
    Begin vorige eeuw verscheen op de plaats van het huidige klooster een statig herenhuis. De Dominicanen hebben er in 1858 hun hand op weten te leggen door een list. De paters mochten namelijk geen klooster onderbrengen in het huis. Ze schakelden een koopman met een invalide zoon in. De man kocht het grote huis, zogenaamd om zijn zoon in de rolstoel ruimte te geven. Maar gelijktijdig met koopman en zoon trokken ook de Dominicanen het huis in. Onmiddellijk vroegen de paters een architect om een nieuwe vleugel bij het gebouw te ontwerpen. Dat werd Cuypers, bekend van het Centraal Station en het Rijksmuseum in Amsterdam. Cuypers was bereid om dat voor een habbekrats te doen, op voorwaarde dat hij in de pij van de Dominicanen zou worden begraven. Dat is vele jaren later ook gebeurd, zij het niet in de Huissense grafkelder bij het klooster, maar in Venlo. Cuypers was toen hij in 1921 overleed bijna 94 jaar.
    De kapel van het klooster werd in 1952 internationaal nieuws. De katholieke gemeenschap van Huissen verzette zich met hand en tand tegen de beslissing van bisschop Alfrink om de kapel te sluiten. Zaterdagavond, 5 januari 1952, waren 24 mannen een heuse politiemacht van achttien agenten te slim af. Met een steen werd rond half tien, uren voordat de politie echte problemen verwachtte, de lantaarn bij de ingang uitgegooid, waarna de kapeldeuren werden verwijderd. Het nieuws van de geforceerde heropening ging als een lopend vuurtje door Huissen. Het gevolg was dat zondagmorgen (Driekoningen) bij de vroegmis van half zes de kerk uitpuilde. Die dag bezochten drieduizend gelovigen de opengebroken kapel. Dankzij de aanwezigheid van kranten uit binnen­ en buitenland (Time en Life) werd de kwestie groot nieuws.
    Opvallend groot is het aantal verhalen dat bestaat over mensen die de paters te hulp hebben geroepen bij het bestrijden van alle vormen van hekserij. En niet alleen vanuit Huissen. Meester Dinnissen noemt ook in zijn boek Volksverhalen uit Gendt verschillende voorbeelden. Een meisje kreeg van een vrouw appels aangeboden. Ze kreeg hevige buikpijn en vervolgens gaf ze kolengruis over. Haar vader stapte naar de paters in Huissen, die hem een gewijd voorwerp meegaven, dat onder de drempel van de voordeur gelegd moest worden. En de paters voegden er nog aan toe dat er ’s avonds iemand zou komen om iets te lenen. „Niets geven”, werd hem op het hart gebonden. En inderdaad kwam het appelvrouwtje ’s avonds aan de deur. De vader sloeg de vrouw, die om een broodmes vroeg, met de karzweep weg. En zie: dochterlief werd gezond en de heks is nooit meer teruggezien.
    En het verhaal van een vrouw die in Flieren (Gendt) stoelen kwam ophalen om de zittingen te laten matten. Op zekere dag bleef ze rusten bij een vrouw die bang was voor de stoelenhaalster die al de naam had een heks te zijn. De angst werd sindsdien alleen maar groter. Ze werd ziek en wilde maar niet opknappen, waaruit de vrouw concludeerde dat ze misschien wel behekst was. En inderdaad: haar hoofdkussen in het bed toonde een krans van veren, een heksenkrans. Ze kreeg de schrik van haar leven en snelde naar Huissen om de paters om hulp te vragen. De Domincanen hebben negen dagen achtereen voor haar gebeden. En met succes. De vrouw knapte weer op en de gevreesde krans verdween als sneeuw voor de zon.
    Maar ook voor andere zaken wisten de Betuwnaren het Huissense klooster te vinden. De vroegmis van half zes was in de wijde omgeving in trek, omdat die melkveehouders in staat stelde het werk te combineren met de zondagsplicht. Een heel bekende naam is voorts die van Dominicaan pater Rijken, die mede aan de basis heeft gestaan van de glastuinbouw in Huissen. Die verandering bracht aanzienlijk meer welvaart onder de tuinders. In de tweede wereldoorlog (najaar 1944) tenslotte was het klooster niet alleen noodhospitaal, maar ook gemeentehuis. Het is duidelijk dat de paters aanzienlijk meer voor Huissen hebben betekend dan het geven van een naam aan een romantische laan.

    Dit kloosterverhaal werd gepubliceerd begin 1998. Dit was een aflevering uit een serie portretten van topografische vlekjes, die in de editie januari 1998 van de Betuwe editie  van de Gelderlander zijn verschenen.

  • Valom Open or Close

    Valom en Stavast

    Bomen genoeg. Eiken­, Wilgen­, Berken­, Sparren­ en Populieren­... straat. De echte bomen leggen het in het Zandse Vierkant in aantallen af tegen de talloze verkeersmaatregelen, zoals asverleggingen en afsluitingen. Hier wordt de automobilist het bos ingestuurd.

    Door JOOP BRONS

    Het Zand is veel meer dan een wijk van Huissen. Het was ooit een dorp binnen de stadsgrenzen, compleet met eigen school, parochie, (bloeiend) verenigingsleven, voetbalclub, winkels en minstens vier café’s. Sinds het Binnenveld de kloof tussen de Stadse keienvrèters en Zandse slaotkoppen heeft gedicht is er echter meer sprake van een wijk dan er voorheen ooit geweest is. Het Zand.
    De naam laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De
    zuidelijke punt van Huissen is voor de bedijking, zo’n zeshonderdvijftig jaar geleden, veelvuldig overspoeld door Rijnwater. De oeverwallen werden herhaaldelijk doorbroken en telkens spoelde er een nieuwe laag zand over de rivierklei. En ook tussen 1327 en 1769 werden bij talloze dijkdoorbraken nieuwe zandlagen aangebracht. Heel lang was het onland, slechts goed voor de lepralijders en voor het voltrekken van doodvonnissen. Galgenplek heette het terrein.
    Een Zandse in hart en nieren is Sjaak van Wissen. Kapper in ruste, althans bijna. Op een historische kaart van bijna driehonderd jaar oud, staat een van zijn voorvaderen met naam genoemd: Arend van Wissen. Precies op de plaats, waar zich nu nog de kapsalon bevindt. „Mijn overgrootvader was kleermaker. Maar hij had ook een bierhuis. Daar kwam ’s avonds de hele buurt bij elkaar. En omdat hij waarschijnlijk als kleermaker toch een schaar bij de hand had, knipte hij ook wel eens bezoekers.” Het is overgrootvader Van Wissen niet goed vergaan. „Hij moest op zekere dag met paard en wagen naar de overkant en misschien had ie wel ’n borreltje op. In ieder geval werden de blokken niet goed voor de wielen gezet, waardoor paard en wagen en mijn overgrootvader in het water verdwenen. Drie dagen later werd hij door een visser in een bootje uit het water gevist.”
    Het bierhuis Van Wissen sloot in 1917, om plaats te maken voor de kapsalon. Maar aan bier is geen gebrek geweest op ’t Zand. Nieuwe Diep, de Valom, het Wapen van Huissen en Lombok zorgden voor voldoende aanvoer. Lombok werd overigens zo genoemd omdat er nogal eens werd gevochten. De naam was een vingerwijzing naar de gevechten van de Nederlanders in Indië, op Lombok (Atjeh). Het zal wel aan de plaats hebben gelegen. Ook discotheek De Carrousel hield immers die naam hoog. Namen hebben toch iets magisch op ’t Zand. Schiphol is zo’n voorbeeld, maar ook De Valom mag er wezen. In het boek Volk in Nood, een oorlogsgedenkboek dat in Tiel is uitgegeven, staat een waanzinnig verhaal over de oorsprong van de naam. Die geschiedenis gaat over een kudde olifanten die in de tijd van de Batavieren ware verwoestingen aanrichtte in de Betuwe. De bevolking, die de oogst telkens platgetrapt zag, ging in Zetten bij de hoogste baas van de Batavieren te rade. De Batavierenbaas riep de Betuwnaren bij elkaar. In een bos achter Bemmel raadde hij de bevolking aan om vaten met gerstenbier buiten te zetten. De dronken olifanten zouden dood neervallen, zo beloofde hij. Niets van dat al. De olifanten hadden een kwade dronk: in razernij werd alles omgeploegd wat ze op hun weg tegenkwamen. En de volgende dag werd vanuit Huissen gemeld dat de olifanten op de plaats van de huidige Langestraat hun roes stonden uit te slapen, leunend tegen elkaar. Het opperhoofd verweet vervolgens de klagers dat ze te zuinig met het bier waren geweest. Ze waren alleen maar razend gemaakt, in plaats van dronken. De stamwijze raadde zijn onderdanen aan opnieuw bier buiten te zetten, maar nu genoeg. Bovendien moesten de bomen in het bos bij Huissen bijna worden doorgezaagd. Hij wist namelijk dat de beesten moesten leunen om te kunnen slapen. De andere dag zagen de Batavieren de olifanten liggen door elkaar en tussen en onder de bomen. Sinsdien heet het gebied De Valom.
    Tja.
    Maar er is nog een ander verhaal. Ergens vorige eeuw werden gelijktijdig twee huizen gebouwd. Een op de hoek van de Gochsestraat en Stadswal (tegenover het café) en één aan de Bloemstraat. De eerste zakte op zeker moment in, de ander bleef staan. Daarmee waren Valom en Stavast geboren. Dat verhaal is niet onwaarschijnlijk. Verzakkingen zijn op het Zand zelfs de laatste jaren nog herhaaldelijk voorgekomen. Een gevolg van de laag zand, die achteraf nog te dun was om zonder palen te kunnen bouwen. Daardoor ontstonden scheuren in de Huissense bomenwijk. Van Wissen
    over het Zandse groen: „Ach, vroeger stonden er ook nauwelijks bomen. Hooguit ‘knoepers’ en rode bessen tussen de sla en andere groenten. Krüpgruun, zal ik maar zeggen.”

