Verhalen over/uit Huissen

De Sectie Beeld en Geluid heeft diverse verhalen verzameld. Gezamenlijk leveren zij een beeld op van het Huissen toen en nu.

  • Sipke de Jong en familie te Nes op Ameland Open or Close

    Sipke de Jong en familie te Nes op Ameland

    Door: Anne de Jong

    d.d. 8 maart 2017

     Deze week kreeg ik vanuit de Historische kring Huessen de vraag of ik ook informatie had over notaris Sipke de Jong, familie van kardinaal De Jong, en bij leven notaris te Huissen. Nu wil het toeval dat ik een blikken doosje heb staan met daarin een briefwisseling gedurende 40 jaar van notaris Sipke de Jong met zijn familie op Ameland. Graag licht ik voor geïnteresseerden de deksel.

    Uit een familie kroniek wat ik aan het schrijven ben:

    Sipke M. de Jong werd geboren 21 september 1861 te Nes, als vijfde kind van totaal acht, van het echtpaar Jan Sipkes de Jong en Jelske Jans Metz. Jan Sipkes was de broer van Sippe Theunis en Sip Pieter waar ik al eerder eens iets over geschreven heb. Vader Jan was gemeenteontvanger, aannemer van de zeewering-werken op Ameland en gedurende 40 jaar lid van het rk Armbestuur. Op Jan zijn oude dag hield hij ook nog jongvee. De familie woonde in een commandeurswoning aan wat nu de Reeweg is, waar nu mijn ouderlijk huis staat. Ook wel bekend als bisschopswoning.
    Sipke zijn oudere broer heet Jan. Die was bakker en boer in Nes en werd de latere vader van kardinaal de Jong.Verder was er een Grietje die trouwde met Jacob Mosterman in Buren, Julia die trouwde met zeeman Jan Metz (zoon was Sip van Juul). De zusters Trientje, Aaltje, Janke en Doortje bleven ongehuwd.

    Sipke, notaris te Huissen Gld., * Nes-Ameland 21 sept. 1861, + Tilburg 11 juni 1945 , gehuwd met Anna Alard, * Maastricht 11 juni 1877 , + Tilburg 22 juli 1948 . 1 dochter Anna, * Huissen 26 januari 1901, + Tilburg 27 september 1981, gehuwd op 6 april 1924 met Jacques Goossens, chirurg.                                                                                                      Sip zijn vader was niet onbemiddeld en daarom kon Sip ook aan de wal doorleren. Uiteindelijk werd hij in 1899 benoemd door de Kroon tot notaris in Huissen. Hij is dat ruim 40 jaar gebleven. Sipke heeft altijd op afstand een belangrijke rol gespeeld voor de Amelander familie. Hij is het geweest die voor een belangrijk deel de priester studiën betaald heeft voor eerst Jan, en later ook Julius en Wieberen. Die hebben dan ook altijd veel contact gehouden met hun oom Sipke en zijn vrouw Anne Alard en later hun enigste dochter Anna met haar man dokter Goossens. Ook met de andere leden van de familie werden de contacten goed onderhouden . Vooral middels briefwisselingen, waar vaak foto’s in waren bijgesloten en vakanties op Ameland. Financieel kon Sipke wel een potje breken. Wat ook bleek uit vakanties die hij hield in een Belgische badplaats of in Ems, Deutschland. Zo schrijft hij eens over drie verkopingen van grasgewas per dag. Wat veelwerk opleverde. In de crisisjaren dertig werd het minder met de inkomsten. Toch schrijft hij dat hij Jan bij zijn bisschopsbenoeming had aangeboden om hem de bisschopsring te schenken of anders een kruisbeeld voor op zijn werktafel. (Het kruisbeeld is nu in mijn bezit).
    In een brief van 18 juni 1907 aan zijn zuster Aaltje kijkt hij terug op het sterven van hun vader een week eerder. Hij had f15,- aan de pastoor en f15,- aan de paters gegeven om daarvoor het H.Misoffer te doen. Ook neemt hij de rouwbrieven voor zijn rekening. Verder schrijft hij: "dat wanneer Janke en Trientje met hun beiden willen gaan wonen, kunnen ze dat gerust doen. Hij had hierover met Anna, zijn vrouw, gesproken en wij vinden het best om wat bij te springen. Ze hoeven dus niet bezorgd te zijn. Wij zullen zorgen dat ze netjes kunnen leven en als Door en jij Aaltje later ook bij Janke en Trientje wonen gaan zal er wellicht niet veel hulp meer nodig wezen. Enfin overleg maar eens met oom Theunis". Zo zorgden ze voor elkaar in een tijd dat er geen sociale voorzieningen waren.
    Als Janke brieven kreeg van haar broer de notaris dan werden die altijd voorgelezen aan de rest van de familie. Sipke pochte daarin wel eens dat hij f 500,-verdient had aan een bepaalde transactie. Janke wilde dat bedrag echter niet bekend maken aan de familie en las dan als ze bij de betreffende passage kwam: "ik heb oo... zoo..veel geld verdient".

    De broer van notaris Sipke was Jan. De vader van de kardinaal maar ook van mijn opa. Jan was bakker en boer. Ik ben van een latere generatie met ook melkkoeien.

    Vroeger waren de kosten voor het seminarie voor de familie van de priesterstudent. Het was grote armoede. Notaris Sipke heeft waarschijnlijk een belangrijk deel van de jarenlange opleiding betaald. Aan de foto's van het huis en tuin te zien was hij wel vermogend. Van zijn vader erfde hij landbouwgrond op Ameland. Mijn overgrootvader huurde dat. De huurpenningen waren voor de reis en verblijfkosten van student Jan in  Rome ontdekte ik in een brief. Wat mij ook opviel het grote leeftijdsverschil met zijn vrouw. Dus hij heeft even kunnen sparen voor hij aan een vrouw begon.

    Neef  Jan kwam vaak en graag bij het gezin van zijn oom. Het dochtertje was gek met hem. De vrouw van de notaris kwam uit Limburg en was gezellig en plaagde Jan wel met zijn verstrooidheid. Ze gaf hem een keer een speelgoedbeeldje van een verstrooide professor met wiebelkop. Op foto's uit de jaren 50 is te zien dat dat beeldje nog in zijn kast stond.

    U moet weten dat die seminaries maar gesloten leerfabrieken waren met allemaal opgroeiende jongens. De dag was van erg vroeg tot laat ingedeeld. In korte vakanties kon Jan niet naar Ameland, dat was in die tijd veel te omslachtig. Het seminarie was dan leeg en hij ging dan voor een week naar de huiselijkheid van zijn oom en tante in Huissen. Later toen hij vanaf 1908 in Rome studeerde verbleef hij vanaf Ameland vaak 1 of 2 nachten in Huissen. Samen met zijn studievriend Jan Smit , later bisschop in Noorwegen en in Rome.

    Dus er was een intense vriendschap. Bij de bisschopswijding schonken Sipke en zijn vrouw een mooi tafelkruis. Die staat nu bij mij.

    Ik heb ook nog ergens een foto van Jan de Jong tijdens de omgang van Huissen. 

    Van de vroege jaren van Sipke op Ameland of van zijn vervolg studies weet ik helaas helemaal niets. Ook niet of hij wellicht twee keer getrouwd was. Gezien zijn jonge vrouw. Ik raad maar wat. Maar hij was bemiddeld, zag er goed uit en een degelijke naam. Dus waarom zo laat aan de vrouw, weet ik niet.                                                                                            Zo rond 1940 kan Sipke rentenieren en verhuisd naar Mariëngaarde in Tilburg, een tehuis voor welgestelde notabelen. Het mooie notarishuis in Huissen wordt kort na de geallieerde actie Market Garden op 2 oktober 1944 gebombardeerd. In januari 1945 krijg het bejaardenhuis Mariëngaarde een V-bom op hun dak. 22 doden te betreuren. Notaris Sipke sterft 11 juni 1945.Hij is dan 84 jaar oud. Later meer over de ongehuwde zusters Janke,Grietje, Aaltje Trientje. Met dank aan Hans Hoen uit Huissen voor aanvullende informatie en een foto.

    Anne de Jong

    Vof het Zwanewater

    Verbindingsweg 12

    9163 GC Nes-Amelenand

    www.hetzwanewater.com

    bloemerstraat 1911 notaris sipke de jong dtr. annie coll. anne de jong nes ameland Custom

    de jong alard sipke en anna en dtr. annie 1915 coll. anne de jong nes ameleand Custom

    notaris sipke de jong achterkant bloemerstraat coll. anne de jong nes ameleand 1 cijfers Custom

    umdracht huissen met aartsbisschop jan de jong in de langestraat rond 1936 coll. anne de jong nes ameland cijfers 2 Custom

  • 2 Huissense missionarissen Kersten Open or Close

    2 Huissense missionarissen Kersten

    Uit de familie Wilhelmus (Willem) Hermananus en Maria Everdina (Dina) Kersten-Willemsen werden 13 kinderen geboren.

    Willem Kersten werd geboren te Elden op 11-11-1849 en trouwde te Huissen op 09-01-1878 met Maria Everdina (Dina) Willemsen uit Huissen. Dina werd
    geboren te Huissen op 14-10-1858 en overleed te Huissen op 26-09-1921 t.g.v. TBC.

    Willem had in Huissen de bijnaam: de goede man. In 1869 was Willem nog warmoezenier (tuinder). Willem Kersten kocht bij zijn huwelijk op 09-01-1878 hotel de Buitenpoort en tevens het tegenover gelegen pand café de Firma. (Vanaf 1989 is daar Blokker gevestigd). In de Buitenpoort was tevens gevestigd een Paardenstalling/Wissel. Willem deed ook aan huizen: Inzet/Afslag. Willem Kersten overleed na een ziekbed vanwege een val van de hooizolder (al of niet opzettelijk) waardoor hij hersenletsel en verlammingsverschijnselen opliep. Willem overleed te Huissen op 23-10-1916.

    Het 2e kind uit het huwelijk van Willem en Dina was Theodorus geboren: 02-11-1880 en het 5e kind was: Hendrik geboren: 17-01-1887

    Theodorus Kersten trouwde op 31-01-1906 te Huissen met Maria Elizabeth Wouters uit Huisseling volgens de trouwakte (op bidprentje staat Overloon).

    Hendrik trouwde op 02-09-1914 te Huissen met Wilhelmina Leenders.

    Uit het huwelijk van Theodorus en Maria Kersten-Wouters werd als 1ste kind Wilhelmus (Wim) geboren op: 19-12-1906. Theodorus Kersten is als jonge schilder in het glas gevallen en had vanaf die tijd de bijnaam: vuusje omdat zijn rechterhand misvormd was. Later is hij petroleumhandelaar geworden met de handkar.

    Uit het huwelijk van Hendrik en Wilhelmina Kersten-Leenders werd als 3de kind Stephanus (Steef) geboren op:19-01-1921. Hendrik Kersten had als bijnaam: de goede herder. Rond 1917, na het overlijden van zijn vader Willem (23-10-1916) werd hij eigenaar van café de Firma ( nu nog,2017, Blokker).

    Wilhelmus (Wim) Kersten volgde zijn opleiding bij het seminarie van de Kruisheren in Uden en werd op 01-08-1933 tot priester gewijd. Op 20-08-1933 was zijn eerste Plechtige H.Mis in Huissen. Hij werd missionaris in Belgisch Congo alwaar hij op 05-05-1960 overleed. Voor zijn verdienste als missionaris in Belgisch Congo werd Wim in 1951 en 1958 gehuldigd met oorkondes door Koning Boudewijn van België.

    Stephanus (Steef) volgde zijn opleiding aan het seminarie te Aalbeek bij de soc. Van Afrikaanse Missiën ( S.M.A.). Op 16-07-1946 werd Steef priester gewijd door Mgr. Paulussen te Aalbeek. Op 21-07-1946 droeg Steef zijn 1ste H.Mis op in de St. Jozefkerk aan de Rosendaalseweg te Arnhem. Steef was onder meer werkzaam te Asankrangwa-Oosterbeek-Ghana-Canada-en Cadier en Keer. In 1983 heeft Steef Noud Coetsier(--Huissen 18-11-1982) in Huissen gedoopt. De familie Coetsier woonde toen aan de Langekerkstraat 22. Noud was de kleinzoon van de nicht van Steef: Annie Kersten.

    Steef overleed te Maastricht op 24-02-2003.

    Op de website: http://defunts.smainternational.info/en/necrologe/792-le-pere-stef-kersten kunt u de levensloop van Steef lezen.

    kersten steef stef coll. website
    kersten steef (stef) coll. website

    kersten leenders hendrikus en wilhelmina vlnr. dien annie steef wim coll. wiel ewalds Custom
    kersten-leenders hendrikus en wilhelmina -vlnr. dien-annie-steef-wim coll. wiel ewalds

    kersten leenders hendrikus en wilhelmina geh. hsn. 02091914 1e huw. coll. toos baltussen kersten Custom

     kersten-leenders hendrikus en wilhelmina geh. hsn. 02091914 1e huw. coll. toos baltussen-kersten

    kersten wouters thé en maria wim en waltherus in 1928 coll. toos baltussen kersten 2 Custom
    kersten-wouters thé en maria wim en waltherus in 1928 coll. toos baltussen-kersten

    kersten wim coll. johan en toos baltussen kersten 5 Custom
    kersten wim coll. johan en toos baltussen-kersten (5)

    kersten wim met vendeliers gilden gang. koning jan arends bij de volksbond 20081933 coll. johan en toos baltussen kersten 7 Custom
    kersten wim met vendeliers gilden gang. koning jan arends bij de volksbond 20081933 coll. johan en toos baltussen-kersten (7)

    kersten wim missionaris broer van woutje kersten coll. toos baltussen kersten 2 Custom

    kersten wim missionaris  broer van woutje kersten coll. toos baltussen-kersten (2)

    w.h.w. kersten brussel 14121958 orde van leopold 2 belgië coll. wiel ewalds Custom
    w.h.w. kersten brussel 14121958 orde van leopold 2 belgië coll. wiel ewalds

  • Bijeenkomst fam.Wouters uit Huissen t.g.v. 50 jaar bevrijding. Open or Close

    Bijeenkomst fam.Wouters uit Huissen  t.g.v. 50 jaar bevrijding.