    Deze aflevering van de serie Van Hel en Hemeltje was in april 1998 in de Betuwse editie van De Gelderlander te lezen.

  • Bergerden Open or Close

    Liefdesnest

    Bergerden. Bedreigd gebied. Nog zijn hier de torens van Huissen, Zand en Bemmel te zien. Vanaf volgend jaar groeit op deze plaats een kassenpark, de glazen droom van de op vooruitgang beluste tuinder. Of is het juist de nachtmerrie van de verstotenen van de Waalsprong?

    Door Joop Brons

    Naast de Heuvelsestraat waar het asfalt aan de schoenen plakt, staat de maïs nog geen twee decimeter hoog. Een kievit heeft tussen de kaarsrechte rijen opschietend groen een nest gebouwd. De vogel is in de warme junizon een verbeten luchtoorlog begonnen tegen een fazant die zich te dicht in de buurt van zijn domein heeft gewaagd. De ene onbesuisde duikvlucht na de andere wordt uitgevoerd, zonder dat de vijand op de grond zich van zijn plaats laat jagen.
    De kievit draait een rondje en scheert opnieuw rakelings over de indringer. Hij weigert hardnekkig te capituleren voor het gespuis dat zijn nest bedreigt.
    Bergerden ligt op de grens van Bemmel en Huissen. De bewoners stemmen in Bemmel, maar kiezen overwegend voor Huissen. Jaren geleden al hield Bart Leijser, thans wethouder te Huissen, een pleidooi om Bergerden van Bemmel los te weken. De Bergerdensen gaan immers in Huissen ter kerke en zoeken ook daar ook hun winkels en scholen. De dreigende herindeling lijkt defintief af te rekenen met dit territoriaal probleem tussen beide gemeenten.
    Volgens Gijs Vermeulen, een van de bewoners van het gebied, dankt Bergerden de naam aan de bescheiden hoogteverschillen in het landschap. In ‘Bèrgten’, zoals dit laaggelegen stuk Betuwe ook wel wordt genoemd, zijn de boerderijen gebouwd op minimale heuveltjes. De voorkeur voor die hoge droge woonplaatsen werd ingegeven door de immer aanwezige en begrijpelijke angst voor overstromingen.

    Aan de Heuvelsestraat harkt boerin Brink het versgemaaide gras naar het midden. Zo gaat er straks geen spriet verloren als haar man met de trekker machinaal het werk op het weiland afmaakt.
    Beiden weten officieel nog steeds niets van het immens grote terrein voor de glastuinbouw dat straks ook hun grondgebied zal opvreten. En over drie weken al praten de Bemmelse en Huissense politici over de ingrijpende plannen voor het gebied. De Brinken maken zich ernstig zorgen over waar ze naar toe moeten met hun bedrijf. Voor een varkensmester met driehonderdzeventig zeugen wordt Nederland immers steeds kleiner. Te klein, vrezen ze.
    En wie kent in Bergerden niet het ‘liefdesnest’, zoals het gebouw tot in de verre omgeving wordt genoemd? De bungalow aan de Heuvelsestraat werd dik twintig jaar geleden gebouwd voor een aanstaand bruidspaar. Toen de relatie vlak voor het huwelijk knapte, bleef de woning jaar in, jaar uit onbewoond staan. De bouwer wilde er niet meer in wonen. En alle anderen mochten niet.

    Honderden mensen, die zich niet lieten afschrikken door gebarsten ruiten en grauwe, gescheurde vitrages, hebben in de achterliggende jaren geprobeerd het afgelegen huisje te kopen. Tevergeefs.
    De eigenaar zwijgt als het graf over zijn halsstarrige weigering te verkopen. „Moet ìk toch weten”, klinkt zijn sobere commentaar.
    Het huis, zonder licht en water, voert een verbeten gevecht tegen de tand des tijds. De vernielende hand van vandalen wordt nog slechts tegengehouden door de sociale controle van de buurtbewoners.
    Het liefdesnest, ooit een monument van liefde, lijkt steeds meer een toonbeeld van onverzettelijkheid te worden. Maar het is de vraag of dit monument zich ook staande weet te houden tegen het planologisch geweld dat kassenpark Bergerden met zich meebrengt.

    Dit verhaal verscheen op 16 juni 1996 in De Gelderlander in de serie Hel en Hemeltje. Het Liefdesnest is inmiddels gesloopt. De bungalow heeft plaats gemaakt voor immense kassen.

  • Schenkenschans Open or Close

    Sinterklaasbastion

    Een meeuw krijst met opengesperde snavel op de wolkenboom aan de Doornenburgse Sterreschans. Het kunstwerk onder zijn gekromde pootjes schreeuwt in stilte. Archipel, zoals de kunstenaar zijn idee heeft gedoopt, knalt in felblauw tegen het grauwe wolkendek en het groen van de weilanden.

    Door Joop Brons

    Het water in het Pannerdensch Kanaal staat laag. Vanaf de dijk zijn de torens van Pannerden en Kekerdom te zien. De stilte van het moment wordt verstoord door een scheepsmotor die op volle toeren begint te draaien. De rijnaak manoeuvreert zich langszij het bunkerschip tegenover de Doornenburgse Sterreschans. Door de eeuwen heen is Doornenburg strategisch van bijzondere betekenis geweest. En niet eens zozeer om het prachtige kasteel dat het dorp landelijk bekend heeft gemaakt. Vooral bij het water bewijzen niet minder dan drie vestingwerken de belangrijke ligging van Doornenburg.
    De naamgever van het gebiedje bijvoorbeeld: de Sterreschans. Een stervormige versterking uit de achttiende eeuw, waarvan twee punten nog duidelijk herkenbaar zijn. Het beschermde gebied wordt beheerd door de scoutinggroep St. Maarten, die er een pas vernieuwde blokhut heeft. Aan de andere kant van de Pannerdenseweg is de stervorm veel moeilijker terug te vinden. Hoewel: de kronkels in de weg spreken hier nog voor zich. Helemaal onneembaar was de vesting niet. Op 11 januari 1795 werd de Sterreschans ingenomen door de Fransen.
    Maar ook het Pannerdensch Kanaal is oorspronkelijk gegraven uit puur strategische overwegingen. De oude Rijn was zozeer verzand dat steden als Arnhem en Wijk bij Duurstede niet meer per schip waren te bereiken. In 1672 zagen de Fransen zelfs kans Gelderland en Utrecht te bezetten, omdat ze bij Lobith gewoon door de Rijn konden lopen.

    Enkele jaren later werd besloten uit lijfsbehoud een vier meter brede gracht te graven tussen de Waal en de Peppelgraaf. Het dorpje Pannerden verhuisde plotsklaps van de Betuwe naar de Liemers. In 1701 was de gracht een feit.
    Door de kracht van het water (geholpen door gretige mensenhanden) schuurde de gracht al snel uit tot een echte waterweg. Tot vreugde van Rijnoeversteden, die daardoor hun handel weer zagen opbloeien. En tot grote ergernis van steden als Nijmegen en Dordrecht die werden geconfronteerd met onverwachte concurrentie.
    In de negentiende eeuw werd de tot Pannerdensch Kanaal uitgegroeide gracht onderdeel van de IJssellinie. En om die oorlogsbescherming een extra dimensie te geven, besloot men tot de bouw van Fort Pannerden. Dit karwei werd in 1871 voltooid, maar het bolwerk is nooit of te nimmer van enige invloed geweest op wat voor oorlogshandeling dan ook.

    Na de laatste oorlog oefende het mysterieuze fort alleen nog maar aantrekkingskracht uit op avonturiers. Opgeschoten jongens die hun leven in de waagschaal stelden door in de stikdonkere en halfgesloopte vesting te spelen.
    Maar ook volwassen mannen die elkaar opjaagden met paintball­shooting.
    Intussen is het bouwwerk in handen van een stichting die er een heus museum van wil maken. Een stichting die nu al jaren oorlog voert om de broodnodige subsidies binnen te halen.
    Sterreschans heeft nog een onvermoede vesting: een waar Sinterklaasbastion.

    Hotel­restaurant Rijnzicht is jarenlang de gezellige grime­salon van de Sinterklazen van Huissen en Doornenburg geweest. De twee goedheiligmannen werden hier klaar gemaakt voor de jaarlijkse intocht. Twee sinten en een groeiende groep pieten die het onvoorwaardelijk geloof van de Sterreschanse peuters zwaar op de proef hebben gesteld. De voormalige exploitant J. Cornelissen kan er achteraf nog smakelijk om lachen.
    Ooit, meer dan tien jaar geleden, dreigde het echt fout te lopen in dit veerhuis van stoomboten. De Doornenburgse sint werd stroomafwaarts gebracht om bij de veerstoep weer te kunnen worden ingehaald. Veel vroeger dan anders: de Huissense Klaas was nog niet eens vertrokken. En tot overmaat van ramp groeide buiten het aantal zingende kinderen op de dijk.