    Door: Gerard Bebseler uit Delden, 1995

    oorlog1
    Het was een heel prettige gewaarwording door de familie Wouters en aanhang te worden uitgenodigd voor een gezellig samenzijn in het kader van de bevrijdingsfeesten.
    Dat dit gebeurt in het restaurant van een nazaat van de familie Bebseler lijkt geen toeval, maar is wellicht een extra motivatie voor het welslagen van de happening.
    Inderdaad het elkaar individueel bezoeken is moeilijk, maar dat het nu op deze manier gebeurt is schitterend. Immers de band met de familie Wouters is ontstaan door het oorlogsgewelddat Huissen e.o. na de luchtlanding van de Geallieerden in september 1944 trof. Dat is een aparte maar toch ook innige band. Wanneer we heden ten dage de vluchtelingenstroom in het voormalige Joego-Slavië bezien, dan denken wij ouderen nog wel eens terug aan het najaar 1944, toen ook de familie Wouters met wat have en goed het oorlogsgeweld ontvluchtte en misschien door puur toeval in Delden terecht kwam.

    Onderkomen in Delden.

    Het eerste onderkomen vond de familie Wouters bij bakker Vehof te Zeldam gem.Ambt-Delden. Het pand van die familie lag langs de straatweg van Delden naar Goor. Over die straatweg trokken de Duitse troepen terug en natuurlijk was dit voor de Geallieerde oorlogsvliegers aanleiding bij tijd en wijle beschietingen uit te voeren. Speciaal vader Wouters – Stefke is een meer bekende benaming – had de schrik, na de in Huissen opgedane oorlogservaringen, flink in de benen. Na een tweetal weken werd uitgezien naar een ander adres en hiervoor werd de Deldense geestelijkheid ingeschakeld. Ik herinner me nog goed dat de kapelaan een bezoek aan ons afstak om de verhuizing van de familie Wouters naar huize Bebseler te regelen. De solidariteit onder de bevolking was door de vele intimidaties van de moffen tot grote hoogte gegroeid en mijn ouders stemden toe, zonder ook maar even te overwegen welke mensen zij in huis haalden.Ik zie ze nog aankomen. Vader Stefke en vrouw”zusje”. Nog niet geheel op de hoogte hoe een mensenleven zich ontwikkelde, dacht ik toch dat – ondanks de schrale oorlogstijd – zus Wouters voldoende boerenkool naar binnen had gewerkt om te groeien naar een bepaalde status. Maar wist ik dat een kindeke klein zich ontwikkelde in de moederschoot. Op 1 november 1944 kwam het naar buiten in het ziekenhuis te Delden. Dat mijn moeder Engel heette was niets bijzonders, maar dat de baby naar haar zou worden genoemd raakte bij een ieder van ons een gevoelige snaar. Ze is dus nu al 50 jaar die lieveling, aanvankelijk opgegroeid met melk van de Twentse roodbonte koeien. Het is haar aan te zien.Met de ouders kwamen Hans (4 jaar) en Miep (2 jaar) de deur bij ons binnen. De eerste dagen waren goed voor wat verkenning. Met Miep ging ik naar de appelhof om de van de bomen gewaaide appels op te rapen. Het kind begon plotseling te brullen en wilde naar haar moeder. “Nu niet langer meer “schrauwen”zei zus. Ofschoon er uiteraard geen vertaler in de buurt was, begreep ik toch waar het om ging. Hans speelde al vlug met de buurtkinderen, ook met Jootje van de Kampmeester. Die laatste kwam op een gegeven moment bij ons de deur binnen en zei hevig verontwaardigd:”Hansje hef aower’n overal hen dret’n”. Met nog een beetje kennis van de Twentse taal is ook hiervoor geen vertaler nodig. De vergelijking tussen koe en stier had Hans nog niet helemaal door. Zeer verbaasd constateerde hij dat het laatstgenoemde beest”onder de buuk” piste.

    Hol bouwen.

    De oorlogshandelingen ontwikkelden zich niet zo wij dit graag zouden hebben gewenst. De slag bij Arnhem werd door de Geallieerde troepen verloren en de bevrijding bleef daardoor nog een half jaar uit. De bruggen over het Twentekanaal( brug weg naar Goor en Sluis te Wiene) werden door de Duitsers en landwachters( dit waren met de Duitsers heulende landgenoten) bewaakt. Te vaak zwierf het gepeupel langs de boerenerven, waardoor bij de ouderen de angst ontstond te worden opgepakt voor tewerkstelling in het Groot-Duitse rijk. Daarom was op het erve Bebseler in de graanschuur een hol gebouwd, waarheen je kon vluchten wanneer het te heet onder de voeten werd. Overigens beperkten de moffen en verraders zich tot het uiten van dreigementen om zodoende van de boeren, door de schrik begaan, extra voedsel los te krijgen. Daarom hadden we via de gemeente plakkaten losgeweekt met het opschrift: SCHURFT BESMET GEBOUW. Dat hielp om de bandieten van de deur te houden.

    Onderduikers en slachten.

    Stefke en Zus hielpen op resp. de boerderij en in het huishouden. Door de voortdurende razzia’s in de steden waren er daardoor ook veel onderduikers op de Twente boerenerven te vinden. Zo ook op het erve Bebseler. Ook die categorie mensen hadden eten nodig, zodat in het huishouden assistentie meer dan nodig was. Hoeveel schapen en varkens er in die tijd werden geslacht weet ik niet meer te zeggen. Punt was er moest eten zijn en daarmee basta.Een aardige anekdote mag ik jullie niet onthouden. Hans kreeg ook lucht van de klandestiene slachtpartijen. Met nadruk werd hem er op gewezen dat hij dit aan niemand mocht vertellen.
    “Ook het slachten van een ki(e)p niet,”was de vraag van het ventje. Ja dat mocht dan wel. Toen moeder Bebseler aan tafel vlees van een pas geslacht varken rond deelde merkte de slimmerik op:”Lekker opoe, heej een ki(e)p geslacht?”

    Plezier maken.

    Niet alleen de oorlogshandelingen laten herinneringen na. Ook het vele plezier dat we, ondanks de ellende, toch met elkaar hadden. Met Stefke kaartten we soms midden op de dag in de schuur en dan ook nog om geld, dat echter nauwelijks nog waarde had. Ook richtten we een kerkkoor op en ik herinner me dat we probeerden het Credo vierstemmig te zingen. De enigszins doven onder ons hebben het daar misschien wel van over gehouden. Vader Bebseler was een verwoed liefhebber van het kaartspel. Automatisch werd ook Stefke hierbij betrokken. Vele avonden in de winter’44 – ’45 hielden zij zich hiermee zoet. Ook zagen we nog kans op een afgelegen plek, in de weide van Rottink te Deldenerbroek, een voetbalwedstrijd te organiseren tussen de evacué’s uit Huissen e.o. en de jongens uit Wiene. Ook de welbekende oom Frans speelde mee. Met tranen in de ogen en de handen voor een edel lichaamsdeel houdende, verliet hij op een gegeven moment het speelveld. Het is nu nog moeilijk te raden. Inderdaad hij had de bal precies voor”precies”gekregen.

    Familie Willems.

    Niet onvermeld mag blijven dat ook de familie Willems( zus van Stefke), die elders in het land zaten te verhongeren, naar Delden werd gehaald. Zij werden bij enkele boerenfamilies in de buurt ondergebracht. Voor dochter (Truus(je) kon geen plaats worden gevonden. Zij werd dus ook maar naar ons huis gehaald. Later emigreerde zij naar, ik meen Australië. Graag zouden we ook haar nog eens terugzien.
    Ook oma Wouters en tante Nel verbleven bij ons in de buurt en wel bij de familie Rottink. Oma heeft veel gejammerd omdat zij telkenmale bij geruchte vernam dat haar zoon Chris, die ergens in het westen vertoefde, was omgekomen. Hoe vaak die man dood is verklaard weet ik niet meer. Oma heeft het in ieder geval wel bij het verkeerde eind gehad. Oom Chris is bij mijn beste weten stokoud geworden.

    De bevrijding.

    Geleidelijk aan kwamen de Canadese troepen in April’45 richting Twente. De gevechten langs het Twentekanaal en ons verblijf in een silo bij het erve Bomhof en een ondergronds verblijf bij Rottink te Deldenerbroek verdwijnen nooit uit onze herinneringen. Evenzo nooit het zien van de Canadese bevrijders. We waren vrij en onze evacué’s konden weer aanstalten maken richting Huissen te vertrekken. Stefke ging in mei’45 als een soort kwartiermaker terug. De rest van zijn gezin volgde ongeveer een maand later.

    oorlog2

    Riek Bebseler en Gerrit Wouters 1947

    De band met de familie Wouters ging nooit kapot. Dit zal zo blijven. Het hapje en het drankje hoort daarbij. Nog bedankt voor de uitnodiging. Nogmaals dat vonden wij van de familie Bebseler schitterend. 

    Dit waren enkele losse grepen uit een moeilijke periode. Ik meende goed te doen die ter kennis van de familie Wouters te brengen .                                                      

    Delden,30 september 1995.                                                          Gerard Bebseler    

    oorlog3

    1.Nico 2.Engelien 3.Miep 4.Hans 5.Kees 6. Gerrit 7. Grada Wouters-Buurman -1964

    Bewerking: H.Hoen-Huissen april 2017.

  • Het schuttersfeest te Huissen (uit 1836) Open or Close

    Het schuttersfeest te Huissen (*)

    Uit de Gelder Volkalmanak 1836

    Het stedeken Huissen, iets hoger dan Arnhem, in de Overbetuwe gelegen, draagt nog menige aardige bijzonderheid binnen zijnen thans beperkten omkring, welke eene hooge oudheid met eene vroegere, niet onbelangrijke geschiedenis kenmerkt.
    Eertijds was het een eigendom der Kleefsche Hertogen en Graven, en nog in de laatste tijden een gedeelte van het Koningrijk Pruisen. Thans tot Gelderland gevoegd, bewaart het nog, onder anderen, een bijzonderheid, welke, als een herinnering van vroege geschiedenis, jaarlijks aldaar vernieuwd wordt: een Schuttersfeest, namelijk, dat niet, gelijk op andere plaatsen, slechts in het schijfschieten of soortelijk volksvermaak bestaat, maar eene zinnebeeldige vertoning voorstelt, welke duidelijk op eenen oudere en merkwaardige gebeurtenis wijst.
    Op één der dagen namelijk, welke jaarlijks voor de viering van het schuttersfeest afgezonderd worden, trekt de Schutterij, in twee deelen gesplitst, op eene weg, die door het weiland naar de Rijn voert. Hier geraken deze twee partijen met elkander slaags, niet anders, dan of het ernstig gemeend waren. Maar ten bewijzen, dat de vurigheid der gemoederen meer dan schijn dan in der daad hevig is, moet de partij welke van de stad komt, altijd als overwinnaar terugkeren, het welk te gelijker tijd niet onaardig te kennen geeft, dat de Huissenaren een maal over een drom vijanden getriumfeerd hebben, die even zoo in vroeger jaren de stad van buiten berenden, maar door de uitgetrokken ingezetenen verslagen werden. Ten teeken, hoeveel de overwinning gekost heeft, nemen sommige strijders, door zich met roode verf te bestrijken, een bloederig voorkomen aan, terwijl evenwel nimmer een legerwagen voor de gekwetsten noodig bevonden wordt.
    Niet mindervreemd is eene tweede plegtigheid, welke ook aan dit schuttersfeest verbonden is. Het is namelijk een Vischvangst, welke in eene oude strang, voorheen, toen in Huissen nog tot Kleefsland behoorde, op Geldersch grondgebied gelegen, door de medeleden der schutterij plaats heeft, en die niet slechts met een schepnet in slooten, maar ook met zegens en grooter vischtuig in ruimen water volbragt wordt; waarschijnlijk om aan te duiden, met welke voorregten, de inwoners wegen hun moedig bestaan, daar den toemaals regerenden Hertog begiftig waren.
    Deze Schutterij munt bijzonder uit door hare vaandels en der zelver dragers, die met ongemeene vaardigheid, bij elke plegtige gelegenheid, als tot een eerbewijs, met hunne veld-teekenen weten te zwenken, zóó zelfs, dat er niet alleen eene hooge kunst, maar ook eene bijvallige orde en schoonheid in elkeder bewegingen doorstraalt, die zij tot groot gejuich des volks vertonen.
    Verder is er een schild-tros, welke op de borst van den koning rust, en te zamen gesteld is uit eene menigte kleine schilden, door ieder der opvolgende koningen, sedert eeuwen, tot bewijs zijnenregering over de Huissensche schutterij, aan eenen zilveren keten vasthecht. En eindelijk het merkwaardigste, eene zilveren plaat, het eigendom van de R.K. kerk aldaar, waarvan men zegt: dat zij eenmaal ten geschenke gegeven werd door eene Hertog, bij het kloemoedig gedrag van Huissens ingezetenen; en welke plaat eene maagd vertoont met eene lauwerkrans in hare hand en eene wan aan hare voeten, waarover hark en dorschvlegel kruislings gelegen zijn.
    En wat, geachte lezer! Wat zegt nu de volk-legende aangaande dit een en ander? Dat eens, in overoude tijden, toen Huissen nog tot Kleefs-land gerekend werd, de Gelderschen opgetrokken waren en in hunnen overmoed gedreigd hadden, dat zij de stad en de ingezetenen, zoo zij zich niet overgaven, als koorn ziften, harken en dorschen zouden; waarop deze hevig vertoornd, zich te zamen geschaard hadden, en de Geldersche, tot loon van hunne vermetelheid, niet alleen met bebloede koppen naar huis gezonden toegemeten hadden. Ofschoon nu de geschiedenis van deze bijzonderheid zwijgt, zoo meldt zij ons echter eene daad zaak van Hertog Karel van Egmond, dat hij, in het jaar 1502 onder voorwendsel, van Anholt te willen belegeren, Huissen had aangetast, waarop Hertog Johan van Kleef, als hij zich zoo spoedig niet in postuur konde stellen, de Huissenaren eenige dagen zich zelve moest laten verdedigen, waarna hij met eenige schepen den Rijn was afgezakt, en toen te gelijk met die van Huissen den Hertog zoo hevig had aangetast, dat Karel niet alleen verslagen maar ook gevangenneming echter een moor hem zeer spoedig verloste. Waarschijnlijk is deze geschietkundige bijzonderheid de oorzaak van het schutters-feest te Huissen.
    Misschien zijn bijde schutterijen, de oude en de nieuwe (**) , juist om deze tijd aldaar bevestigd, en worden hare feesten sedert met zoo veel gejuig gevierd. Magt eenig geleerde nog iets vinden tot opheldering van deze geschiedkundige merkwaardigheid, het zal ons eene aangename bijdrage zijn.