    Een Doornenburgse organisator zag het lijk al drijven. „Als jullie het wagen om nú naar buiten te komen, dan komt die van ons straks ook naar Huissen.”
    Duidelijke, maar wel dreigende taal.
    Goede raad was peperduur. De klok tikte de minuten weg: ook in Huissen stond immers zoet en stout dooreen ongeduldig op de veerstoep te wachten. De politie toonde zich op dat moment de enige echte kindervrind. De patrouillebus werd achterwaarts de zaal van Rijnzicht ingereden. Sinterklaas werd, aangekleed en wel, plat op de vloer van het busje gelegd. De rode mantel als tijdelijke vloerbedekking van een dienstwagen. Bovenop Sinterklaas kwamen nog enkele Pieten, zodat er nog geen baardhaar meer van de Spaanse bisschop te zien was.
    De politiebus reed vervolgens tussen de zingende kinderen door om zijn vreemde vrachtje af te leveren bij de Peppelgraaf. Daar lag de Huissense stoomboot al afgemeerd.
    Maar het is nooit meer helemaal goed gekomen tussen de beide sinten.

    Dit deel van de serie Hel en Hemeltje verscheen begin december 1997 in de Betuwe-editie van De Gelderlander. De Huissense Sinterklaas was destijds Sjaak van Wissen en één van de Pieten was zijn latere opvolger Jan Zweers. Een toeval dat onvermeld bleef in die Sinterklaasaflevering was de naam van de polder bij het clubhuis der Sinterklazen: de Klompenwaard.

  • Peppelgraaf Open or Close

    Naamsverandering

    Een speedboot met een grote Duitse en een kleine Nederlandse vlag trekt met hoge snelheid een schuimend V­spoor in het smalle Pannerdensch Kanaal onder Doornenburg. Het drie verdiepingen tellende snelheidsmonster valt uit de toon in het landschap. De maatvoering vloekt met de omgeving: te breed, te hoog en vooral te lawaaiierig voor De Peppelgraaf.

    Door Joop Brons

    De dijk steekt met haar teen bijna in het water. In het talud staat een watermeter, waarop in diepblauw een schaalverdeling te zien is. Een roestplek ter hoogte van het streepje bij 16 meter herinnert nog aan de dreiging in februari 1995.
    Een paar honderd meter verderop is een boer vrijwel onzichtbaar voor passanten aan het gieren. Maar ook zonder de man te zien is volstrekt duidelijk waar hij mee bezig is.
    Aan de andere kant van de dijk trekt een haas een sprint over een weiland.
    Twee keer onderbreekt hij zijn run om de omgeving te verkennen. Hij heeft de wijk genomen voor Hent Bongers die met zijn vlijmscherpe zeis de dijkhelling aan het bewerken is. Bongers woont hier sinds 1935 en is daarmee de nestor van De Peppelgraaf.
    Hij kan zich nog de tijd herinneren dat het hele gebied De Peppelgraaf heette. Vlak na de oorlog werd de straat omgedoopt in Rijnstraat. Het nut van die naamsverandering heeft hij nooit ingezien. „Ik krijg nòg wel post die aan Bongers van De Peppelgraaf is gericht.” Bij wijze van naamsbescherming heeft hij een stuk of tien peppels (populieren) geplant bij zijn woning.
    Toch is de naam niet helemaal in onbruik geraakt. ‘De Peppelgraaf’ staat nu te lezen op een uithangbordje aan een dijkwoning, de enige die tussen Doornenburg en Huissen aan de buitenkant van de dijk staat.
    Het stukje dijk is een van de jongste uit het rivierengebied, aangelegd toen in het begin van de achttiende eeuw het Pannerdensch Kanaal werd gegraven. Het kanaal kwam in de plaats van de (oude) Rijn die op sommige plaatsen zo verzand was, dat er doorheen kon worden gelopen. In 1707 was het kanaal klaar. Tot opluchting van bijvoorbeeld Arnhem en Wijk bij Duurstede waar nagenoeg geen scheepvaartverkeer meer mee mogelijk was.
    Oude kaarten geven aan dat huis De Peppelgraaf in 1681 nog lag op de plaats waar nu de Angerense steenfabriek De Scherpenkamp ligt. De naam is waarschijnlijk ontleend aan de combinatie van peppels en graaf, een woord dat in het Betuws nog wel wordt gebruikt voor een sloot.
    Het toenmalige gebouw De Peppelgraaf was een veerhuis. Doornenburgers konden er iedere vrijdag (bij open water) inschepen op een markt­aak, voor een bezoek aan de markt in Arnhem.
    De Peppelgraaf kreeg daarna een plaatsje hoog bovenaan de nieuwe dijk. Maar hier kreeg het veerhuis met andere problemen te kampen. In januari 1861 werd het gebouw door het kruiend ijs gedeeltelijk weggeschoven.
    De bewoners lieten zich niet uit het veld slaan. Opnieuw werd De Peppelgraaf opgetrokken. Dat gebeurde waarschijnlijk door de voorouders van de familie Cornelissen, de huidige exploitanten van het anderhalve kilometer verderop gelegen veer en veerhuis in Doornenburg.
    De Peppelgraaf is ook na de oorlog nog jarenlang schippershuis geweest, compleet met loswal en café. Totdat de laatste uitbater, Jan Nuy, er op z’n 75e mee kapte. Geen van zijn zoons wilde in zijn voetsporen treden. Sinsdien is het voormalige veerhuis nog enkele keren van functie en eigenaar veranderd. Ook nu staat het opvallende dijkhuis weer te koop.
    Wonen aan de dijk kan blijkbaar niet vrij van zorgen. Daarover kunnen ook de bewoners van enkele huizen schuin tegenover De Peppelgraaf meepraten. Zij hebben inmiddels bericht gekregen dat hun huizen moeten wijken voor de dijkverzwaring.
    Slopen is kennelijk onlosmakelijk verbonden met De Peppelgraaf. Daar helpt geen naamsverandering aan.

    Op 26 juni 1996 stond deze aflevering van de serie Hel en Hemeltje in de editie Betuwe van De Gelderlander.

  • De laatste stuiver Open or Close

    Eindjes

    Het is de plaats waar de A15 smoort in het Bemmelse land. De sterk vermagerde autobaan eindigt in een ordinaire T­splitsing: een doodlopende snelweg. Een wandelingetje leert dat het gebied aan elkaar hangt van losse eindjes.

    Door Joop Brons

    De Laatste Stuiver. De naam is alleen nog terug te vinden op landkaarten. En zelfs daar dreigt een roemloos einde. Over enkele jaren dendert elke drie minuten een goederentrein over het gebied.
    Berta van Piet de Stuuver heeft de hoop nog niet helemaal opgegeven. „Ik heb gisteren naar de koningin geluisterd en die zei niks meer over de Betuweroute. Als je het mij vraagt dan gaat het helemaal niet door.” Maar inwendig weet ze dat het gevecht tegen de bierkaai allang is verloren.

    Het huis draagt geen naam, maar volgens Berta Roelofs heet het gebouw wel degelijk De Laatste Stuiver. Net zoals het café, een eeuw geleden. „Hier op de plaats waar je nu staat, daar stond het. De mensen hadden geen geld en de lèste stuuver die ze nog over hadden als ze uit de kerk kwamen, die werd hier verteerd.” Haar man Piet, inmiddels in de negentig, is nog geboren in het oude gebouw. En zelfs zijn grootvader heeft er gewoond.
    In de oorlog is het met de grond gelijk gemaakt. Het pand lag op een steenworp afstand van De Heuvel, een plaats waar zich nu 52 jaar geleden afschuwelijke gevechten hebben afgespeeld. In het gebied bleef geen steen op de andere. De Duitsers lieten geen poging onbenut om de tactisch belangrijke Heuvel te kunnen behouden. Granaten, geweervuur, kolossale tanks (Königstigers) en kanonnen lieten geen spaan heel van het gebied.
    Na de oorlog verrees de volgende Stuiver, die nu blijkt de àllerlaatste te zijn. De koopmannen van de Nederlandse Spoorwegen zijn al aan de deur geweest.
    „Maar ze boden veul te weinig.”
    Ze heeft oog noch oor voor de autoweg achter de woning en wijst naar het noorden. „Een prachtig uitzicht. En praat me niet over die vrijstaande woningen van vandaag de dag. Dìt is vrijstaand, helemaal niks in de buurt. Dat hier is toch een hemel op aarde? En zijn we daar niet allemaal naar op zoek? Nee, dan zullen ze beter voor de dag moeten komen. Héél wat beter.”

    De Laatste Stuiver staat aan een blindedarm van de Dikelsestraat. Het straatnaambordje staat weliswaar op de gevel, maar niemand zal het lezen. Het weggetje loopt sinds een jaar op zeventien dood. Sinds het moment waarop de A15 als een mes de rechtstreekse verbindingen met Bemmel heeft afgesneden.
    Ook de Karstraat, waar de Dikelsestraat op eindigde, werd omgelegd. Vier kaarsrechte rijen peppels van pakweg tweehonderd meter herinneren nog aan de oude, van oorsprong gevaarlijk kronkelende verbinding tussen Huissen en Bemmel.
    Het wegdek heeft plaatsgemaakt voor gras en brandnetels, verder groeit er weinig.
    Zowel het oude stukje Karstraat als het eindje Dikelsestraat hebben hun langste tijd gehad. Ze moeten plaats maken voor een spoorweg.
    Berta wijst: „Kijk daar bij die hoogspanningsmast, dáár moet ie komen. Ze hebben het me al verschillende keer verteld en uitgetekend.”
    De mast (nummer 42, volgens een knalgeel bord) staat in een weiland dat pas gemaaid is. Maar ook langs de slootkant groeit weinig bijzonders meer. De schermbloemen zijn afgestorven. De bruine restanten worden door de stevige wind heen en weer gezwiept. Hier en daar is nog een geel bloemetje te zien: wat boterbloemen en jacobskruiskruid. Maar het einde van het seizoen is in zicht.
    Het is niet het enige einde.