    (*)       Dit stukje is bewerk naar eene zeer schone beschrijving van dit feest door den Wel. Eerw. Heer Jonckers, predikant te Huissen, welke te uitvoerig voor deze Almanak, eene waardige plaats in onze tijdschriften zouden verdienen.

    (**)     De eene trekt op St. Peter en Paul, de andere op St. Jan uit, en de Leemschutten, de knapen hadden oudtijds hunnen eigenen dag, want ook zij behoorden weleer onder de verdedigers dar stad.

  • Louis Tonk vertelt .... Open or Close

    Louis Tonk vertelt.

    tonk louis in meckenheim dld  bij herinneringsmedailles coll. h.h. (Custom)
    Ik ben geboren op 31 oktober 1927 in de Bloemstraat E 170 te Huissen. Mijn vader was Toon Tonk en mijn moeder was Annie Janssen uit Groessen. Mijn vader is twee keer getrouwd geweest, het eerste huwelijk was met Hanne Meeuwsen en ik ben de oudste van de tweede moeder, Annie Janssen uit Groessen. Wij waren met z’n vijftienen thuis. Uit het eerste huwelijk zijn acht kinderen geboren en mijn moeder heeft zeven kinderen gekregen. Ik ben tot op de dag van vandaag dankbaar hoe goed we met elkaar uitgekomen zijn. Ik denk dat mijn vader en moeder daar een groot aandeel in hebben gehad en ondanks dat ik nu al een stuk ouder ben geworden ben ik er heel gelukkig bij dat het zo gelopen is.



    Opgegroeid.

    Zoals ik al zij ben ik geboren in de Bloemstraat, een klein paradijs in Huissen. We hadden daar een grote weide met twee grote meren t.w. de Diepe Bloem en de Vlote Bloem. Daar konden we naar hartelust roeien en vissen, en in de winter schaatsen. Maar ook werd er gevoetbald want de hele buurt was er altijd bij betrokken, we hadden ons eigenlijk niet beter kunnen wensen. Het was voor die tijd een mooie jeugd. Ik ben in Huissen naar school gegaan en wel op de Aloysiusschool , Aloysius is mijn patroonsnaam. De hoofdonderwijzer was eerst mr.Willems en later mr.van Goethem. Ook mr.de Rijk heb ik meegemaakt die hield veel van muziek. Ook moest ik altijd gedichten opzeggen bij mr.de Rijk en ik zat ook in het jeugdkoor. Ik kon wel zeggen dat het een goede tijd was.

    School.

    De school stond in de Langekerkstraat de ene helft was de jongens-de andere helft was de meisjesschool en daarnaast was nog de bewaarschool. Ik weet nog wel dat ik als kind daarheen ging, mijn oudere zusters kwamen ons dan ophalen en we gingen dan naar het oude mannenhuis in de Cremerstichting en daar moesten we opa Meeuwsen, de vader van de eerste vrouw van mijn vader, goede dag gaan zeggen. Na de lagere school ben ik naar de tuinbouwschool in Huissen gegaan. Want zo was het vroeger: de kinderen van de schoenmaker werden schoenmaker en van de tuinder werden tuinder. Na de tuinbouwschool ging men dan meewerken in het bedrijf en zo leerde je langzamerhand alles kennen.

    De tuinderij.

    We hadden toendertijd veel rode bessen, pruimen , stekbessen, en daarvoor had je veel mensen nodig om die te plukken. Ook hadden we nog koeien en veel fruit dus er was altijd genoeg te doen.
    De koeien liepen in het Slingerbos daar hadden we acht h.a.weideland plus de Diepe en de Vlote Bloem. Ook was mijn vader met o.a. zijn zwager Koos Meeuwsen mede eigenaar van de watertoren aan het Klokkenpad daarmee had men een eigen watervoorziening en er was altijd genoeg druk om het land te besproeien.De familie Ververgaart bewaakte de watertoren en als er defecten waren dan kwam Vincent Siepman of Piepke Janssen. Janssen kwam voor het electrisch maar of hij dat mocht dat weet ik ook niet. Hij werkte bij de PGEM maar hij kwam ook altijd bij ons.
    De buizen vanaf de watertoren lagen tot aan onze tuinderij en dat was het verste punt en dat was enkele honderden meters, men heeft dat allemaal zelfstandig aangelegd. Later hadden we ook nog een eigen watervoorziening d.m.v. een puntstuk van 13 meter diep. We waren dan niet meer zo aangewezen op de watertoren. Je kon dag en nacht pompen en je had altijd water genoeg. Het water dat van de watertoren kwam dat was altijd heel zuiver maar wat opgepompt werd had wel eens een rode ijzerhoudende aanslag. Dus daar moest je niet zoveel op en in de kassen sproeien.

    Mobilisatie en oorlog 1939-1945.

    De tijd gaat verder, en we merkten dat er iets niet in orde was. De mobilisatie, er werden stellingen en kazematten gebouwd een paar honderd meter bij ons vandaan. Er kwam inkwartiering van soldaten en zie daar 5 mei 1940, niemand had het verwacht, vliegtuigen vlogen over en er werd geschoten. En zoals het in Holland gebruikelijk was, wel een pak aan maar slecht bewapend, de soldaten die waren al meteen op de vlucht richting de Grebbeberg.. Eigenlijk maar goed ook anders hadden ze het lang niet allemaal overleefd.                                                                                                                                                                                                                                  En in een keer hadden we de Duitsers voor de deur. De stellingen en kazematten hadden ze net zo goed niet hoeven te bouwen want ’s middags kwamen de jagers er al in duikvluchten over heen en schoten de hele boel kapot. Er was geen houden meer aan, die Duitsers rukten zo snel op met hun goede materiaal. Wij wisten natuurlijk niet wat er op ons zou afkomen. Wij waren toen nog jonge mensen we zagen het als een avontuur en waren nieuwsgierig. Maar na een paar jaar ontpopte het zich met ontvoeringen en jodenvervolgingen en dat waren dingen die niet zo in orde waren.

    De bevrijding.

    Zo langzaam maar zeker liep het tegen het einde van de oorlog. De Canadezen kwamen vanaf de Goudsberg zo de Veluwerand af naar beneden. Op enkele honderden meters van ons vandaan, wij evacueerden in Lunteren, stonden een paar villa’s waarin de Gestapo zat. Ik had wel eens gezien dat ze daar gevangenen met een zak over het hoofd van het ene gebouw naar het andere gebouw brachten. Toen ik de bevrijders dat aangewezen had gingen ze erop af. Ik hoorde knallen en zag veel rook en later bleek, toen wij gingen kijken, dat de Canadezen de vluchtende Duitsers met vrachtwagens en al opgeruimd hadden. En we waren natuurlijk helemaal blij.

    Militaire dienst.

    We waren volop in de wederopbouw, zien of we de boel weer aan het lopen konden krijgen. Er ontstonden intussen nieuwe technieken in de tuinbouw. In een keer kwam het bericht voor mij: je moet soldaat worden. Ik was 19 jaar en dienstplichtig. Ik werd in Nijmegen goed gekeurd voor de militaire dienst. Ik moest opkomen in Oirschot op 6 juni 1947 en werd ingedeeld bij het pantser afweerpeloton 5e bataljon 7 regiment infanterie van de 7 december divisie. Omdat onze tegenstanders in Indië geen tanks hadden werd ons bataljon een commando peloton en we werden opgeleid door oorlogsvrijwilligers van de Prinses Irenebrigade. En zie daar Ton Röttjers, mijn schoolvriend, kwam bij hetzelfde bataljon en dat was al een kleine troost. Onze generatie kwam toen niet in opstand we hadden de plicht om in militaire dienst te gaan. Dienstplicht was van zelfsprekend. We hadden wel gehoord dat de kans erin zat dat we naar Indië zouden moeten, we werden daarvoor opnieuw gekeurd en ik werd tropen geschikt geacht.

    Naar Indië.

    De eerste 6 maanden gingen voorbij, een week inschepingsverlof en in die tijd overleed mijn opa. Ik ben nog op de begrafenis geweest. ’s Avonds kwam het afscheid en mijn broer Thé kwam nog even naar huis. Na nog enkele uren gepraat te hebben kwam het afscheid en Thé bracht me naar de bus. Het verliep toen eigenlijk niet zo emotioneel want we waren er nog te jong voor en het was ook een andere tijd: plicht is plicht. We hebben Ton Röttjers thuis bij de Valom opgehaald, nog een tas koffie gedronken , toen kwam de bus en dat was het. Daarna nog een week in de kazerne en toen op 23 januari 1948 op weg naar Rotterdam om in te schepen.Onderweg werden we nog uitgescholden voor communisten en gaaies die in de wereld ook niets gedaan hadden en alleen maar ellende hebben veroorzaakt. Die lui waren er kennelijk van overtuigd dat zij het goede gedaan hadden. Ik denk ook wel dat we het e.e.a. hebben teruggeroepen dat wil ik nu hier niet herhalen.

    Met de S.S.Waterman naar Indië.

    tonk louis op ss waterman 1948 richting indie coll. l.tonk (Custom)
    We gingen aan boort op een troepenschip dat zijn eerste vaart maakte naar Indië. Het was behoorlijk koud en we werden geinstrueerd hoe we de sloepen moesten bedienen, want je wil toch niet graag verdrinken. We troffen het de tweede dag wel want in de Golf van Biscaje stond een enorme storm. Ik geloof niet dat er iemand aan boord was die niet zeeziek is geweest. Daarna voeren we naar Algiers en daar was de zee zo glad als een biljartlaken. Het schip werd van buitenaf met waterkanonnen schoongespoten om de kots van de wand te krijgen. Dat zag er vies uit allemaal. Algiers was toen nog een Franse kolonie en daar patrouilleerden Franse soldaten maar er waren ook arme sloebers, mensen die honger hadden. Een dag tevoren hadden we van de cadi rantsoen ontvangen en de spullen waar we niet zo gek op waren o.a. toffeetjes en ander snoepgoed gooiden we overboord naar die mensen. Ik zie het nog voor me, een moeder had een kind op de rug gebonden en toen ze wat snoepgoed wilde pakken bukte ze zich voorover en dat kind vliegt voorover zo op het beton en dat kind werd gelijk afgevoerd. Het duurde niet lang of de Franse militaire politie kwam en sloeg de hele meute uit elkaar en in 10 minuten was iedereen in overvalwagens afgevoerd. Het was voor ons toen we dit zagen een hele shock en eigenlijk niet zo goed. Daarna kwamen we in de haven van Port Saïd en daar zag je allemaal mensen op bootjes die ook wat wilden verkopen. We gooiden wat muntstukken in het water en dan zag je die jongens het water induiken om die muntstukken op te vissen. Ook zagen we een troepenschip vol met Duitsers die teruggebracht werden naar Europa. We arriveerden in Sabang op Noord Sumatra en daar mochten we de eerste keer van boord om de eerste Indische lucht in te ademen. De jongens kwamen terug met trossen bananen die hadden we in jaren niet meer gegeten vanwege de oorlog. In Medang hebben we nog troepen afgeladen. Februari 1948 arriveerden we in de haven van Tjandjong Priok op het eiland Java.    We werden daar ontvangen door enkele KNIL officieren daarna in vliegende vaart naar Batavia vervoerd waar we in het Jan Pieterszoon Coen kazerne werden ondergebracht. Dat was een voormalig internaat. De volgende dagen kregen we van de KNIL de eerste oefeningen hoe we moesten opereren in de jungle en hoe te overleven.. We zijn daar drie maanden gebleven. We draaiden wacht bij o.a. de gevangenis Glodok, en bij gouverneur generaal van Mook. Daarna kwamen we aan de rand van Batavia bij de eerste buitenpost en dat was Pesing en het lag bij een munitiedepot. Daar zijn we 6 weken gebleven.

    Rapport.

    Ik heb ook nog een kleina affaire meegemaakt. Ik was naar Djakarta (Batavia) geweest en heb daar Bep Jeurissen ontmoet, hij werkte daar in een apotheek. Samen zijn we naar Buitenzorg geweest en hebben de plantentuin bezocht. Toen ik ’s avonds laat terug kwam op mijn post , alles was op militair verkeer aangewezen, heb ik de laatste 4 kilometer nog te voet afgelegd door vijandelijk gebied. Eigenlijk had ik geen andere keus, anders kwam ik te laat voor de eerste wacht. Ook had ik de wachtlijst ’s morgens niet ingezien dus ik wist eigenlijk van niets. Ik moest toen i.p.v. 2 uur wachtlopen 4 uur op wacht staan. Het was 2 uur op 4 uur af. Na 2 uur wacht dacht ik het is genoeg. Ik voor naar de wachtpost en zei: mijn 2 uur zijn voorbij ! Dat beviel de wachtcommandant niet zo goed. Ik kreeg een rapport aan mijn broek ’s Morgens 6 uur het bed in en om 9 uur appèl. De compagniescommandant kwam en we moesten met de hele groep aantreden. Ons werd bevolen dat we gelijk moesten inpakken en vertrekken naar Djakarta, op wacht bij de gouverneur generaal. Ik moest alles poetsen, wat ik eigenlijk niet meer gewent was, en we moesten aantreden. ’s Avonds kwam een webbingcarrier, een soort overvalwagen, de kazerne oprijden met de compagniescommandant. Hij kwam naar mij toe en zei: je weet wat er beurt is, in tijd van oorlog van wacht af gelopen. En hij zei ook nog: vroeger stond daar in Duitsland de doodstraf op ! Ik durfde al niets meer te zeggen, de dicipline was toen anders dan tegenwoordig. Je accepteerde dat en je maakte maar een vuist in de zak. Hij zei, ik stel je voort de keus: je kunt naar Buitenzorg naar de commando’s en dan krijg je daar een speciale opleiding. Wil je daar vrijwillig heen ? Ik dacht voordat je hier weer wacht moet lopen zie dat ik weg kom hier. Dus ik antwoordde: natuurlijk. De volgende dag werd ik weggebracht en kwam bij het commandopeloton van de Prinses Irenebrigade, dat waren vrijwilligers. Het was een groot gebouw met een grote muur erom heen. Volgens mij was het een krankzinnigengesticht. Echter 3 dagen later kwam de rest van mijn peloton, dat het men maar even zo besloten. We hadden toch geen tanks dus we konden maar beter bij de infanterie ingedeeld worden. We hebben daar 3 maanden een zware opleiding gehad, bijna onmenselijk maar je leerde ermee omgaan. Bij de eindoefening gingen we op een schietcomplex in de aanval op soldaten van de Prinses Irenebrigade. Wij moesten proberen om die lui naar voren te halen als je onder vuur lag. Er werd met scherp over je heen geschoten. Dus omhoog komen was levensgevaarlijk Achteraf ben ik toch wel blij dat ik dat heb meegemaakt. Je begrijpt eigenlijk niet dat een mens op die leeftijd die dat zo moet meemaken en met de nodige dicipline het toch volbracht heeft. Als je er nu over nadenkt dan denk je wel eens eigenlijk was het onmogelijk maar het ging toen allemaal.