    Deze aflevering van een serie portretten van de topografische vlekjes die nog bij naam worden genoemd op de kaart van de Betuwe verscheen op 20 september in de Betuwse editie van De Gelderlander. De Laatste Stuiver is inmiddels verdwenen en het ziet er naar uit dat na jaren van touwtrekken de A15 eindelijk wordt doorgetrokken. Berta heeft uiteindelijk ook de Betuweroute niet kunnen tegenhouden.

     

    Door Joop Brons

    De Laatste Stuiver. De naam is alleen nog terug te vinden op landkaarten. En zelfs daar dreigt een roemloos einde. Over enkele jaren dendert elke drie minuten een goederentrein over het gebied.

    Berta van Piet de Stuuver heeft de hoop nog niet helemaal opgegeven. „Ik heb gisteren naar de koningin geluisterd en die zei niks meer over de Betuweroute. Als je het mij vraagt dan gaat het helemaal niet door.” Maar inwendig weet ze dat het gevecht tegen de bierkaai allang is verloren.
    Het huis draagt geen naam, maar volgens Berta Roelofs heet het gebouw wel degelijk De Laatste Stuiver. Net zoals het café, een eeuw geleden. „Hier op de plaats waar je nu staat, daar stond het. De mensen hadden geen geld en de lèste stuuver die ze nog over hadden als ze uit de kerk kwamen, die werd hier verteerd.” Haar man Piet, inmiddels in de negentig, is nog geboren in het oude gebouw. En zelfs zijn grootvader heeft er gewoond.


    In de oorlog is het met de grond gelijk gemaakt. Het pand lag op een steenworp afstand van De Heuvel, een plaats waar zich nu 52 jaar geleden afschuwelijke gevechten hebben afgespeeld. In het gebied bleef geen steen op de andere. De Duitsers lieten geen poging onbenut om de tactisch belangrijke Heuvel te kunnen behouden. Granaten, geweervuur, kolossale tanks (Königstigers) en kanonnen lieten geen spaan heel van het gebied.
    Na de oorlog verrees de volgende Stuiver, die nu blijkt de àllerlaatste te zijn. De koopmannen van de Nederlandse Spoorwegen zijn al aan de deur geweest.
    „Maar ze boden veul te weinig.”

    Ze heeft oog noch oor voor de autoweg achter de woning en wijst naar het noorden. „Een prachtig uitzicht. En praat me niet over die vrijstaande woningen van vandaag de dag. Dìt is vrijstaand, helemaal niks in de buurt. Dat hier is toch een hemel op aarde? En zijn we daar niet allemaal naar op zoek? Nee, dan zullen ze beter voor de dag moeten komen. Héél wat beter.”
    De Laatste Stuiver staat aan een blindedarm van de Dikelsestraat. Het straatnaambordje staat weliswaar op de gevel, maar niemand zal het lezen. Het weggetje loopt sinds een jaar op zeventien dood. Sinds het moment waarop de A15 als een mes de rechtstreekse verbindingen met Bemmel heeft afgesneden.
    Ook de Karstraat, waar de Dikelsestraat op eindigde, werd omgelegd. Vier kaarsrechte rijen peppels van pakweg tweehonderd meter herinneren nog aan de oude, van oorsprong gevaarlijk kronkelende verbinding tussen Huissen en Bemmel.
    Het wegdek heeft plaatsgemaakt voor gras en brandnetels, verder groeit er weinig.
    Zowel het oude stukje Karstraat als het eindje Dikelsestraat hebben hun langste tijd gehad. Ze moeten plaats maken voor een spoorweg.
    Berta wijst: „Kijk daar bij die hoogspanningsmast, dáár moet ie komen. Ze hebben het me al verschillende keer verteld en uitgetekend.”
    De mast (nummer 42, volgens een knalgeel bord) staat in een weiland dat pas gemaaid is. Maar ook langs de slootkant groeit weinig bijzonders meer. De schermbloemen zijn afgestorven. De bruine restanten worden door de stevige wind heen en weer gezwiept. Hier en daar is nog een geel bloemetje te zien: wat boterbloemen en jacobskruiskruid. Maar het einde van het seizoen is in zicht.
    Het is niet het enige einde.

    Deze aflevering van een serie portretten van de topografische vlekjes die nog bij naam worden genoemd op de kaart van de Betuwe verscheen op 20 september in de Betuwse editie van De Gelderlander. De Laatste Stuiver is inmiddels verdwenen en het ziet er naar uit dat na jaren van touwtrekken de A15 eindelijk wordt doorgetrokken. Berta heeft uiteindelijk ook de Betuweroute niet kunnen tegenhouden.

  • Klaphek Open or Close

    Einde van de wereld

    Het kunstwerk tussen de Zandse huizen is manshoog. Twaalf gestapelde veilingkistjes, maar dan uitgevoerd in grijze natuursteen. Het bovenste ‘kistje’ staat een tikkeltje schuin om de stapel echt te doen lijken. Steen tussen steen. Maar ook een herinnering die past bij het Klaphek, toegang tot een gebied waar tal van kleine tuinderijtjes hebben gezeten.

    Door Joop Brons

    Klaphek. Een hek dat door de schuine stand vanzelf dichtklapt. Zo simpel is de naamsverklaring van de grenspost tussen Huissen­Stad en Huissen­Zand. Het hek hing er al in de achttiende eeuw, aan het begin van de huidige Van Wijkstraat. Eeuwen geleden hield hier de wereld zo’n beetje op.
    Onland, woesternij en zand. Véél zand, dat was meegespoeld bij de overstromingen van de Rijn. Het Zand heet niet voor niets zo.

    Het terrein buiten het klaphek was in feite maar voor één zaak geschikt: het ophangen van geboefte dat zich in Huissen ophield. En dus heette deze wildernis Galgenplek, voor de veroordeelden echt het einde van de wereld.
    De enigen voor wie er hier ook nog een plaatsje was, waren de lepralijders.
    Voor deze uitgestotenen was ver en veilig buiten de Huissense stadswallen een huis getimmerd. Alleen al het uitspreken van de ziekte was voor sommigen nog heel lang reden de mond te spoelen. De naam Leprozeriestraat, die herinnerde aan het leprakot, werd om die reden pas enkele decennia geleden vervangen door Berkenstraat.
    De Galgenplek was slechts te bereiken via Den Utwegh, rond 1650 de naam van de huidige Van Wijkstraat. Het gebied werd aan het einde van die eeuw in mootjes gehakt en verkocht of in erfpacht uitgegeven. De hofjes werden aanvankelijk gebruikt voor de tabaksteelt en vorige eeuw maakte de verbouw van fijne groenten er een grote vlucht.

    Zelfs deze eeuw bleef het nog lang een grote warboel, met de Zandsestraat, de eerste en alle volgende Zandsedwarstraten, in de Huissense volksmond de sträötjes geheten. Het was er afzien voor de bewoners: baggeren door de modder, gebrek aan riolering. Op zondag met laarzen onder het zondagse pak naar de kerk.
    Eind van de jaren zestig kwam daarin verandering. Huissen, onder aanvoering van burgemeester Stadhouders, besloot tot de invoering van een baatbelasting.
    Met de opbrengst daarvan zou ook het Zand kunnen worden voorzien van goede wegen en een deugdelijke riolering. Maar de belasting was hoog, veel te hoog volgens enkelen die prompt een oproer organiseerden. En Huissen was als altijd weer te vinden voor een opstootje. Tijdens het belastingdebat, op een zomerse woensdag in 1969, werd het gemeentehuis belegerd. Raadsleden moesten onder bescherming van ijlings te hulp geroepen politie een veilig heenkomen zoeken.
    Hent Dominicus woont aan het Klaphek. Die bewuste avond was hij bij die raadsvergadering aanwezig als lid van de fractie van Cor Leenaars. „Het ging d’r bar op buiten. Ik had op zeker moment de boerenkoolstronken op schoot liggen. Die waren dwars door de ruiten gegooid”, herinnert hij zich. De toestand was al dagen dreigend. „De burgemeester liep mee in de Umdracht, maar wel onder bescherming van enkele rechercheurs.” Hijzelf trof een dag later een groot bord aan in zijn tuin: ‘Heilige Dominicus, bidt voor het Zand’, luidde de letterlijke boodschap.

    De gewone Zandsen moesten honderdvijftig gulden baatbelasting betalen.
    Dominicus dus ook. Het waren vooral de bedrijven die flinke bedragen op tafel moesten leggen. Het verhaal is bekend van de kolenhandelaren Jo en Henk van Bon, van De Valom. In het gemeentehuis riepen ze verontwaardigd over de gepeperde aanslag: „Hoe wou je ’t hebbe’? Opgezak’ of los op de kar...?”
    „En waar ging het helemaal om,” vraagt Dominicus zich na al die jaren af.
    „Wij moesten honderdvijftig gulden betalen. Niet veel als je bedenkt wat voor voordeel je ervan had. Bij sommigen was het zo, dat als je de wc doortrok, de smurrie door de gootsteen naar boven kwam.”
    De baatbelasting heeft maar twee jaar geduurd. „Toen kwam de Zilverkamp in zicht. Daar kwam zoveel winst uit dat het Zand daaruit betaald kon worden. Ik vind het nog steeds niet eerlijk: die mensen daar moesten veertig gulden per vierkante meter betalen en dan ging een groot deel van dat geld naar hier, waar ze maar vier gulden de meter hadden betaald...”
    Op de Galgenplek is de rust weergekeerd: de bewoners van het Zandse Vierkant voelen zich niet langer opgeknoopt.
    Hent Dominicus kijkt uit op het stenen stapeltje kistjes. „Die kunstenaar uit Elst komt ook nog ieder jaar een keertje. Kijken of alles nog recht staat.”
    Lachend: „Toen het beeld werd onthuld, had ik een boerenkoolstronk in de bovenste kist gelegd. Maar dat konden ze van de gemeente niet waarderen. Werd er meteen weer uitgehaald. Ik heb die ambtenaar nog achterop geroepen: Als je honger heb, kun je hier ook nog wel boerenkool krijgen. Maar hij had geen trek.”