    Pasar Malang.

    We zijn wel eens naar een Pasar Malang geweest, een soort avondmarkt, daar kon je ook boksen. Een van onze jongens die had voor zijn hobby wel eens gebokst en hij stapte daar in de ring. Na afloop kwam hij eruit met een blauwe ogen en schrammen maar we hadden wel schik gehad en natuurlijk hadden we een borrel gedronken. Toen we ’s avonds in de kazerne terug kwamen kwam er iemand op het idee om ons te ontnuchteren. Er stonden van die grote drums met water dat waren eigenlijk benzine drums geweest. Op een gegeven moment hadden ze er iemand een beetje te lang op de kop erin gehangen en even later moest de hospik komen om die man te helpen want hij was al helemaal blauw aangelopen.

    Sportwedstrijden.

    Ook werden er wel eens sportwedstrijden gehouden, en dat was naast het krankzinnigengesticht. Ik was aan het speerwerpen en ik trof één van die patiënten die stonden te kijken boven in de schouder. Een hoop geschreeuw en al snel kwam de hospik erbij. Gelukkig is alles goed gekomen maar het was wel schrikken.

    Andere oefeningen.

    Ook moesten we oefenen hoe je gevangenen moest opbrengen. Een kapitein van de Prinses Irenebrigade gaf ons les. Er stond een grote muur en daar moest ik een zogenaamde gevangene naar toe brengen. Die man draait zich om om mijn pistool afhandig te maken. Met wat handelingen die je geleerd had moest je dat voorkomen. Maar op een of andere manier was er een kogel in mijn pistool gekomen, maar daar wist ik niets van. Dus er ging een schot af , en gelukkig is het goed gegaan en dat kwam ook door de handelingen die je al geleerd had. De oefening werd meteen afgebroken en wij waren allemaal hevig geschrokken. Er is verder niets uitgekomen.
    Na 3 à 4 maanden zijn we weer teruggezet naar ons bataljon en kregen een eigen post. Wij werden toegevoegd aan de 7 december divisie. We moesten het hele gebied bewaken en kregen ook extra bewapening w.o. automatische wapens. Ook b.v. handgranaten. En overal waar het erg onrustig was waar de eigen troepen het gebied niet meer onder controle konden houden daar liepen wij extra patrouilles om vuurcontact te leggen om erachter te komen wat daar aan de hand was. Het was natuurlijk wel gevaarlijk maar wij waren goed bewapend dus we hadden minder angst en we hadden een ijzeren dicipline. We hadden een luitenant, een fantastische kerel, die door dik en dun ging en achter ons stond: Paul Klebach mijn beste vriend. We hebben het geluk gehad dat we op een na allen teruggekomen zijn.

    Paul Klebach.

    Ik denk ook nog graag terug aan mijn beste vriend, 1e luitenant Paul Klebach, een man die ons kon motiveren en moed kon geven. Hij kon het moreel van de troepen omhoog zwepen, want het ging toch vaak over leven en dood, ondanks dat er wel eens twijfels waren: voor wie doen we het eigenlijk ! Uiteindelijk hadden we de opdracht orde en rust te herstellen. We hebben daar ook wel e.e.a. opgebouwd b.v. op de plantages, de infrastructuur en de industrie en daar leefden weer vele mensen van. Het is niet zo dat we alleen maar gehaald hebben welke de negatievelingen graag willen horen. We hebben ook veel gebracht en een basis gevormd, en als de Indische bevolking het goed hadden gedaan dan hadden ze daar op verder kunnen bouwen. En meestal gaat het zo dat eerst de fanatieke en idealistische personen komen en dan loopt alles veel verkeerd omdat we één ding denk ik vergeten hebben: voldoende kader in die tijd op te bouwen van de eigen bevolking. We hebben geprobeerd met de mensen fatsoenlijk mee om te gaan. Natuurlijk kom je in situaties die jezelf niet in de hand hebt, die je opgedrongen wordt.
    Ik heb ruim 2 jaar op de buitenpost gezeten en je bent dag en nacht met de vijand omgeven.
    Je moet niet denken dat er niemand kan zitten, het is allemaal begroeit.  En als je mensen tegen je hebt dan moet je niet denken dat je daar vrienden mee wordt. Het beste voorbeeld zijn de ervaringen uit de tweede wereldoorlog hoe verschrikkelijk dat was. Eigenlijk was Indië ook geen vijandelijk gebied maar het was onze kolonie. De geschiedenis heeft dat zo gewild.
    We hebben geprobeerd onze interesse zeker te stellen met de zeggenschap dat ze hun zelfstandigheid terug zouden krijgen. In de troonrede van onze koningin Wilhelmina vanuit Londen was de weg waarheen nog niet duidelijk vastgelegd. Wij hebben geprobeerd rust en orde veilig te stellen in het belang van Nederland en Indonesië. Het waren niet onze vijanden die mensen. Het waren mensen met een andere cultuur en aard en dat waren wij niet gewend. En ik denk dat we ons best hebben gedaan. De politiek van Amerika en Engeland heeft voor ons anders beslist omdat er andere interesses in het spel waren. Dat was voor ons alleen maar tragisch en teleurstellend.

    Journalisten.

    Ik denk dat de journalisten die denken een oordeel over ons te vellen en die er helemaal niet bij betrokken zijn geweest niet in die situatie en niet op die plaatsen zijn geweest toen wij er waren en op een afstand alles hebben gehoord, dat die over ons moeten oordelen dat vind ik niet goed. Wij moesten ook voor ons eigen leven opkomen die mensen daar waren eigenlijk geen vijanden van ons. Het was erg bitter voor ons dat de mensen die er niet zijn geweest dat die een oordeel over ons moeten vellen. Oorlog zonder excessen dat zijn sprookjes. En een frontoorlog is nog anders dan een guerillaoorlog. Dat zijn nu nog sprookjes. Iemand die daar nu nog in gelooft die is op de verkeerde planeet. Zolang men niet moedwillig is dan moeten we dat accepteren want dat is het gevolg van oorlog.
    Het gaat erom jij of ik, en je kunt niet eerst vragen wie zijn jullie hoe heten jullie waar kom je vandaan, als je in een hinderlaag loopt dan moet je actie ondernemen voor je lijfsbehoud. De een liep in een militair kostuum de ander in een korte broek de ander in een cakie pak. Nee, we hebben ons best gedaan ik heb geen slecht geweten. Alles wat niet goed is gegaan is voor 99,9 % uit nood geboren en dat was bij de meeste van ons. Wij voelden ons de ambassadeurs van Nederland. We hebben geprobeerd om ons met de beste vermogens daar te bewegen.

    Commando opleiding in Buitenzorg.

    De commando opleiding van 3 maanden was in Buitenzorg in de gebouwen van de rubberplantage Kalapanoenggal en daar trof ik tot mijn verrassing Ton Röttjes uit Huissen die daar al een paar maanden lag. Wij waren daar een paar weken om extra patrouilles te lopen en we kregen speciale opdrachten in het bataljonsgebied. Een maand later kregen wij onze eigen post in Toengilles.
    Ik ging een keer ’s nachts met de luitenant van Kalapanoenggal naar Toengilles , de helft van het peloton was al daar ondergebracht, we gingen op de motorfiets door de kampong en in een keer ging daar de schijnwerper aan en prrrrt prrrrt we waren de bocht net door en toen was het alweer voorbij. We zijn toen wel hevig geschrokken.
    Na enkele maanden vertrokken wij naar Goenoeng Batoe (Stenenberg), er waren daar overwegend thee-en rubberplantages de rest was oerwoud. Hierna zijn we over de Poentjak (hooggebergte) naar Tjandjoer in de gebouwen van een rijstpellerij van een Chinees terechtgekomen

    Naar Sindang Barang.

    tonk louis indie 1948 1950 coll. l.tonk (Custom)
    In Sindang Barang (einde van de weg) hebben we met behulp van de bevolking een nieuw dak op een plantershuis geplaatst. Het huis werd geschilderd en van de genie kregen we bamboe en andere materialen. We zijn daar een half jaar geweest. En hebben onze patrouilles gelopen. Daar hebben we verschillende problemen gehad. Een beschieting vanuit een stelling. Maar iedereen heeft het er toen levend vanaf gebracht. Wel had iemand een schampschot en was er door een paar koffers heen geschoten en als je die in de lucht hield dan leek het wel een zeef. We zijn toen overgebracht naar de Wijnkoopsbaai. Dat was aan de rand van het gebied en dan kwam je aan de Javazee en daar was het erg onrustig. Daar was ook een rubberonderneming en daar had Ton Röttjers ook gelegen maar dat gebied hadden ze ook verlaten omdat daar veel bonje was. Het was daar afgezet met prikkeldraad en er waren loopgraven gebouwd. We hebben daar veel patrouilles gelopen ook bij andere posten van ons bataljon om die te ontlasten. en we zijn daar twee keer in een hinderlaag terecht gekomen. We zijn toen twee jongens kwijtgeraakt.
    We zijn eruit gevlucht en kwamen in een stuk gebied waar het leek op rozen maar dan wel met allemaal weerhaakjes en we zagen eruit alsof we allemaal gewond waren. We liepen in korte broek en hemden met korte mouwen en dan weet je wel hoe dat eruit zag het bloedde aan alle kanten. We hebben ons hergegroepeerd en zijn toen tot de tegenaanval overgegaan.
    Die lui, zo’n 300 personen, waarvan er ongeveer 60 bewapend waren, zaten achter grote zwerfstenen, zo’n half huis, en je hoorde ze schreeuwen en je zag ze heen en weer springen maar wij moesten toch het veld ruimen. Om het goed uit te drukken, je moest ze wel allemaal omleggen want diegene die schoten en die geraakt werden daarvan namen de anderen het wapen weer van over. 
    Wij waren tenslotte maar met twaalf man maar we hebben ze toch zover gekregen dat ze zich al schietend terugtrokken in de verte. We hebben toen de twee vermiste kameraden teruggevonden, die hadden zich verstopt en zo te zeggen, ze hadden de broek vol want ze wisten in die situatie niet goed wat ze moesten doen. Het waren wel twee van die praatjesmakers, een uit Rotterdam en een uit Nijmegen. Ik denk dat onze commando opleiding ervoor gezorgd heeft dat we het tot een goed einde hebben gebracht

    Hinderlaag.

    Tijdens een transport toen we opgehaald werden kwamen we nog in een hinderlaag terecht. We reden door de theeplantages hoog door de bergen heen en waren met zo’n vijf vrachtwagens. We werden beschoten en sprongen van de wagens af. We zijn tot de tegenaanval gegaan, ze zaten daar op zo’n heuvel. Ik had een granaatwerper en toen een paar bommen erop en verder hebben we er niets meer van gezien. Er is toch nog een kameraad gewond geraakt. De rode kruis wagen moest van ver komen en daar hebben we op gewacht. En de volgende dag is hij in het hospitaal in Sukabumi gestorven.

    Wapenstilstand.

    Na de souvereiniteitsoverdracht in december 1949 zijn we, met gemengde gevoelens, op grotere posten terecht gekomen. We zijn in de garnizoenstad Tjimahi bij Bandoeng terecht gekomen. Dat was een grote militaire stad met casino’s en filmzalen en vele winkels want die waren er al in de tijd van de KNIL.
    Van Bandoeng zijn we overgeplaatst naar Tjiandjur toen met de trein naar Djakarta en daarna naar Tjandjong Priok en daarna zijn we ingescheept op een landingsschip en overgebracht naar Soerabaja .

    Soerabaja.

    Vanuit Soerabaja zijn we ondergebracht in het gebied Probolingga in het plaatsje Sidoardjo, waar grote suikerplantages en tabaksvelden waren. Wij kwamen in een suikerfabriek te liggen in de huizen van de voormalige directie. De suikerfabriek lag al lang stil. De omliggende suikerfabrieken waren nog in bedrijf. Van daaruit hebben we nog veel patrouilles gelopen want we dachten dat we nog de baas waren.
    Eigenlijk dacht ik: er is een wapenstilstand en voor wie moeten we nog lopen ?  
    We zijn toch nog drie keer in een benarde positie gekomen.

    Wij liepen veel ’s nachts patrouille met onze luitenant en we ontstaken regelmatig onze schijnwerpers. De sergeant die we nog hadden liep overdag patrouille. Inmiddels gingen de eerste militairen van de MP al terug naar Nederland en er kwamen geen nieuwe jongens meer bij.


    Bij de MP.                                                                                                                                              

    tonk louis indie bij de  marechausse coll. l.tonk (Custom)
    Toen vroegen ze vrijwilligers voor de overgangstijd. Ik heb me aangemeld want ik dacht waarom moet ik hier nog blijven. Ik ben erbij gegaan en kreeg een paar weken een opleiding bij de MP. In Soerabaja moest ik patrouille rijden in de bordeelwijken en soldaten controleren. Overal stonden borden waar het verboden was en ook waren er de opiumkids. Het werk beviel me eigenlijk niet zo. Als je van de buitenpost komt en twee drie jaar in de wildernis geleefd hebt dan valt het zwaar. We waren gewend met weinig genoegen te nemen en je moest je er zo doorheen slaan. Onze commandanten waren allemaal beroeps. Volgens mij zijn dat mensen met een bepaald karakter. Het was weer geordend want je kreeg weer te eten aan een gedekte tafel. Ik heb de tijd verder goed doorgebracht. Ik had wel een voorwaarde gesteld dat ik naar het bataljon zou worden overgeplaatst als er een repatriëring kwam en dat heeft men ook uitgevoerd.

    Demonstratiepeloton.

    Ik ben ook nog bij een demonstratiepeloton van de commando’s geweest. Die commando’s waren in de oorlog al twee keer afgesprongen boven Holland. Die zijn toen vrijwillig naar Indië en Korea gegaan o.l.v. kapitein Luikenaar, een echt varken ! Maar hij was wel erg gediciplineerd en ik had er geen probleem mee. We hebben tijdens de periode van de souvereiniteitsoverdracht met ons peloton nog een demonstatie excersitie uitgevoerd voor de commandant van de A-divisie.

    Verlof.

    In die twee en een half jaar had ik een week verlof. Bij ons in West Java was het zo dat we dan naar Bandoeng gingen. Van iedere post mochten er twee man maximaal weg. Vanaf mijn post was dat nog een trip van zo’n 150 km. Men ging dan door de theetuinen en de rubberplantages. Onderweg reden we ook nog in een hinderlaag. Gelukkig geen mens getroffen. In Bandoeng konden we eerst de wapens inleveren, we kwamen daar in een groot vakantiecentrum genaamd: de Rustende Jager en hier werden we geheel verzorgd en konden we ons vrij bewegen.

    Salaris.

    Als sergeant verdiende je nog wel aardig maar daaronder was het niet veel. Een korporaal had 120 Roepia in de maand. Een soldaat verdiende 60 Roepia. Als je extra patrouilles liep dan kreeg je 5 Roepia. Alleen liep je het risico dat je niet terug zou komen. Dan was dat een dure patrouille. Maar ik heb dus veel geluk gehad.

    Eindelijk terug.

    Ik werd teruggezet van de MP naar het bataljon. Na een week ging de reis per trein naar Semarang Daar zijn we nog een nacht overgebleven en daar heb ik Theo Berendsen, van Jan van Kees, nog ontmoet. Theo is nog een jaar gebleven om de TNI op te leiden.
    Van Semarang gingen we naar Tjimahi , een bekende garnizoenstad in West Java. Daar kregen we nieuwe kledij van pakken die een ander niet meer aan wilde. Zelf heb ik toen lang gezocht naar wat fatsoenlijke kleren en het leek nog wel aardig.
    Begin april 1950 gingen we aan boord van de Generaal Howze , een Amerikaanse boot. Onderweg kregen we wel komisch eten vonden wij en er brak een soort opstand uit aan boord. Ik heb er zelf wel niet aan deel genomen. Boven op de brug van de boot stond de Amerikaanse kapitein met enkele anderen met machinegeweren, zo onrustig was het aan boord. Na enkele uren was e.e.a. gesust en daarna werd het eten ook anders.
    tonk louis verlofpas 2 mei 1950 coll. l.tonk (Custom)

    Aankomst in Amsterdam.

    2 mei 1950 kwamen door het Noordzeekanaal aan in Amsterdam. Het was trouwens de eerste keer in mijn leven dat ik zoveel tulpen zag op die grote velden. Op de kade in Amsterdam stond de muziek ons op te wachten. Er was een ontvangstcomité en we kregen onze sigaretten, de meeste hadden we zelf al onderweg in Aden gekocht. Ook kregen we wat handgeld, ik dacht zo’n driehonderd gulden.

    Aankomst in Huisssen.

    tonk louis thuiskomst in de bloemstraat mei 1950 coll. l.tonk (Custom) rottjers ton en louis tonk thuiskomst indie 1950 bij rottjers polseweg  coll. l.tonk (Custom)

    We werden met de bus naar huis gebracht en toen we thuis aankwamen was alles versierd en er stond zelfs een grote boog in de Bloemstraat. Ik kreeg nog een fiets en een horloge van onze familie en de buurt , gelukkig maar, want als we e.e.a. nog zelf hadden moeten kopen dan hadden we er geen geld voor gehad. De dank des vaderlands is u gewis !
    Ook was er muziek en er werden toespraken gehouden. Een groot avontuur ging ten einde en we waren blij dat we het overleefd hadden ondanks de middelen die we bezaten hadden we het gevoel dat we het niet slecht gedaan hadden. Ook de ondersteuning was ons niet altijd duidelijk. Van onze vrienden uit de oorlog: Amerika en Engeland alleen maar tegenwerking en verdraaiing van de feiten. Wij zijn met een schoon geweten teruggekomen en ik wens de bevolking van Indonesië het allerbeste en dat ze hun weg vinden in dat paradijselijke land. Juli 1950 werden we gedemobiliseerd.

    Reünie.

    Na enkele jaren werd in de Buitenpoort een bijeenkomst georganiseerd of dat door de gemeente of het thuisfront georganiseerd was dat weet ik niet. Ook was er een kleine fototentoonstelling en Harrie Linsen, die kapitein in het leger was hield nog een toespraak. Ook heb ik nog de oorkonde voor Orde en Vrede ontvangen met 2 gespen.
    Na die tijd ben ik nog twee keer voor herhaling opgeroepen en daarna hebben we de boel ingeleverd. Wat ik me nog kan herinneren, ik denk typisch Nederlands klein geestig en bekrompen, we moesten voor een paar sokken en een pet die ik miste nog betalen. Ik ging toen wel met een komisch gevoel naar huis.

    Indië reünies.

    Tot voor twee jaar terug ben ik ieder jaar nog naar de reünies geweest in Oirschot van de 5-7 RI. Ieder gaat dan naar zijn eigen bataljon, en het ligt eraan waar men toen is opgekomen. Er is dan ook een dodenherdenking en daarna krijgen we dan altijd een Indische rijsttafel aangeboden. Altijd heel gezellig. Maar zo langzamerhand worden de mensen zo oud en kunnen dan vaak zelf niet meer autorijden, want zelf heb ik ook al problemen met de ogen.Wel ontvang ik nog altijd het blad: Sobat en Checkpoint want dat vind ik wel erg interessant. Ook ga ik ieder jaar nog naar Roermond, intussen met mijn kleinzoon die in het Sauerland woont, voor de herdenking.

    Genoegdoening.

    De laatste 20 jaar heeft men wel geprobeerd veel goed te maken voor de veteranen. Ik heb geen wrok maar hoe ze ons toen hebben laten vallen als een rot ei zonder vergoeding zonder tegemoetkoming. Het had de regering goed gedaan als ze iedere Indiëganger bij hun AOW 100 Euro extra hadden gegeven voor de rest van hun leven.
    Zelfs het ereteken en de gedenksteen in Roermond hebben we voor het grootste gedeelte nog zelf betaald, dat is een schandvlek vind ik. Maar de dank des Vaderlands is u gewis !

    tonk louis bij indie herdenking roermond coll. l.tonk (Custom)Dat heeft toch allemaal een bittere nasmaak. Het zij zo en het leven gaat verder. Alleen als mij iemand er naar vraagt dan moet ik het wel kwijt.
    Voor de Zandse Indiëgangers is er een plaquette met namen aangebracht achter in de Zandse kerk. In totaal hebben er bijna tweehonderd Huissenaren dienst gedaan in Indië en Nieuw Guinea.

    plaquette in de zandsekerk met zandse indiegangers coll. h.h. (Custom)

    Afsluiting.

    We zijn aan het eind gekomen van mijn verhaal. Ik ben dankbaar dat ik het allemaal nog beleven mag.

    Opgemaakt door:

    H.Hoen

    Gesprek d.d. 14 april 2011 met:

    Louis Tonk

    Heerstrasse 76

    53340 Meckenheim (Dld)

    14 April 2011.

  • Een Huissense tuindersjongen Arnold Janssen in Kalkar Open or Close

    Huissense tuindersjongen in Kalkar (D). Arnold Janssen van Paasavond.


    kalkar1 (Custom)

    Arnold en Annie

    Ik ben geboren te Huissen op 20 december 1929 op Paasavond G.43. Mijn ouders waren Hendrik en Hentje Janssen-van Dalen. Op 16 juni 1957 ben ik getrouwd met Annie Mom door Jopie Elings op het gemeentehuis te Huissen. De kerkelijke inzegening was in de kerk van Maria ten Hemelopneming. Annie (Johanna) werd geboren op 16 juni 1932 aan de Polseweg te Huissen. Sinds 1959 wonen wij in Kalkar op de Hammelweg nummer 7.

    Huwelijk Henk en Dora

    Mijn broer Henk en Dora Nijenhuis ( van de Hogewoerd ) zijn op 18 juni 1957 ook in Huissen getrouwd. Daarna zijn we met zijn allen in een Volkswagenbus van Jan van An van tante Marie naar Den Hoorn vertrokken, inclusief de twee honden.

    Hoe in Kalkar terechtgekomen

    In 1954 kwam ik via via als volontair in Kalkar terecht bij de heer Wilmsen in Hönnepel-Kalkar. De heer Johannes Wilmsen kwam mij zelf ophalen bij ons thuis op Paasavond. Het was begin september op een maandag. Omstreeks zes uur ’s morgens vertrok ik naar de remise in Bemmel. Daarna met de bus naar het station van Nijmegen en vandaar met de bus richting Duitsland. Aan de grens werd ik gecontroleerd door de douane zoals dat toen gebruikelijk was. Bij de grens nam ik de tram richting Kleef en na lang wachten nam ik de bus naar Hönnepel, waar ik rond negen uur aankwam. Ik ben daar drie maanden geweest. De heer Wilmsen had een huis voor mij en ik zou loonsverhoging krijgen maar ik moest zelf op zoek naar een vrouw. Al die toezeggingen ten spijt wilde ik weer naar huis.

    Den Hoorn 1956

    Met een verkoper, dhr. P.Bolt, die een optie had van een stuk grond van 10 ha., ben ik na wat heen en weer handelen tot overeenstemming gekomen over de aankoopsom en tot koop overgegaan. Mijn achterliggende gedachte was dat dit net iets voor mijn broer Henk en zijn verloofde Dora was. Maar mijn vader zei dat die grond voor mij bedoeld was. Ik was er niet zo blij mee omdat ik liever als rasechte Huissenaar op Paasavond was gebleven en daarbij kwam nog als ik weg zou gaan ik al mijn liefhebberijen in Huissen eraan moest geven. Toen schoot me een gedeelte uit de Bijbel in mijn gedachten waarin staat: Zij verlieten het ouderlijk huis en stichtten een familie.

    Ik zag wel in dat een bedrijf met twee broers in dezelfde plaats betekende dat de spoeling dun zou worden. Eigenlijk was ik niet zo enthousiast om naar Den Hoorn te gaan want vanaf mijn achttiende af had ik al problemen met mijn hart en dat kwam telkens weer terug. De ene keer had ik er meer problemen mee dan de andere keer maar het kwam wel telkens terug en ik liep met de gedachte rond: hopelijk wordt ik veertig jaar en kan ik me het wel verantwoorden om een taak als het stichten en onderhouden van een familie op mete nemen ? Laat ik een ander er niet mee zitten ? Mocht er onverwijld wat gebeuren met mij, wat dan ? We zijn met een oude legerauto, genaamd Karolus, naar onze nieuwe bedrijven getransporteerd.

    Op Paasavond hadden we veel groenteplanten voorgetrokken en transportondernemer Toon Hegeman uit Huissen met als chauffeur Chris Coenen transporteerde e.e.a. naar Den Hoorn.

    kalkar2 (Custom)

    Archief: H.Hoen

    De lente was zeer koud en de grond liet niet toe dat we de planten konden poten. We hebben het wel geprobeerd maar in plaats dat de planten groeiden werden ze steeds kleiner en er bleef niets van over. Uiteindelijk zijn we maar begonnen met spitten, ploegen harken en zaaien. Half april zijn we opnieuw begonnen met poten, dat was drie weken later dan in Huissen.

    De eerste verdiensten in Den Hoorn

    Van onze Thé kwamen we het een en ander te weten over het veilingwezen, de gemeentelijke vergunningen enz. Onze Henk was al snel aan de verdiensten. Hij begon met staand- en plat glas. Onze eerste inkomsten kwam van een stuk spinazie, gezaaid rechts aan het begin van het straatje naar ons huis.
    De messen werden daags van te voren geslepen om niet te vergeten. ’s Morgens om drie uur zaten Annie en ik te wachten, op een veilingkistje, totdat het licht zou worden om dan de spinazie te snijden. De spinazie bracht toen 0.17 cent per kilo op. Het soort dat we daar verkochten noemden we apenhaar, het had geen gewicht van een oppervlakte.   Maar het begin was er. Het bedienen van een weegbrug hebben we op ons genomen voor wat extra bijverdiensten.

    De weegbrug

    De weegbrug was gebouwd in een huis. Het leek op een ouderwetse bascule maar dan in het groot met schuifgewichten. Een lege vrachtauto moest eerst gewogen worden door het mechanisch afdrukken in het huisje en daarvan kreeg de chauffeur ’n kopie mee. Nadat de chauffeur terug kwam met vracht b.v. vlas, stro enz. werd er een nieuwe afdruk gemaakt. Het lege gewicht werd afgetrokken van het totale gewicht (dus netto van bruto) . Het nettogewicht moest dan betaald worden aan de coöperatie van de boeren. Wij gaven alle gegevens door aan de coöperatie en werden een keer per maand uitbetaald.
    De weegbrug lag ongeveer 150 meter van ons huis af. Weegkosten waren van het leeggewicht gratis en het netto gewicht van een wagen moest betaald worden. Per ton was dit 0,30 of 0,50 cent. Daarvan was de helft voor ons. In het eerste jaar (1957 ) hadden we zo 1200.= gulden extra verdiend. Al met al viel het ons niet mee. Wij hadden alleen vergunning voor fruit en groenten. Het lag toen allemaal aan banden wat je wel en niet mocht verbouwen. De bloemkool en spitskool werden hartziek, verrotting was hier het gevolg van. We dachten toen, volgende week beginnen we aan de worteltjes, maar al snel bleek dat deze aan de onderste helft totaal verrot waren. De bonen kwamen ook niet aan hun gewicht. Dus het probleem was niet alleen, wat wordt hier gekocht maar vooral, wat groeit hier in deze zeelucht en grond. In de winter hadden de spruiten (ca. 1 ha.) een ziekte die ik nog nooit eerder had gezien. De kosten kregen we er niet uit.