    Dit deel van een serie portretten van topografische vlekjes in de Betuwe verscheen begin november 1997 in de Betuwe-editie van De Gelderlander.

  • de Laak Open or Close

    Keuterboeren

    Het Koelhuis ligt nu volledig ingeklemd tussen de woningen. Het denksportcentrum is de laatste tastbare herinnering aan de oude veiling in de Laak. Een stipje op de Huissense kaart: het restant van het grote veilingcomplex waar de Huissense boeren een halve eeuw lang hun groenten naar toe brachten.

     Door Joop Brons

    ‘Willem Giesen woonde hier in De Laak. Daar haalden we de eieren. Hij pakte ze uit de bakjes, bijna onder de kippen vandaan. En als er dan eentje was gebarsten, dan slurpte hij ter plekke het ei leeg. Zie je het voor je, met die grote snor van hem?” Kees Arends barst in een schaterlach uit.
    Hij is van de naoorlogse generatie agrariërs in dit gebied. Kassen met bloemen en planten hebben de plaats ingenomen van de gemengde bedrijfjes die je hier aantrof. Boerderijtjes met een bongerd, wat vee en groenten van de koude grond. Het Laaksevoetpad deed zijn naam nog eer aan: de ontsluiting was weinig meer dan een grüsaspad. Het Knienepad, een onverharde verbinding tussen de Laak en de Bredestraat, is nog een souvenir uit die periode.
    Het smalle paadje is overigens genoemd naar de scheldnaam van Giesen.

    De naam Laak heeft alles te maken met de waterhuishouding van het gebied. De betekenissen lopen uiteen van waterdoorlatend, bevloeien en filtreren, tot overgebleven stilstaand water. Hier verzamelde zich vroeger het kwelwater, waardoor het gebied vaak drassig was. Een soortgelijk gebied was het naastgelegen Rozendaal, zo concludeert S. Oedin. Hij is wereldberoemd in Huissen vanwege zijn sociaal­geografische analyse van het stadje.
    De Laak, lees: terrein Het Rozendaal, was op tweede Paasdag 1935 het podium voor het groeiend ongenoegen van de kleine boeren. Zij voelden zich in de kou gezet door de grote boerenbonden, maar ook door de regering met haar Landbouwcrisiswet van 1933. De weerstand van de boertjes richtte zich vooral op de beperking van de landbouwproductie. Die beknotting was een regelrechte aanslag op de toch al nauwelijks gevulde boerenbeurs. Huissen bleek een goede voedingsbodem voor dit ongenoegen. A. Bouwman, actievoerder uit Puiflijk, slaagde erin liefst zevenduizend ontevreden boeren naar de Laak te lokken.
    Burgemeester Dony, zelf bestuurslid van de tegenpartij, de grote ABTB, vreesde ongeregeldheden. En terecht. Op het terrein kwam het enkele keren tot incidentjes tussen de boerenleiders en Dony. De laatste dreigde op zeker moment zelfs Bouwman van het terrein te laten verwijderen door de reeks veldwachters die hij had opgetrommeld. Deze dag werd besloten de Actie Bouwman een politiek karakter te geven. Het mocht niet baten. Bouwman haalde nooit de Tweede Kamer, ondanks de 803 stemmen uit Huissen.
    Het Rozendaal bracht in de dertiger jaren nog enkele keren de boeren bij elkaar, in feite ook door de armoede gedreven. Huissen telde na de eerste wereldoorlog een kleine duizend kassen, waarin vooral druiven werden gekweekt.

    In de dertiger jaren zat de klad in de prijzen. Burgemeester Dony (dezelfde) bedacht toen het plan de Huissense druif met feesten te promoten. Een kleurrijke optocht, grote praalwagens en een groot festijn op het Rozendaal maakten inderdaad de Huissense druif tot een topprodukt. Althans in 1934.
    Daarna zakte de markt weer in.
    In 1938 werd met een nieuw feest geprobeerd het succes van enkele jaren eerder te evenaren. De truc lukte. Liefst 15.000 mensen kwamen naar Huissen.
    Maar veel plezier hadden de tuinders niet aan hun inmiddels landelijke bekendheid. De oorlog haalde een lelijke streep door de rekening.
    Zestig jaar later is er in de Laak weinig meer terug te vinden van de betrekkelijke armoede van toen. Het Laaksevoetpad is, nu met hulp van de overheid, promoveerd tot een volwassen geasfalteerde ontsluitingsweg. Aan de weg liggen wat moestuintjes, waarop de groente van de koude grond nog volop wordt verbouwd. De hoogte van de zonnebloemen, inmiddels de drie meter ruim gepasseerd, verraadt er dat het einde van augustus alweer in zicht komt.

    Aan het begin van het Laaksevoetpad staat nog een andere herinnering aan vroeger dagen: de diepvries. Het gebouwtje was een uitkomst voor de thuisslachtende boeren. Ze konden hun geslacht varken invriezen in een gehuurde ruimte. Want de diepvrieskist thuis is pas een vanzelfsprekendheid van de laatste twintig jaar.

    Half augustus 1997 verscheen deze afelvering van Hel en Hemeltje in de Betuwe editie van De Gelderlander.

  • de Kattenleger Open or Close

    Valeriaan

    Het gebied is zo Betuws als maar mogelijk is. Peppels, bieten en mais bepalen het gezicht. En niet te vergeten grote knalrode kersen: morellen. Ze zijn op deze warme, winderige julidag nog net niet helemaal rijp, maar ze kleuren al prachtig tussen het diepe groen. De netten moeten nog over de bomen worden gehangen, maar dat meevallertje is de spreeuwen tot op heden ontgaan.

    Door Joop Brons

    De berm van de Kattenleger in Bemmel is nagenoeg volledig kaalgeslagen.
    Machinaal is het in het wild groeiende gewas neergesabeld. Kennelijk met als enig doel de weg aantrekkelijk te houden voor de Betuwse Jos Verstappens in Bemmel en Elst: de automobilisten die het Bredelaars­circuit regelmatig afwisselen voor de racebaan die Katteleger heet. Het geel­bruine restant van de berm (vluchtstrook?) bevat behalve stoppels weinig meer dan een colablikje en wat ander afval.

    Toch is er gelukkig nog wel wat kleurigs te ontdekken aan de slootkant. De paarse voederwikke is zo’n voorbeeld of het gele St. Janskruid. Dat laatste, ook bekend als Hypericum, heeft een geneeskrachtige werking, evenals de rustgevende Valeriaan. De wit­rose bloeiende, riekende valeriaan komt veel voor in de sloot langs deze weg. Het verhaal wil dat deze bloem aantrekkingskracht uitoefent op katten. Maar degene die meent dat de straat dáár zijn naam aan ontleent, slaat de plank faliekant mis.
    In de straat laat zich geen kat zien. Maar dat zou ook veroorzaakt kunnen worden door de twee woest blaffende bouviers, halverwege. De honden maken zo’n angstaanjagende herrie dat, het hek ten spijt, medelijden op z’n plaats is voor de krantenbezorger en de brievenbesteller die hier dagelijks spitsroeden moeten lopen.
    De kat, waarop in de naamgeving wordt gedoeld, heeft een andere betekenis.
    Het is een vingerwijzing naar de Catti, een Duitse stam. Uit deze stam zijn de bij ons beter bekende Bataven afkomstig. Ze zouden zich na een binnenlands oproer hebben afgescheiden van de Catti.
    Deze allereerste bewoners van de Betuwe zouden bij Angeren de Rijn zijn overgestoken. Geschiedkundige Jan Wolters houdt dat voor heel goed mogelijk. De Rijn moet daar destijds zo weinig water hebben bevat, dat de historische ontdekkingsreizigers te voet de rivier konden passeren. Bekend is dat De Heuvel een Bataafse nederzetting van betekenis is geweest. Enkele honderden meters verderop ligt de Kattenleger. Wat is dan logischer dan te veronderstellen dat de eeuwenoude naam daaraan is ontleend?
    Geen gehucht zonder gerucht, geen straat zonder verhaal. Dat geldt zeker voor de Kattenleger. In het meer recente verleden schreef deze buurt ook geschiedenis, zij het van criminele aard. Maandag 12 juli 1982 verdween een 15­jarig meisje uit Arnhem spoorloos. Twee dagen lang zocht de politie vergeefs naar sporen van Ingrid die in Bemmel op Klein Baal kersen wilde gaan kopen.
    Op 14 juli werd het meisje gevonden. Vermoord. Ze lag naast een greppel langs de Kattenleger. Drie dagen later was de moord opgelost. Ingrid had een lekke band gekregen en had in de buurt aangebeld. Haar verzoek om hulp werd haar noodlottig: ze werd door de zoon des huizes misbruikt, gewurgd en verborgen in de slaapkamer. Hij besloot enkele dagen later haar lichaam op een gestolen motor naar elders te vervoeren. Die poging mislukte. Het dode meisje werd achtergelaten bij de greppel.
    De moord. Een pikzwarte bladzijde uit het geschiedenisboek van deze weg.
    De Kattenleger: een slootkant vol valeriaan staat nog niet garant voor een rustig buurtje.

    Deze aflevering in de serie Hel en Hemeltje verscheen op 19 augustus 1996. De serie verscheen tussen ’96 en ’98 in de Betuwe-editie van de Gelderlander.