    We blijven niet hier

    We kochten nog wel een betonnen warenhuis met een oppervlakte van 1400 m2 , het stond 230 kilometer verderop. De prijs van dat warenhuis bedroeg 4200.= gulden.
    We moesten het zelf afbreken met hulp van Thé, Henk en Jan Wiersema. Dat was in december 1957 bij 12 graden onder nul. We sliepen op stro bij 6 graden onder nul en hielden elkaar warm. Mensen uit de omgeving die ons zagen brachten ons bij het afbreken lekkere warme soep e.d. Een transportonderneming uit Sappemeer had voor 400.= gulden aangenomen om het betonnen warenhuis naar Den Hoorn te rijden. Later zei die transportondernemer dat het een slechte deal was geweest. Het had hem geld gekost. 
    Met de kerst waren we net thuis en in januari 1958 zijn we aan het opbouwen gegaan. Tijdens het opbouwen ben ik uitgegleden en is er een stuk opgezette betononderbouw langzaam als een kaartenhuis tegen de grond gegaan. Van de 1400 m.2 bleef er nog maar 900 m.2 over. Op dat moment hadden we ook geen geld om een stuk bij te kopen. Ook had ik door die val een blessure aan de arm opgelopen en heb drie weken in het gips gelopen maar alles moest ondanks dat toch doorgaan. In april 1958 konden de eerste andijvie- en tomatenplanten gepoot worden.
    Onze dochter Karin was al geboren op 5 maart 1958 maar bij mij stond het vast: Ik blijf hier niet.

    Naar Hönnepel (Kalkar)

    Ik heb al aangegeven dat ik in 1958 al had besloten dat ikniet in Den Hoorn zou blijven. Ik had een aanvraag kunnen indienenbij de Nederlandse Staat die in de Noord Oostpolder nieuwe bedrijven uitgaf aan diegenen die daarvoor geschikt waren zoals groente-fruit-akkerbouw en 19 veeteeltbedrijven , maar met mijn papieren en kennis was zoiets gedoemd te mislukken. Een groot huis en een stuk grond van 4 ha. voor een minimale pachtprijs konden we krijgen met als optie dat het na 30 jaar je eigendom zou worden. Naar mijn mening zat daar een addertje onder het gras. In plaats van R.K. in te vullen op de papieren had ik Nederlands Hervormd moeten invullen. Achteraf blijkt dat hier in dit gebied er procentueel maar weinig katholieken wonen. Maar goed, die tijd is voorbij en maar niet meer aan denken.
    Tijdens ons verblijf in Den Hoorn hadden we nog steeds briefcontact met dhr. J.Wilmsen uit Hönnepel (D).
    Op 15 augustus 1958 ( verplichte zondag in Duitsland) diende de heer Wilmsen zich aan om eens wat zakelijks te willen bespreken. Het resulteerde erin dat hij ons overhaalde om in Duitsland te komen wonen. Ik zou geen werknemer van hem worden maar medefirmant in zijn bedrijf nop deafdeling tuinderij. Na wat voorwaarden van onze kant stemden we ermee in.
     

    kalkar3 (Custom)                
    Johannes Wilmsen te Kalkar. Archief: Arnold Janssen.

    Het bedrijf wat wij nu hadden in Den Hoorn konden we na twee jaar als eigendom beschouwen. De opbrengst van de verkoop zouden we dan in de onderneming van Wilmsen kunnen steken in procentuele deling, hetzij winst of verlies maar met beiden dezelfde zeggenschap en een grondloon.
    Ook werd afgesproken dat, mocht er onverhoopt ergens een bedrijf voor ons gunstig te verkrijgen zijn, dhr. Wilmsen ons dat gewetensvol moest meedelen. Het resultaat was 19,7 % voor ons. Grondloon was 500.= DM. in de maand,netto bleef er 480.= DM. over. In Den Hoorn hadden we inmiddels het bedrijf met woning, glas en schuur voor 32000.= gulden verkocht.

    Februari 1959

    Eindelijk was het zover, februari 1959. We zouden naar het voor ons onbekende land vertrekken. In deze winter liep ik nog met de arm in het gips met een peesschedeontsteking. Dat heb ik overgehouden van het spruiten plukken. Dit seizoen was beter als het eerste seizoen 1957-1958. Karin was inmiddels al één jaar en Annie was in verwachting van ons tweede kindje.
    Na afscheid te hebben genomen van onze toch wel vriendelijke buren in Den Hoorn gingen we in de grote cabine van de verhuisauto richting buitenland.
    In Huissen moest nog even het looprek, spellen en alles wat met een baby te maken had opgehaald worden en Karin, de peuter, werd bij opa en oma Mom afgezet. Na verschillende controles aan de grens en in Kleef kwamen we in ons nieuwe huis aan.
    Moeder Annie ging eerst mee naar Duitsland en ging later met de verhuiswagen weer terug naar Huissen. Dit stond nog in verband met een familie die nog in het huis woonde waar wij onze intrek zouden nemen.
    Moeder Annie stapte uit de auto, keek rond, liep naar binnen, zei goedendag tegen de mensen (familie Berendonk) en schrok van de woning. Vervolgens holde ze half struikelend naar de verhuisauto, ze stapte in en riep huilend:
    God o God en daar zal ik moeten wonen ? Tijdens het twee uur durende uitladen van de verhuiswagen is ze niet tevoorschijn gekomen. Op deze nogal trieste dag, zowel qua weer als gemoed, namen we afscheid. Moeder Annie ging terug naar haar ouders en ik had het nakijken en woonde ongeveer zes weken in een krot waarvan twee kamers voor mij bestemd waren. De grootte van deze twee kamers was bij elkaar ongeveer 12 m2. De meubels waren daarin opgeslagen en ergens daartussen was mijn slaapgelegenheid. De familie Berendonk had de rest van het “huis”. Die familie bestond uit een moeder (oma), een zoon met zijn vrouw van ongeveer 35 jaar en een meisje, zij was verstandelijk gehandicapt.

    Intrek in de woning

    Als ik de familie Berendonk snel uit het huis wilde hebben moest ik volgens Johannes Wilmsen maar een handje helpen. Het was zijn huis maar de bewoners hadden nog het recht van wonen totdat de woning in de Monrestrasse ergens op een bovenverdieping klaar was. Dus ’s avonds na 19.00 uur stond ik in mijn eentje die woning aan de Monrestrasse klaar te stomen. Dit wilde zeggen dat er deuren gesteld moesten worden, timmeren, verven, gipsen, leidingen leggen enz. Na ongeveer vier weken vertrok de familie Berendonk en had ik de woning, zeg maar barak, of liever een soort ruïne voor mij ( ons ) alleen. In de kelder liepen en kropen allerlei vreemde dieren rond tussen de omgewoelde tegels. De trap naar de zolder was half verrot, evenals de zolder zelf. De dakpannen waren ook kapot en je kon zo naar buiten kijken. Het gebruikswater kwam uit een pomp die vol met algen zat en het water zelf was grondwater. Het afvalwater verzonk drie meter verderop in de grond. Ons toilet bestond uit een zinken emmer met een plank erop, net als vroeger, een soort latrine. Het e.e.a. was geplaatst onder een afdak waar poep, aangevreten stro en allerlei rommel de boventoon voerde. Daartussen door renden de muizen en ratten, ze waren banger voor ons dan wij voor hen. Ik vroeg me af: waren we geëmigreerd of waren we in de aap gelogeerd ?

    Renoveren

    Voordat moeder Annie vanuit Huissen overkwam had ik al een beetje met de franse slag de zaak op orde gesteld, maar er moesten nog allerlei dingen gebeuren voordat je kon zeggen: het is hier fatsoenlijk wonen. Gelukkig, zou ik zeggen, dat moeder Annie in de eerste twee weken niet verder kon kijken dan 20 meter door de mist. Maar een groot nadeel van die mist was dat ze dacht dat we alleen op de wereld waren. Desalniettemin moest er ijverig wat gedaan worden.
    Van mijn zijde was er alleen tijd over om ons huis te renoveren in de late avonduren en ’s middags een uur. Dan was het stenen sjouwen, cement maken om te metselen, kruien enz., allemaal handlangerswerk. Johannes Wilmsen had een ervaren metselaar en timmerman en die kostte 2.= DM. per uur, dus het bijwerk moest een ander doen, daar was hij te duur voor. Zodoende was ikzelf toch wel het haasje. In de loop van 1959 hadden we ons tussendoor toch nog een aardig bewoonbaar huisje gecreëerd. Natuurlijk was er ook een lachende derde, in dit geval namelijk Johannes Wilmsen.

    Oogsttijd

    Op 28 juni 1959 aanschouwde Irene het levenslicht. Het was een hete droge zomer. Zo kreeg moeder Annie allerlei dingen te doen. Dit was misschien maar goed ook, want dan had ze niet zoveel tijd om over levensvraagstukken na te denken. Zelf had ik het ook zeer druk. ’s Morgens om 03.30 uur was ik al zo’n 250 meter waterbuizen aan het verleggen voor het beregenen. Om 04.00 uur moest ik daarmee klaar zijn,want dan kwamen onze helpers. In normale tijd waren er dat zo’n 10 à 12 personen. In de oogsttijd, van hetzij aardbeien, tulpen of gladiolen, waren het wel 30 à 40 personen. Mijn rol op het bedrijf was voorman, later bedrijfsleider en initiatiefnemer afdeling tuinbouw. We teelden o.a. 2 ha. spinazie, 3 ha. snijtulpen, 2 ha. prei, 2,5 ha. bloemkool, 1 ha. witte kool, 1 ha. rode kool, 3 ha. spruiten. In 1959 was het nog 1,5 ha. aardbeien en in 1961 7 ha. met de toenmaals beste soorten. Een goede afzet van planten hadden we aan een firma Harry Willemse, verzendhuis uit Kranenburg. Ongeveer 400.000 stuks. 1959 was een zeer goed jaar. Dit kwam door de droogte en wij hadden een goede beregening. Wij leverden een goed product en op de markt werd er goed voor betaald.

    Nieuw warenhuis

    Eind 1959 bouwden we een nieuw warenhuis van 20.000.= DM. en we schaften nog wat nieuwe machines aan, waaronder tractoren. Johannes Wilmsen deed de handel en mijn deel was leiding geven aan het werkop de velden, afwerking, produkten voor de markt enz. inclusief het bevorderen van het saamhorigheidsgevoel en de werklust van onze werknemers.

    kalkar4 (Custom)

    Warenhuis familie Janssen te Kalkar (D). Archief: Arnold Janssen.

    Gestopt

    Officieel zijn we in 1992 gestopt met de tuinderij, maar met wat raad en daad is dat enkele jaren nadien geworden. Irene, onze dochter, had vanaf de koop in 1977 ook twee tuincentra, een hier op het bedrijf en een in Weeze. In 1998 heeft ze ervoor gekozen een bloemenzaak te beginnen in Kalkar.
    Vanaf 1960 tot 1977 hadden we een pachtboerderij, vertuinderd naar 1 ha. glas voor bloemen en op de koude grond 3 ha. tulpen en 3 ha. gladiolen. Ook verbouwden wij aardbeien. Eerst verkochten alleen de aardbeien, en na twee jaar zijn we met de handel in aardbeienplanten begonnen. Langzaam maar zeker is dit uitgegroeid tot een bedrijf met veel afnemers in Duitsland, zowel tuinders als wederverkopers van potplanten.

    kalkar5 (Custom)

    Erik (ch) Janssen te Kalkar. Archief: Arnold Janssen.

    Erik

    In 1992 heeft onze zoon Erik alles overgenomen en wel vrij van vreemd geld. In de loop van de jaren heeft hij zich geconcentreerd alleen op aardbeienplanten. Het gaat hierbij voor 95 % om potplanten, tot wel 15 miljoen stuks in een jaar. Momenteel heeft hij 5 ha. glas met alles wat erbij hoort. Tweederde van de afzet is in West Europa. In het hoogseizoen zijn er wel zo’n 50 personen werkzaam op het bedrijf. Het meeste van de 45 ha. grond is in eigendom.
    Annie en ik zijn zeer tevreden en wij gaan regelmatig een vakantietour maken en wij zijn blij dat onze gezondheid ons niet in de steek laat.
    Wij danken onze Heer dat wij dat alles nog mee mogen beleven.

    kalkar6 (Custom)

    Arnold en Annie Janssen-Mom en kinderen Kalkar (D.). Archief: Arnold Janssen.

    Afsluiting

    Wij wonen midden in het bedrijf op de Hammelweg nr. 7 in Kalkar. Eens in de drie à vier weken rijden we naar Huissen. We zijn lid van de Historische Kring Huessen, ik denk zelfs vanaf 1972. Alle Mededelingen heb ik vanaf die tijd bewaard.

    Arnold en Annie Janssen-Mom
    Hammelweg 7
    47546 Kalkar (D)

    Opgemaakt: april 2013 door H.Hoen
    Bewerking: Adelbert Verhagen-Huissen

     

  • Confectie atelier Theo Rijsemus Open or Close

    Confectie atelier Theo Rijsemus

    Door: Annie de Jong-Janssen te Gendt

    rijsemus theo confectieatelier 2e zandsestr arch dick rijsemus (3) (Custom)

    In 1953 is Theo Rijsemus begonnen in het huis van sigarenwinkel Sessink-Ratering in een achterkamertje in de Karstraat tegenover de Valom.
    In 1954 is het naaiatelier verhuisd van Huissen naar Angeren in de Lodderhoeksestraat tegenover het huis van Willem Brandts.
    Annie en Riekie de Koning , Truus Janssen en Riet van Aalten waren de eerste werkneemsters bij Theo Rijsemus in Angeren.
    We zijn begonnen om manchester broeken te maken voor Ordelmans in Zutphen.
    In 1956 is Theo Rijsemus met zijn atelier verhuisd naar de barakken van de voorheen gevestigde St. Werenfridus BLO school op het Zand in Huissen aan de 2e Zandsestraat. De BLO school met aan het hoofd meester Andries Hettinga was toen al vertrokken naar Bemmel. Geleidelijk aan kwamen er meer dames bij en het machinepark werd uitgebreid. We werkten met ongeveer 14 machines en we waren met bijna 20 dames, inclusief de dames voor de eind controle. We maakten ook weer manchester broeken en daarbij ook manchester jacks voor de fa. Ordelmans uit Zutphen. Theo had alles goed geregeld en omdat ik ging trouwen in 1959 moest ik ontslag nemen. Want toen was het zo dat als men ging trouwen de vrouw niet mocht blijven werken, daar werd dan schande over gesproken.
    Daarna heb ik nog wel contact gehad met o.a. de meisjes van Lentjes , en met Ans ,Marietje en Liedie Hoogendoorn en de Riekie de Koning.
    De werksfeer was heel erg fijn en mijn huidige man, Herman de Jong toen bakkersknecht bij Harrie Vedder op ’t Klaphek te Huissen, heeft toendertijd diverse foto’ s gemaakt van het atelier waar we nu nog graag op terug kijken.