  • Holthuizen Open or Close

    Bloedige degenmoord

    De doorkomende zon vaagt kort de kleurnuances weg. Rimpels blinken op het diepzwarte water. Aan de rand van de schitterende kolk zit een aalscholver op een boomstronk. Even strekt hij zijn nek en dan vliegt hij traag klapwiekend laag over het water weg. Achterblijvers zijn er in overvloed aan de waterkant.
    In de talloze bomen zingt het groot vogelkoor het hoogste lied.

    Door Joop Brons

    De natuur in het Huissense Holthuizen kent twee gezichten. Aan de ene kant de wilde pracht van uitbottende bomen aan de rand van het water, ongeregeld struikgewas tegen het dijktalud en panorama­achtige doorkijkjes over de weilanden. Anderzijds wordt de natuur duidelijk gestuurd door de mens.
    Gemaaide plantsoenen aan de Zilverkamprand. Weilanden waarin witte banden de paarden binnen en zilverachtig prikkeldraad nieuwsgierigen buiten moeten houden. En de kolk zelf is het heiligdom van het hengelend deel van de Arnhemse politie. Nieuw aangebracht prikkeldraad en pas geplante doornstruiken zijn de aangepaste dienstwapens tegen de zwartvissers.

    En de mens speelt een steeds belangrijker rol in het parkachtige natuurgebied. De boompjes die nu her en der worden geplant, zijn nog maar een klein voorschot op het grote Stuitbos, dat over enkele jaren hier moet beginnen. Op dit moment is Holthuizen vooral het toneel voor ruiters en paarden, zo vertelt een grote buitenbak met schijnwerpers. Aan de Arnhemse kant van de dijk ligt een groots opgezet plantsoen. Park Immerloo, een uitgaanscentrum voor de stedelijke stoeppoepertjes.
    De herkomst van de naam Holthuizen is niet helemaal duidelijk. Een bord van het Polderdisctrict Betuwe zegt dat Holthuizen wijst op het houtgewas dat hier al eeuwenlang welig tiert. De dijk zou in 1727 al zo dicht begroeid zijn met essen, iepen, wilgen en heggen dat naulijkcx son of wint daer over kon schijnen of waijen. Ook de Historische Kring Huessen houdt die mogelijkheid open. Een andere optie is de Middelnederlandse benaming Holthuus, wat simpelweg houtschuur betekent. De derde variant die wordt genoemd is vernoeming naar de Kleefse leenman die al in 1392 wordt genoemd: Arnd van Holthusen.
    In die periode was er nog geen sprake van een kolk. Dat water is pas ontstaan bij de dijkdoorbraak in de nacht van 11 op 12 januari 1651. Eerst spoelde de monsterlijk gezwollen Rijn de Malburgse dijk weg en vervolgens brak het water door de Holthuizerdijk. De Betuwe veranderde op slag in een grote zee. Arnhemmers kwamen de gedupeerden in het verdronken gebied te hulp met brood, kaas, kaarsen en lampenolie. Een watersnoodsteen in Culemborg wijst ook nu nog aan hoe hoog het water in 1651 in de Betuwe heeft gestaan.

    Het herstel van de dijk liet lang op zich wachten. Huissen vond het allemaal wel goed, omdat het water uiteindelijk toch van het Kleefse gebied wegstroomde.
    De rechter moest er zelfs aan te pas komen. Uiteindelijk duurde het tot het najaar van 1651 voordat een aannemer voor zesduizend gulden bereid was de dijk weer waterdicht te maken.

    Anno 1997 is het een wat vreemd gezicht: een dijk die als een grens tussen Huissen en het volgebouwde Arnhem loopt. Een waterkering met duizenden woningen tussen Rijn en dijk. Sinds 1977 is er dan ook geen sprake meer van een bandijk.
    Holthuizen heeft nog meer geschiedenis, zo heeft de Historische Kring Huessen uitgevonden. In 1795 speelde zich op Groot Holthuizen (de plaats waar de huidige boerderij staat) een bloederig drama af. Kroatische soldaten uit het Pruisische leger, die Huissen tegen de oprukkende Fransen moesten verdedigen, sloegen bij de komst van de vijand aan het plunderen.
    Op 10 januari 1795 om ongeveer tien uur ’s avonds, drongen vijf Kroaten binnen bij de broers Derk en Peter Brands. Zij eisten geld en horloges van deze bewoners van Groot Holthuizen. Toen de broers aangaven geen horloges te hebben, sloegen de soldaten wild met hun degens om zich heen. Derk probeerde de slagen met een opgeheven arm af te weren, maar het gruwelijke gevolg was dat arm en hoofd in één hauw werden afgeslagen. Zijn broer Peter, ernstig aan zijn gezicht gewond, moest machteloos toezien hoe Derk werd afgeslacht. Hij overleefde de overval dankzij de geneeskunsten van de Huissense chirurgijn Budding. De rovers gingen er met vijfhonderd gulden vandoor, zonder ooit nog gepakt te worden.

    Holthuizen kwam in de serie Hel Hemeltje (verschenen in de Gelderlander) in april 1997 aan bod.

  • Kamervoort Open or Close

    Alternatief genezen

    Het miezert een beetje. Maar de spatjes staan in geen verhouding tot de dichte mist die dagenlang luiken voor het vergezicht heeft gehangen. Vooral op enige afstand van Angeren reikt het zicht nu kilometers ver. Namen als Ruimzicht en De Wijde Blik spreken boekdelen in de Kamervoort.

     Door Joop Brons

    Het ijs ligt nog op de sloten, gebarsten en afgebroken door de daling van de waterspiegel. De winter moet afschuwelijk zijn geweest voor de scholieren die de kou verbijtend op hun fiets tegen de striemende oostenwind in moesten tornen om thuis te komen. De Kamervoort biedt ze amper beschutting. En sinds het nieuwe fietspaadje is ook de gezelligheid verdwenen. De carnavalisten zeiden het afgelopen weekeinde al: naast elkaar fietsen is alleen nog mogelijk bij gehalveerde fietssturen.
    De Kamervoort is een plek met een heel lange geschiedenis. Angeren­kenner bij uitstek, Robert Melchels, zegt zelfs dat in de prehistorie het gebied al werd bewoond. De hier opgegraven bodemschatten lijken hem gelijk te geven.

    De naam Kamervoort is afgeleid van twee elementen. ‘Voort’ komt van doorgang of een doorwaadbare plaats. En dat klopt. De hele weg van Angeren naar Bemmel ligt op een hoger gelegen stroomrug. Kamer is afgeleid van Camere, wat zoveel wil zeggen als voorzien van een gewelf, of van een stookplaats, of van een gevangeniscel. Boerderij Kamervoort heeft ze alle drie.
    De boerderij ligt niet eens aan de naar haar genoemde straat, maar aan de Rietkampseweg. Vooraan een lange oprijlaan staan twee smeedijzeren hekken, waarop de naam Kamervoort te lezen is. Het markante gebouw is kolossaal en vooral hoog. Het is onmiskenbaar dat het royale huis in een grijs verleden door iemand met veel geld moet zijn gebouwd. Intussen is het de oudste woning van het dorp: in 1776 werd de hofstede al genoemd in een acte. De oorlog, die ook in Angeren verwoestend heeft uitgehaald, heeft ‘gelukkig’ alleen het achterhuis vernield.
    Het verhaal gaat dat de boerderij via een onderaardse gang was verbonden met de Rietkamp, een buurman. Een echt bewijs daarvoor is nooit geleverd.

    Kamervoort wordt al drie generaties door de familie Emmerzaal bewoond.
    Grootvader Bram Emmerzaal was raadslid en wethouder. Dat laatste was opvallend, omdat hij in de gemeenteraad kwam namens het protestants­christelijke bevolkingsdeel in een samenleving die vrijwel uitsluitend uit katholieken bestond.
    Maar er is meer dat Kamervoort tot een fenomeen maakt. Onder de oude boerderij bevinden zich gewelven, die nu nog slechts worden gebruikt voor de opslag van wat wijn. In deze ruimte bevindt zich een sinister hol, een pikdonkere cel. Door een vierkant gaatje in de decimeters dikke muur, vallen indirect wat verloren lichtstraaltjes langs twee tralies. Het kan niet missen, dit moet een gevangeniscel zijn. De deur, die het hol vroeger heeft afgesloten, is nu in gebruik als kastdeur. De schuif waardoor het voedsel naar binnen werd gegooid (?) is nog te zien.

    De cel werd heel lang geleden gebruikt om geestelijk gehandicapte kinderen in op te sluiten. Bij gebrek aan voorzieningen zoals die vandaag bestaan, namen mensen uit de stad hun toevlucht tot dit soort macabere oplossingen. En daar werd dan ook nog eens flink voor betaald. Maar ongetwijfeld zullen ook dronken landarbeiders en het echte geteisem eens tegen de verkeerde kant van de deur hebben aangekeken.
    Het was destijds nog niet best gesteld met de geneeskunst. Vorige eeuw was daar andermaal een voorbeeld van te vinden op Kamervoort. Er heerste hondsdolheid en ook op de boerderij was iemand met deze fatale ziekte besmet.
    Uit hevige angst om aangevallen te worden en ook deze gevreesde ziekte op te lopen, besloot een andere bewoner de hondsdolle man het ultieme medicijn toe te dienen: de man werd gesmoord met een kussen. Het besmettingsgevaar was daarmee inderdaad geweken...

    Deze aflevering van Hel en Hemeltje stond in januari 1997 in De Gelderlander.

  • De Heuvel Open or Close

    Klein Lourdes

    Het lijkt een hemelse toneelsetting. Vanuit een gouden gat in het grauwe wolkendek straalt het zonlicht in bundels op het kapelletje. Het piepkleine bedehuisje in de schijnwerper staat vol met bloemen. Hier staat het beeld van Maria van de Bloeiende Betuwe, een herinnering aan de soldaten die op deze plaats sneuvelden.