    Rijsemus2 (Custom)

    Confectie atelier Theo Rijsemus-Huissen-Zand
    Archief: Dick Rijsemus

    Opgemaakt door: H.Hoen-Huissen

    i.o.m Annie de Jong-Janssen te Gendt

    5 juni 2013

  • Het “ Moment van de Eeuw” Open or Close

    Het “ Moment van de Eeuw”

    Van en door: Wim Huisman
    Geboren: 10 mei 1928 te Huissen
    Zoon van: Thé Huisman & Klasina Kuijer.
    Woonde: Helmichstraat E 142
    Opgetekend: april 1999
    Huisman (2) 

    Wim Huisman
    (Archief: H.Hoen)

    Alhoewel ik al bijna driekwart van deze eeuw heb meegemaakt en vele momenten van belang heb gekend, is mijn “Moment van de Eeuw “ toch wel het bombardement op Huissen op 2 oktober 1944.
    Voor menig Huissenaar een bekend gegeven. Zo ook voor mij, die dit bombardement, tesamen met mijn ouders, nog 7 broers en zusters en 3 kennissen aan ‘den lijve‘ heeft ondervonden. Deze vernietigende aanval heeft een diepe indruk achtergelaten. Daar kwamen nog bij 2 Duitse militairen, waarvan er één flink was gewond en die terugkwamen van het front aan de Karbrug.
    In totaal dus 15 personen.
    Wat is er toen gebeurd in het gezin van de familie Huisman aan de Helmichstraat ?
    Na de tegenslag in de luchtlandingsoperatie “Market Garden “ sedert 17 september 1944, was Huissen en omgeving van rustig gelegen in de Betuwe, veranderd in frontgebied.
    Luchtgevechten en een spervuur van granaten waren aan de orde van de dag, we raakten er aan gewend.
    Eind september waren er verhoogde activiteiten en het aanvoeren van versterkingen door de Duitsers richting van de frontlinie ter hoogte van de Karbrug was kennelijk nodig.
    Dit was het begin van echt angstige dagen en nachten. Zeker toen op 2 oktober 1944 al vroeg een serie voertuigen en enkele Tiger-tanks tegenover ons huis onder de bomen werden geparkeerd. Gelukkig vertrokken deze tegen de middag, maar het bleef onrustig.

    Bidden.
    Luchtalarm was al eerder gegeven, dus verbleven we met z‘n allen in de kelder van ons huis. Ik zat als oudste van het gezin op de trap naar de deur. Opeens ging de deur helemaal open en kwamen er 2 Duitse militairen binnen die ook een schuilplaats zochten, niet voor niets zo bleek later.
    Ze trokken de deur achter zich dicht, iets wat ons benauwde en wat ik nog nooit eerder had gedaan, met het idee in noodgevallen er nog uit te kunnen. We hoorden veel lawaai, gedonder en trillingen, wat de enen Duitser omschreef als: dass sind unsere neue waffen, terwijl de ander zat te bidden dat alles maar goed mocht gaan, totdat omstreeks half een het fatale “moment” in onze omgeving plaatsvond.

    Voltreffer.
    Door een voltreffer op het winkel/woonpand van onze naaste buren (de fam.P. Schrijver) was alles met de grond gelijk gemaakt. Daar vonden 5 personen de dood.
    Van ons winkel/woonhuis was ongeveer de helft ingestort. Alleen de winkel, de werkplaats en de voorgevel stonden nog overeind. In de kelder (met 15 personen) was er indringend gehuil en geschreeuw van de kinderen, ik hoor het nog !
    We zaten allemaal tot ¾ in het puin ingesloten, hapten zeker 5 minuten alleen maar stof en het was pikdonker.
    Ik heb toen werkelijk de dood voor ogen gezien en dacht: Hier komen we nooit meer uit of we stikken. We hebben gewoon geluk gehad dat de meeste stenen naar buiten zijn gevallen.

    Naar het zustersklooster.
    Toen het stof was opgetrokken gloorde er wat licht tussen de stenen door. Al woelend hebben er enkelen zich wat bevrijd en een gat achter zich gemaakt waar we uiteindelijk allen levend zijn uitgekropen, de Duitse mannen als laatste met achterlating van hun schietuitrusting. Buiten op de puinhopen zagen we pas goed welk een ravage er was aangericht, vreselijk !
    Samen met mijn broer Kees hebben we onze buurman met bovenmenselijke kracht onder een dikke ijzeren balk vandaan gehaald en heb ik die man, die nogal gewond was en nadat door een pater Dominicaan de laatste zalving was toegediend, op een kruiwagen van andere buren naar de kelder van het Zustersklooster gebracht en daarmee gered. Tegelijkertijd werd daar pastoor/deken Th. v. Wijk zwaar gewond op een deur binnen gebracht.
     

    Huisman (3)

    2 Oct.1944 Bombardement op Huissen-Stad.
    Reproductie van een foto, geplaatst in het voormalig weekblad
    ,,Van Honk” (voor Ned. arbeiders in Duitsland) van 25 Oct. 1944.
    Het onderschrift der Duitse propaganda luidde:
    ,,Na een der terreur-aanvallen van Amerikaanse bommenwerpers
    op een kleine stad in het Oosten van ons land”. ,,De bevolking
    brengt het weinige, dat zij konden redden in ,, veiligheid”.
    (Foto P.K.Pauli)
    De opname werd gemaakt vóór het Gemeentehuis, korte tijd na het
    Bombardement op de Helmichstraat. Te onderscheiden zijn: links de gevel
    Huisman*s Schoenhandel, die juist op instorten staat; daarnaast rechts
    Maison Hendriksen; daarnaast huis van Van Bon.

    Terug bij de puinhopen ontdekte ik het begin van brand bij de buren. Zonder verder na te denken heb ik bij ons in een bijkeuken-die ook nog overeind stond-het vuur in een fornuis, waarop een grote pan tomatensoep stond, daarmee gedoofd. Misschien zou dat helpen, je weet maar nooit !
    Daarna ben ik het gat van de kelder weer in gekropen en heb ik gezocht naar enkele tassen, waarvan ik wist dat mijn ouders daar wat waardevolle en eigen spullen (o.a. onze spaarpotten) in hadden gestopt.
    Na enig moeilijk zoeken-alles had dezelfde kleur en lag grotendeels onder het puin- vond ik toch wat ik wilde hebben. Deze spullen heb ik aan mijn vader gegeven die helemaal ontredderd aan de overkant van de straat onder een boom stond. Daar bewaakte hij wat dozen met schoenen die hulpvaardige mensen uit het nog begaanbare deel van de winkel haalden, wetende dat anders de hele handel toch zou verbranden.
    Hard hollend over de puinhopen in de straten ben ik de brand nog gaan melden bij de brandweercommandant, de heer V.Siepman, op de Markt. Die kon ook niet direct uitrukken, omdat hij met zijn materiaal gedeeltelijk onder het puin zat.
    Terug bij de resten van ons huis was het al snel duidelijk, dat er verder niets meer viel te redden. Even later kwam de brandweer toch nog opdagen en zij hebben kans gezien de schoenmakerij te behouden. Van deze actie is de boven afgedrukte foto, welke ik door een Duitse officier heb zien maken en die na de oorlog op de proppen kwam.
    Het enige toevluchtsoord waar we naar toe konden was het Dominicanenklooster.
    Mijn moeder was daar (licht gewond aan haar hoofd) met de andere 7 kinderen al naar toe gegaan.

    Huisman (4) 

    Beschadigde Dominicanenklooster 1945
    (Archief: HKH)

    Evacueren.
    Na enige dagen daar vertoeven met veel angst en beven, hebben we met nog enkele andere mensen besloten op 5 oktober 1944 maar te gaan evacueren.
    Wij hadden immers toch niet achter te laten; we waren de Hemel dankbaar dat we het er levend vanaf hadden gebracht. Verder waren we volledig berooid en hadden we niet meer dan wat we op dat moment om ons lijf hadden.
    Via de oude dijk gingen we in optocht, voorop 1 persoon met een stok en een witte lap eraan, door Arnhem-Zuid, tussen de uitgebrande en vernielde pantserwagens, tanks en ander oorlogstuig, allemaal overblijfselen van de “slag om de brug”, over de toen nog intact zijnde brug, de stad Arnhem door en via de Amsterdamseweg gelopen tot aan West-End. Dat was een aardige kluif. We werden moe, kregen dorst maar het was gelukkig mooi weer.
    Vanaf dit laatste punt met z‘n allen op een vrachtauto naar Otterlo. Daar werd mijn moeder nog enkele dagen verpleegd in het Sint Hubertusslot.
    Wij verbleven in enkele kippenhokken. Daarna is de familie doorgegaan naar Laren (N.H.), de geboorteplaats van mijn moeder, waar wij bij verschillende familieleden werden ondergebracht en daar ook de hongerwinter en de latere bevrijding in mei 1945 hebben meegemaakt.

    Huisman (1)
    Thé Huisman bij zijn afgebrande winkel/woning

    (Archief: K.Huisman)

    Tot zover dit “korte” verhaal van hetgeen ik in die tijd heb ervaren en waarover ik nu voor het eerst iets heb beschreven. Alles staat me nog steeds helder voor de geest.

    Onze ouders zijn reeds lang overleden, maar wij kunnen het na bijna 55 jaar (1999) met de 8 kinderen Huisman uit de Helmichstraat-de een heeft het wat meer beleefd dan de ander-nog allemaal navertellen
    Voor mij blijft de dag van 2 oktober 1944 “het Moment van de Eeuw”.
    Die dag zal ik nooit vergeten; die heeft een diepe indruk op mij gemaakt.
    Ik hoop dit nooit meer mee te maken en ben dankbaar dat ik er nu nog in gezondheid over kan schrijven.

    Wim Huisman, april 1999
    Bewerking: H.Hoen augustus 2012.

  • Levensloop Oma Neijenhuis van Herry Neijenhuis Open or Close

    foto1foto2

    LEVENSLOOP MA



    Onze moeder, Janna Aleida Boden, roepnaam Leida, werd op 9 september 1915 geboren in Semarang op Java, uit het huwelijk van een Nederlandse vader en een Javaanse moeder.
    In dit gezin werden later nog 2 meisjes en een jongen geboren.

    Leida groeide op in een beschermd gezin en kende een zorgeloze jeugd. Haar vader was toentertijd in Semarang als militair werkzaam bij de Genie van het Koninklijk Nederlands Indische Leger.
    In haar tienertijd was bij haar vader als KNIL-militair werk-zaam Bob (Hermanus Johannes) Neijenhuis uit Huissen, waarmee ze later op 19 augustus 1932 te Fort de Kock op Sumatra trouwde
    Daar de Geniedienst van het KNIL de hele Nederlands Indische archipel bestreek, kon het dus gebeuren dat haar man overal in de archipel tewerkgesteld kon worden.
    Het logische gevolg daarvan was dat haar kinderen op verschillende eilanden van Ned. Indie geboren werden. Haar eerste vijf kinderen werden allemaal jongens.
    De 1e, Theo, kwam op Sumatra ter wereld, nr.2, Paul,op Celebes(Sulawesi), nrs. 3,4 en 5, resp. Herry, Wil en Ben, op Borneo (thans Kalimantan).
    Na de 2e Wereldoorlog kreeg Leida in Batavia op Java eindelijk, waar ze zo lang naar had uitgekeken, een dochter, Hanneke. Na haar kreeg ze, tij-dens verlof in Holland, er nog een bij, Janneman, die volgens de wens van Pa in Huissen geboren werd.
    Ze had veel verdriet dat ze hem niet zo lang mocht behouden. Hij is overleden op 8-jarige leeftijd te Udenhout.

    Toen haar man in de 2e Wereldoorlog door het Japanse leger krijgsgevangen werd gemaakt en naar Birma op transport werd gezet om aldaar aan de spoorweg over de rivier De Kwai te werken, bleef ze gedurende de gehele oorlogstijd in Batavia al-leen achter met 5 opgroeiende jongens.
    Ze was toen 26 jaar en je kon aan haar merken dat haar opvoeding op militair leest geschoeid was, want ze had haar kroost behoorlijk onder de duim.
    De sapo-lidi of de sapo-ajam was altijd bij de hand.

    Haar ouders, zusjes en broer waren al in 1932 gerepatrieerd naar Holland. Groot was haar verdriet toen ze reeds vroeg in het begin van de oorlog officieel van het Rode Kruis bericht kreeg dat haar man was omgekomen
    Op bewonderenswaardige wijze hield ze haar gezin in deze voor haar moeilijke jaren bijeen. In deze periode had ze heel veel steun aan haar oudste zoon Theo die toen maar pas 8 jaar was.
    Vooral de tijd na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945, toen een onzekere tijd voor het gezin aanbrak, leunde ze zwaar op haar oudste zoon die inmiddels 12 jaar was.
    Zeer verbaasd en blij was ze dan ook toen haar man toch opeens in levende lijve voor haar stond.

    In de jaren 1947-49 ging het gezin met verlof naar Holland. Gedurende die periode kende haar kinderen voor het eerst een regelmatige schoolperiode.
    In 1949 werd de Soevereiniteit over Nederlands Indië overgedragen aan Indonesië. Haar man.was al eerder teruggegaan naar Indonesië i.v.m. de militaire missie.
    In september 1949 volgde haar gezin hem weer naar de Gordel van Smaragd en wel naar het eiland Tarakan voor de kust van Borneo.
    In maart 1951 werd het dienstverband met het KNIL-leger beëindigd en keerde het gehele gezin voor goed terug naar Nederland. De familie vestigde zich in Huissen, de geboortestad van haar man.
    Haar kinderen gingen weer naar school, weliswaar met achterstand. Mijn moeder leerde ons toen ook wat afwassen – afdrogen – ramen zemen stofzuigen en de was doen.
    In Holland hadden we immers geen bedienden meer. Toen wij die werkzaamheden onder de knie hadden werd er een “toerbeurt”door haar opgesteld.
    De latere echtgenotes van haar jon-gens hadden er veel profijt van. De eerste jaren dat mijn moeder in Huissen woonde stond ze er alleen voor. Haar man kwam alleen in het weekend naar huis.
    En wanneer haar man dan thuis was vroeg hij hoe het met de kinderen gegaan was. Ze vertelde dan dat die en die stout waren geweest. Die kregen dan een uitbrander.
    Wij waren dan als kind zo blij dat de “boeman” maandag weer naar de kazerne terug ging. Haar kinderen kregen verkering, trouwden en vlogen uit. L
    eida en haar man,die in-middels gepensioneerd was, kregen eindelijk de tijd voor zichzelf. Ze beheerden samen het zwembad aan de Grote Bloem en la-ter het Zwanenbad Ze kampeerden daar ook de hele zomer door.