    Door Joop Brons

     ‘Dei Parae Betua Florensis’, zegt een bordje op de kapel. Maar van een bloeiende Betuwe is de directe omgeving nog weinig te bespeuren. De krentenboom met z’n witte bloemetjes moet in z’n eentje de naam van Maria waarmaken. Een bijna onmogelijke opgave. Enkele honderden meters verderop staat een laagstam appelbongerd, maar de bloei laat ook hier nog op zich wachten.
    Bijna uit het zicht grazen schapen. Speelse lammetjes huppelen tussen wat bomen die wel die uitbundige Betuwse lentetooi dragen. Het zijn kersenbomen. De rode pitvrucht heeft de Betuwe te danken aan de Romeinen, die ooit op en rond De Heuvel hebben gewoond. Lucullus, de Romeinse consul die honderd jaar voor Christus leefde, bracht de kers vanuit Klein Azië naar Rome. Zo leerden ook de Bataven, als strijdmakkers van de Romeinen, de vrucht kennen.
    De bloeseming mag buiten de kapel nog niet tot volle wasdom zijn gekomen, in het gebouwtje lijkt het wel een bloemenwinkel. Drie, vier schappen vol bloeiende planten en kleurige bloemen. Droogbloemen aan de muur en slechts sporadisch een nepboeket.
    Alles in de kapel ademt een devotie aan Maria. Foto’s, een rozenkrans aan de muur, een Mariabidprentje met een noveengebed. Het is een beetje Klein Lourdes.Een plastic beeldje met Lourdeswater versterkt die indruk. Zo ook de brieven en opschriften die melding maken van de steun die bezoekers hier vinden. De bloemen op de schappen kennen geen dorre blaadjes. En het is onwaarschijnlijk schoon in de kapel die midden in de weilanden staat.
    Beschermvrouwe is Grada Janssen, die dagelijks een pelgrimage maakt naar de Heuvelsestraat. Haar inzet wordt breed gewaardeerd. Henny Huisman huldigde haar in zijn Surpriseshow en Benny Nijman bezong haar toewijding. Vorig jaar kreeg ze een koninklijke èn een pauselijke onderscheiding. Maar echt trots is ze op de onderscheiding van Canadese veteranen.

    „Dat was een hele mooie morgen, toen we naar de kapel gingen. Er waren zelfs nog veteranen bij die op die plaats hadden gevochten. Zoiets doet je toch wat...” In de kapel hangt een brief waaruit blijkt dat het ook de Canadezen niet onberoerd heeft gelaten. „For family it has to be a comfort that for their distant son Grada Janssen allways burns that candle.”
    Want datzelfde kapelletje is in feite het oudste oorlogsmonument van de Betuwe. Op zaterdag 17 augustus 1946 trok een processie van Bemmel naar de Heuvel, waar deken dr. W. Mulder de nieuw gebouwde kapel inwijdde. Ter herinnering aan de oorlogsdoden. Twee jaar geleden werd de laatste ‘processie’ gehouden, ter gelegenheid van de 50­jarige bevrijding.
    De kapel staat op een plaats waar hevig is gevochten. Na de evacuatie troffen de Bemmelnaren hier een luguber niemandsland aan, vol mijnenvelden, kapotgeschoten tanks en kadavers van dieren. Duitse pantserdivisies en Engelse infanteristen vochten hier hun verbeten oorlogsstrijd op vreemd grondgebied.
    Van 26 september tot 4 oktober 1944 was De Heuvel een dodelijke hel, waar de grond rood gekleurd was van het bloed dat hier vloeide.
    Toch is het gebiedje, een berg in het Betuws platteland, eeuwenlang een symbool van leven geweest. Volgens amateur­archeoloog A. Bredie bewijzen bodemvondsten dat De Heuvel al in de ijzertijd als woongebied heeft gediend. De hoogte beschermde de bewoners tegen de grillen van het rivierwater dat hier vlak langs moet hebben gelopen. Tot pakweg 1700 was het een woonoord, waarvan een groot deel toebehoorde aan het klooster Mariëndaal bij Arnhem. Dat verklaart de vele archeologische vondsten die hier zijn gedaan.
    Maar het graven is sinds de oorlog niet meer zonder risico. De kans op een granaat is aanmerkelijk groter dan op een Bataafs souvenir.

    Het verhaal over de Heuvel stond in april 1997 in de Betuwe editie van De Gelderlander. Inmiddels heeft Exodus een luisterkei bij het kapelletje geplaatst over de oorlogshandelingen in het najaar van 1944.

  • De Overkant Open or Close

    De overkant

    Afgelopen zondag zal het zo ongeveer de zestigste keer zijn geweest dat Sint Nicolaas in Huissen werd ingehaald aan het Looveer. Het gebruik werd ingevoerd aan het begin van de jaren dertig, toen de winkeliers hun krachten gingen bundelen. En nog steeds speelt de pont een belangrijke rol in de intocht. De varende oeververbinding doet eens per jaar dienst als aanlegplaats voor de lokale stoomboot.

    Door Joop Brons

    Het lijkt alsof de dag des oordeels is aangebroken. Van het ene op het andere moment wordt de hemel inktzwart. Zwermen meeuwen zorgen voor een witgespikkelde krib, die fraai contrasteert met de dreigende lucht. Zelfs de grauwe rookwolken van het Arnhemse industrieterrein steken er nog licht bij af.
    Een schietwilg waarvan het bladerdek dun begint te worden, maakt het woeste rivierbeeld compleet. De Middelwaard aan de overzijde van de Rijn is geografisch opvallend te noemen.
    Het zijn de overzeese gebiedsdelen van de gemeente Huissen, zoals de enkele bunders grond wel eens gekscherend worden genoemd. De overkant telt slechts enkele Huissenaren. M. Reijers is één van hen. „Ik voel me sociaal gezien vooral een inwoner van Loo. Als het kermis is en zo. Maar dat neemt niet weg dat ik vaak genoeg naar de overkant ga.” Ik moet er naar de veiling, ik kom er voor vergunningen en soms ook voor boodschappen. En als ik moet kiezen voor de gemeenteraad, dan weet ik ook best waar mijn voorkeur naar uit gaat.”
    De uiterwaarden liggen er troosteloos bij. De kraaien die er vliegen dragen weinig bij aan de opfleuring van het landschap. Ook de werkzaamheden aan de oostelijke Rijndijk zijn niet opbeurend. Zwarte lappen bedekken grote delen van het grauwe groen van het talud. Zelfs de koeien die er grazen zijn zwartbont.
    De Middelwaard is door een andere stroomroute van de Rijn enkele eeuwen geleden van Huissen afgesneden. Maar het contact tussen de beide oevers is nooit helemaal verbroken. Dit jaar is het precies drie eeuwen geleden dat voor het eerst sprake was van een pontveer. Kort daarna kwam er zelfs een veerhuis in De Middelwaard, op een plaats die Dorren Heuvel werd genoemd. Er bestaan tal van prachtige, soms heroïsche verhalen over de gierpont. Heel recentelijk nog werd een pontbaas van boord gehaald, omdat hij beschonken heen en weer ging. En iedere Huissenaar kent de verhalen over het losslaan van de pont, waarbij het vaartuig met stroom mee richting IJsselkop dobberde. In de tweede wereldoorlog was de pont een schakel in de ontsnappingsroute van neergeschoten piloten. Toen de Duitsers ook dreigden de profiteren van de pont, bracht een van de zonen van de veerbaasfamilie Martens het vaartuig koelbloedig tot zinken.
    Ooit schijnt de pont te zijn gebruikt door een geestelijke in een geslaagde poging een spook naar de overkant te brengen. Rond de eeuwwisseling werd de hulp van de paters Dominicanen ingeroepen om de buurt tussen Bloemstraat en Struifstraat in Huisen te ontdoen van spookverschijnselen. Mensen daar zouden worden geconfronteerd met een vreemde loodzware, maar onzichtbare last op hun rug.
    Een bekwame spokenjager uit het plaatselijke klooster kwam naar het geteisterde gebied. Na een langdurig gebed, slaagde hij erin de geest te vangen en hem in een doosje mee te voeren naar het Looveer. Het aanhoudende vurig bidden van de Dominicaan kon niet voorkomen dat het spook opnieuw voor problemen zorgde tijdens de overtocht op de pont. Het gewicht van de geest zou zo zwaar op de pont hebben gedrukt dat het vaartuig gevaarlijk diep in de rivier kwam te liggen. De golven klotsten al over de kleppen van de pont.
    Maar toen de pater eenmaal van boord was gegaan, kwam de pont als door een wonder weer omhoog.
    De geestelijke liet de geest ontsnappen op een moerassige plaats in de Middelwaard. Het griezelverhaal wil dat er sindsdien in de schemering, vanaf het Looveer, een man zonder hoofd te zien is aan de overkant.
    Alleen al bij de gedachte aan dit verhaal, begint het weer te spoken in de Middelwaard. Felle windvlagen jagen dikke regendruppels uit de donkere hemel over het sombere landschap.

    De aflevering over de overkant Huissen in de serie Hel en Hemeljte was begin november 1996 in de Betuwe editie van de Gelderlander te lezen.

  • Schiphol Open or Close

    Schiphol

    Het buitengebied ligt er gecultiveerd bij. Waar elders de mais manshoge grenzen opwerpt, bepalen hier bolacasia’s, platanen, ligusterhagen en buxusstruiken aan tot hoever de wandelaar vrijheid van lopen heeft. Rust en welvaart lijken een hoofdrol te spelen in Bergerden, de Bemmelse enclave in Huissen.

    Door Joop Brons

    Bergerden meet in totaal vele honderden bunders. Het gebied is groot genoeg om, na de wandeling over de Heuvelsestraat, ook een kijkje te nemen aan de oostelijke kant van deze toekomstige glazen stad. Het is hier echter niet alles toekomstmuziek wat er speelt. Op enkele plaatsen klinkt de ouverture al: in glazen bouwwerken van drie tot vier meter hoog laten de tomatenplanten de nog groene vruchten zien.
    Bergerden blijft het mistige overgangsgebied tussen Bemmel en Huissen. De bevolking kerkt, winkelt en schoolt in Huissen, maar stemt in Bemmel. En om dat nog eens te onderstrepen klept de klok van de Zandse kerk luid en duidelijk over Bergerden om de bevolking te wijzen op een dienst die op punt van beginnen staat.
    Hoe dan ook, de plaatsnamen Huissen en Bemmel op borden (en brievenbussen) horen ontegenzeggelijk thuis in Bergerden. Anders ligt het met het witte bordje dat aangeeft dat de Maasroute over de Bergerdensestraat loopt. Dat werkt op de lachspieren in het gebied waar zelfs de Linge nog meer tot de verbeelding spreekt.

    Bergerden ziet er keurig uit. Tuinen ogen goed verzorgd en zelfs de velden eikenbladsla en gewone sla vormen nette rechte bruine en groene rechthoeken in het landschap. Enkele koolwitjes fladderen in het warme zonnetje rond de vlinderstruiken. Echte boomgaarden zijn er in deze hoek amper. Fruit dient in dit gebied slechts ter versiering van de eigen tuin, of het nu gaat om golden delicious, handperen, kersen of vlierbessen.
    Ook het vee is overduidelijk meer bedoeld als vrijetijdsbesteding dan als professie. Een pony hier, een paar schaapjes daar, links en rechts een paard grazend in een particuliere wei. Alles accentueert de welvaart die in dit stukje Bergerden al decennia heerst.

    De Welvaartstraat, een doodlopende zijtak van de Bergerdensestraat, heet niet toevallig zo. Een steenrijke boer uit het westen van het land bouwde in 1930 voor zijn acht kinderen even zoveel grote woningen in Bergerden. Niet eens om zijn kroost letterlijk onder dak te krijgen, als wel om ze financieel onder de pannen te hebben. Het spreekt vanzelf dat het voor niemand moeilijk was een passende naam voor deze rijkeluisweg te vinden.
    Maar in Huissen staat de Welvaartstraat vooral bekend als Schiphol: een naam die op geen bord of kaart is terug te vinden. De bijnaam heeft de straat te danken aan de ontwerper van de huizen, oud­gemeente­architect J.C. Berendsen.
    Jan van Kees (zoals de ontwerper bekend stond) tekende in die tijd veel woningen in zijn woonplaats. Het was daarom niet verwonderlijk dat de Eldenaar Velgersdijk, die optrad als de zaakgelastigde van de rijke boer, hem als architect in de arm nam.
    Berendsen maakte van het complex woningen een fraaie perspectieftekening. Om de fraaie prent een eigentijds karakter mee te geven, schilderde hij een vliegtuigje boven de huizen. De prent werd tentoongesteld in het Laaks Koffiehuis aan de Huismanstraat en daar zorgde de Huissense volksmond al snel voor de naam Schiphol, genoemd naar de nationale luchthaven die toen net naam begon te maken. Bovendien ligt – toeval of niet – Vliegaan pal naast Schiphol.
    Geen van de acht kinderen die zo royaal bedeeld waren door hun vader is echter ooit in Bergerden gaan wonen.

    Deze aflevering van beschrijvingen van topografische vlekjes die er tussen De Hel en Het Hemeltje te vinden zijn in de Betuwe verscheen op 18 augustus 1996.

  • Ienhoud Open or Close

    Ienhoud

    Dur Joop Brons

    Eindelik ok ‘s ’n bietje aondach’ vur de ienhoud zulle’ sommige’ lèzers bej dit stukske dinke’. Want bej ons ien Huusse’ wete’ ze over ’t algemeen goed raod met ienhoud en zeker a’j met ’n paor maote’ aon de teek stao’ te pruuve’. Mor over die ienhoud geet ’t hier nie’. Ik hè’ mien d’r duk over verbaos’ hoeveul ütdrukkinge’ ’n dursnee Huussenaor kan gebrükke’ um ’n maot aon te geve’. ’n Vurbeeld. Aon taofel zei ’t jong tege’ zien moeder: ‘doe mien nog mor ’n klädje van die zoerekool’. En dat wil dan zegge’ ’n schep, en zeker gin bordvol. Met brood ku’j nog vul meer kante’ op. ’t Mèrs’ fatsoenlik is te praote’ over ’n bòtteram of over ’n snitje brood. ’t Wör al lastiger as wör gevraog’ um ’n stukske of ’n hoemp, want dan blief je lich’ met de krümmels zitte’.

    Soms zien verschille’ gevülsmaotig. A’j ’t over ’n lekker stukske meziek hèt, dan geet ’t over ‘n betrekkelik rustige geluidsproductie. Mar sprèk je over ’n hèvige drel meziek, dan is d’r èrder sprake van ’n flinke bak herrie. Ien ’t Huusses zien de ouwe maote’ ok nog niet helemòl ien onbrük gerak’. Ien de tuinbouw wör nog regelmaotig ien bunders gespraoke’. Tegeswoordig steet dat geliek aon ’n hectare, mor tweehonderd jaor terug had iedere streek zien eige’ maotvoering. Dat eigeste’ gel’ ok vur ’n mud, wat vandaag de dag geliek steet aon honderd liter.

    Ien ons städje zien veul begrippe’ over ienhoud nog overend gebleve’. Nim now ’n bäkske koffie, wat geliek steet aon ’n kömke of ’n pötje. Oud-burgemeester Harrie de Vries wilde ’t begrip “’n Bakkie doen’ (onder de koffie iets deursprèke’) ienvoere’. Da’s nooit echt Huusses geworde’. Effe’ ’n pötje doen ok niet trouwes. ’t Is aordig um te zien hoe ien ons dialèc’ bej maotverandering ok duk de klank verander: kom wör kömke, pot wör pötje en toet verander ien tütje. Nog één vaag ienhoudsvurbeeld. ’t Mik groot verschil of je ’n kiend of ’n bouwvakker um ’n vüsvol spiekers stuur…

    De enige die duidelijk maot wis’ te houwe’ was Alida Moorman vroeger. A’j ien hur winkeltje (’n mini-Kruidväätje) wa’ ha’ gekoch’ kreeg je durgaons wa’ te snoepe’. Ze stok de schep ien ’n pot snüpkes en rammelde daornao net zo lang met die lèpel tot ‘r nog mor één dröpke op lag.

    Wat te näöle’? Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Twidde persoon meervoud Open or Close

    Twidde persoon meervoud

    Dur Joop Brons

    Soms is Huusses as taol zelfs vur Huussenaore hoggere wiskunde. Vur sommige dinge’ hè’j ’n taoleknobbel nodig. De twidde persoon meervoud is ’n sprèkend vurbeeld, en dan hè’k ’t nie’ over een van de vörrige burgemeesters, die rond de eeuwwisseling zeg mor de erste Persoon van Huusse’ was. Tegeswoordig spöl ok de twidde Persoon al ’n hèvige rol ien Huusse’ as baos van de brandweer. En dat is dan nog steeds inkelvoud. Nee, as hier ik schrief over de twidde persoon meervoud dan bedoel ik ’t Huusses vur wat ien Hooghollands jullie wör genümd. Bej ons wör gillie tegen òllie gezeid. Of andersöm netuurlik. Wej hadde’ hier ’n blaosorkest dat ’t helemòl smèrrig miek, dur rond carnaval as Gillie vur Ollie dur Huusse’ te träöte’. Snappe’ gillie ’t nog steeds? Of bu’j de draod al ’n bietje kwiet? Toch kan ik ’t òllie niet duidelijker ütlegge’. En ’t lej nog iengewikkelder, want je kun ien ’t Huusses nie’ zegge’ ‘gillie vaoder’, mor wel ‘òllie bruur’.

    En a’j hier over andere minse’ pròt – en nim van mien aon dat Huusse’ op dat punt net zo’n stad is as ieder ander dörp – dan sprèke’ ze bej ons van zillie. Of van hullie, mor dat vül meer as ’n soort van roddele’. En zej is netuurlik ok toegestaon. D’r zien zelfs van die minse’ die hunnie gebrüke’: mor da’s now echt héél fout Huusses. A’j dat allemòl lèès, dan ku’j begriepe’ dat ok minse’ die gin dialec’ sprèke’ duk ien de war rake’ en praote’ over ‘hun zeggen’ ien plek van ‘zij zeggen’. Um kort te gaon: Nederlands is al iengewikkeld, mor Huusses is helemòl nie’ mèr te volge’. A’j d’r tenminste nie’ bun gebore’ en groot gebroch’.

    Eén geluk hebben wej. En dat is dat wej gin wullie, wollie of willie of andere onzin kenne’ vur wej of ons. Want op ons zien wej bar gek. Wej zien ummers nogal bezitterig aongeleid ien Huusse’. Onze moeder, onze Grad en ollie Bets, um mor ’s wat te zegge’. En netuurlijk hullie Piet. En laot al die büttestaonders mor näöle over da’ dialec’. Zegge’ gillie mor tege’ hullie: ’t kan wel krom zien, mor üteindelijk blief ’t wel òns Huusses. Dèh!

    Wat te näöle’? Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.