    Toen ze ouder werden hielpen ze mee in de organisatie van de Ouden van Dagen-reisjes.
    Leida collecteerde ook nog jaren voor de Zonnebloem. Iedere dinsdag gingen ze samen naar Bronbeek, waar haar man voorzitter was van de Vereniging Madjoe, van voormalige KNIL militairen
    Toen haar man in november 1983 overleed verhuisde ze eerst naar Arnhem en in mei 1995 naar Wageningen waar ze dichtbij haar dochter Hanneke ging wonen.
    Dat was Huize De Roosebrink, waar ze met veel plezier van haar 80ste tot haar 92ste jaar heeft gewoond.

    Haar laatste levensjaren werd ze liefdevol verzorgd in Huize “Rumah Kita” verzorgingshuis voor ouderen die gepatenteerd waren met het voormalig Nederlands Indie.
    Leida kreeg in haar leven 7 kinderen, 6 jongens en 1 meisje – 15 Kleinkinderen en 24 achterkleinkinderen. Haar nazaten zullen zeker nog vaak en heel lang aan haar denken.
    Lieve Mam, lieve Oma, aan wat er van je kinderen en je kleinkinderen geworden is heb je jouw deel zeker bijgedragen. Je hebt je leven goed ingevuld en je mag best trots zijn op jezelf. Rust zacht.

    Je Kinderen, Kleinkiinderen en Achterkleinkinderen

  • Henk Scholten Open or Close

    Henk Scholten
    De Geer 14
    6851 ED Huissen
    Geboren:14-05-1927 te Huissen
    Overleden: 27-12-2011 te Arnhem
    Archief: Henk Scholten

    scholten (2)

    Mijn Indië ervaringen.
    De keuring voor de militaire dienst was in Nijmegen maar daar werd ik afgekeurd vanwege een breuk. Ik moest me binnen acht dagen laten opereren want dan kon ik nog mee naar Indie. In het Elisabethgasthuis werd ik geopereerd en verbleef daar vijf dagen. Begin 1946 ben ik opgekomen voor mijn nummer in Kamp Hulten bij Tilburg in de barakken van de arbeidsdienst die er toen nog stonden..Het onderdeel was DKG wat betekent: Dienst Kwartiermeester Generaal. Ik volgde daar een opleiding voor de infanterie.

    Inschepen.
    2 Mei 1946 was het inschepen in Rotterdam en met de Indrapoera (vrachtboot) vertrokken we naar Indië. De reis duurde 21 dagen en ging via de Atlantische oceaan, de Middellandse zee via het Suezkanaal naar de Indische oceaan. Uit verveling werden er nog wel rare capriolen uitgehaald onder meer werd er uit van boord gesprongen om even te zwemmen en men kwam dan tussen de haaien terecht maar er is niemand aangevallen.
    Aan boord waren ook, naar wat later bleek, oud SS * ers die waren vrijwillig meegegaan en die durfden nog meer als wij. Die lui werden, toen we eenmaal in Indie waren, gelijk door de MP opgepakt en afgevoerd.
    We kwamen in Medan op Sumatra aan, daar gingen enkele kameraden van boord en wij voeren verder naar Tandjong Priok en Batavia.
    We werden vervoerd naar de mr.Corneliskazerne op Batavia daar verbleven we 3 dagen en daarna werden we verdeeld. Wij gingen met ongeveer 25 personen naar Tandjong Priok en werden tewerkgesteld in de haven om militaire schepen te lossen.
    Als chauffeur had ik ook een motor en verzorgde de post, maar ook moest ik de nieuw aangevoerde wagens inrijden.
    De wat oudere voertuigen werden gelijk het binnenland ingereden, en de nieuw ingereden wagens werden weer op de boot gezet en vervoerd naar Sumatra.

    scholten (3)
    De Indrapoera
    Bron: website troepentransportschepen

    Ook heb ik auto-en motorrijles gegeven aan de Marva*s die in Batavia in de marinekazerne gelegerd waren. Ik heb daarna nog lang contact gehad met een zekere Toos Vogel uit Amsterdam die bij de Marva*s diende.
    Ook kwam ik nog wel Huissenaren tegen o.m.Henk Brons uit de Hoeve, mijn broer Piet, Piet Leijser uit de Geldersche hoek, Jan van Gijs Peters, Bart Straatman en Piet Hetterscheit.
    Bart Straatman (eig.van de Buitenpoort) heb ik een keer op de motor naar Batavia gebracht omdat hij een boodschap wilde doen want hij zou terug gaan naar Holland.
    Toen we eenmaal reden vroeg ik aan Bart of hij een sigaretje wilde hebben en ik wilde hem de sigaret zo naar achter aangeven. Bart schrok zo dat ik met losse handen reed en schreeuwde: hou vast dat stuur want in ga binnenkort naar huis !
    Al die jaren ben ik in Batavia in de haven gebleven, op mijn baret stond: AVP en dat betekende Algemene Voertuigen Park,gekscherend werd het ook wel algemene verkeers politie genoemd.

    31 augustus 1948 Koninginnedag, een gedenkwaardige dag.
    De 31e augustus is een datum die al die jaren scherp in het geheugen van mij ligt.
    Het was de allerlaatste dag van Koningin Wilhelmina, maar de feestelijkheden gingen aan ons voorbij in Batavia.
    Het was in Tandjong Priok toen de dag begon met een appèl. We waren verzameld op een open ruimte binnen het havengebied. Na een toespraak van de hoogst aanwezige militair-de haven commandant-en het zingen van het Wilhelmus, zat voor ons de dag erop. De rest van de dag waren we vrij en er werd niet gewerkt in de haven.
    Normaal was het avondappèl *s avonds om 24.00 uur, maar op speciale dagen kon het wel eens onrustig zijn; vandaar dat het laatste appèl wordt vastgesteld op 18.00 uur. En achteraf gezien is dat wel onze redding geweest !
    Op de afdeling voertuigen was een amfibievaartuig terecht gekomen, hiermee kun je zowel op de weg rijden als in het water varen. Bij landingen vanuit zee worden die voertuigen ingezet.
    Niemand wist op dat moment wat we ermee zouden moeten doen.
    Maar wij wisten het wel, we gebruikten het voertuig voor recreatieve doeleinden.

    De zee op.
    We hadden snel toestemming gekregen bij de officier van piket en met zo*n twintig man was het wegwezen geblazen. Geen lunchpakketten voor onderweg, maar wel gamellen met thee mee, want drinken in de tropen is van levensbelang.
    Voor de kust van Java ligt de *duizend-eilanden-groep* en onze opzet was een tochtje naar en langs een aantal bijna onbewoonde eilanden te maken.
    Alles ging perfect totdat om een uur of elf de motor begon te pruttelen en er uiteindelijk de brui aangaf. Geen nood want aan boord waren jongens die werkten op de afdeling voertuigen en die konden het defect wel oplossen.
    Er was benzine genoeg, maar waar ligt het dan aan ?
    Wij-de niet monteurs-maakten van de gelegenheid gebruik om overboord te springen voor een frisse duik tussen de haaien. Echter haaien zagen we niet maar wel reuze kwallen. Dus uit de buurt blijven.
    Er verstreken uren en het bleek dat de monteurs de boot niet meer aan de praat konden krijgen, en we werden met de golfstroom mee langs de eilandjes gevoerd en van de kustlijn was helemaal niets meer te zien.
    We probeerden met z*n allen de boot zwemmend duwend naar een eiland te brengen. Maar de eilandjes kwamen niet in zicht en ze verdwenen in de verte. Onbegonnen werk dus.
    De motor werkt dus niet meer en dat betekent dat ook de pompen niet meer werkten om het overtollige water weg te pompen. We krijgen plotseling natte voeten en we zullen moeten hozen !
    We zaten echt in de problemen en de enigste manier om het water weg te krijgen was om met onze gamellen, waar thee in zat, te hozen. Maar dan hebben we niets meer te drinken en dat is onverantwoord.
    We kwamen erachter dat we niets bij ons hadden om te seinen, geen radio, geen rook- of vuurpijlen, en zelfs geen reddingsvesten.
    Wat we zouden kunnen doen is om met zijn allen naar een eiland te zwemmen, maar we kunnen geen afstand inschatten en de haaien en kwallen ? Zijn we allemaal wel van die goede zwemmers ?
    Enkele jongens durfden het aan en in de verte zie je ze af en toe kopje ondergaan. Om de boot zo licht mogelijk te houden wordt besloten om naast de boot te zwemmen, dat scheelt met water binnen krijgen. We besluiten om de thee op te drinken en het gamel te gebruiken om te hozen. Als de boot maar blijft drijven zolang is er hoop.

    Het appèl om 18.00 uur.
    Het wordt *s avonds zes uur en dan is het appèl, en het is al pikke donker in de tropen.
    Er ontbreken een twintigtal militairen, en dat geeft de nodige paniek, waar zijn ze ?
    Het amfibievoertuig is niet op zijn plaats, dus moeten ze nog ergens onderweg zijn. Het gebeurd wel eens dat een boot vastloopt in het moeras dus daar wordt eerst gezocht, echter er wordt niets gevonden.
    Men wist dus niets van onze jongens, overvallen, verongelukt ?
    Uiteindelijk besluit de officier van piket de marine te waarschuwen en er vaart een patrouillevaartuig uit. Zoeken op de grote Java zee naar een klein bootje is zoeken naar een speld in een hooiberg.

    SOS seinen.
    Plotseling zien we aan boord in de verte de lichten van een patrouillevaartuig heen en weer zigzaggen. We seinen SOS: driemaal kort, driemaal lang, driemaal kort. En maar blijven herhalen. Maar de capaciteit is te gering om door de marinemensen opgemerkt te worden.
    Onze magen beginnen te knorren, en de stemming wordt er niet beter op. Ook het appèl hebben we gemist !

    Koninginnedag receptie.
    Aan wal was de paniek compleet, en de compagniescommandant moest op de hoogte gebracht worden, maar waar is hij ? Hij is op de Koninginnedagreceptie bij de gouverneur-generaal, van Mook, in het paleis aan het Koningsplein in Batavia. Ter ere van de laatste receptie van Koningin Wilhelmina.
    Als daar het bericht binnen komt van de vermissing van een twintigtal militairen is het einde receptie.
    Iedereen spoedde zich naar de haven en alle marineschepen worden getelegrafeerd om uit te kijken naar een vaartuig met militairen. Ook een verkenningsvliegtuig wordt ingezet om na het krieken van de dag op zoek te gaan.

    Verbranden van kledingstukken.
    Het is al ver na middernacht als enkele kameraden op het idee komen om onze uniformen in de benzinetank te doen en dan aan te steken, en dat zouden we dan ieder kwartier doen met een ander stuk kledij..Zo gezegd zo gedaan en er gaan heel wat kledingstukken in vlammen op. Ondertussen proberen we wat te slapen op de banken en het hozen gaat ook niet meer van harte. Plotseling een lichtflits, maar voor de anderen kunnen kijken is het al weer verdwenen de anderen denken dat het een grapje is en kunnen dat niet waarderen.
    Dan weer een lichtflits en de anderen zien het ook, de redding is nabij !
    Het marine-vaartuig met aan boord een admiraal, maakt zich vast aan onze boot. En we kunnen het amfibievaartuig eindelijk verlaten. Een van ons moet achterblijven om als roerganger dienst te doen.
    We gaan richting kust, we liggen op zo*n zestig kilometer vanuit de kust dus het duurt nog wel even voordat we in de haven aankomen.

    Aankomst in de haven.
    Om ongeveer zes uur *s morgens varen we de haven binnen en er staat een ontvangstcomité o.l.v. gouverneur-generaal van Mook en we moeten ons melden. Omdat ik wist dat mijn broer Piet ook met de boot was gearriveerd had ik toestemming gekregen van de compagniescommandant , die uit Velp kwam en dus dicht bij Huissen woonde, om naar hem toe te gaan de volgende dag. Wel hebben we ons afgemeld met: terug van weggeweest ! Wat ik later hoorde heeft Gouverneur-generaal van Mook een donderspeech gehouden en in krachtermen die niet voor herhaling vatbaar zijn.
    Onze eigen compagniescommandant heeft heel wat menselijker gereageerd. We gaan eerst een paar uurtjes slapen en daarna komen jullie maar vertellen wat er gebeurt is .
    Twee van onze jongens zijn er slecht aan toe, ze hebben verbrandingsverschijnselen en moeten direct naar het ziekenhuis.
    De volgende ochtend moet de marine opnieuw uitvaren om nog vier jongens,die gezwommen hebben, van het eiland op te halen.
    Binnen enkele dagen moeten we voor de Krijgsraad verschijnen en hoge officieren ondervragen ons, niet over wat er gebeurd is, maar over allerlei regelementen, waarvan wij nog nooit gehoord hebben.
    Strafmaatregelen tegen ons blijven uit, maar de officier die ons toestemming had gegeven om de boot te gebruiken kreeg veertien dagen arrest.
    Waar wij wel voor moesten opdraaien, dat zijn de in brand gestoken uniformenstukken. Die moesten we terugbetalen.

    Familie Gerichhausen in Batavia.
    In Batavia ben ik regelmatig bij de fam.Stef Gerichhausen geweest Zij woonden op de Westerweg 26 en Stef was hoofd van de recherche in Batavia. Ik heb daar vele gezellige uurtjes doorgebracht en Theo Polman uit de Karstraat ging ook wel eens mee.
    Voordat ik naar Indië ging wist ik al dat daar de fam.Gerichhausen uit de Hoeve woonden, dus ik vond het wel leuk om de Huissenaren daar op te zoeken.
    scholten (4)
    Archief: Henk Scholten

    Terug naar Holland.
    Op 24 maart 1950 arriveerden we na een reis van 19 dagen met de Waterman in Holland en kwamen aan in Rotterdam.
    Dezelfde dag werden we met een bus naar Huissen gebracht en toen we op de Geer aankwamen stond er veel volk, maar de eerste die mij begroette na al die jaren was onze hond Loekie. Ook muziekvereniging Volharding was aanwezig met voorzitter Everardus Vliem (Hà)
    Van de buurt kreeg ik een nieuwe fiets aangeboden. Daar ben ik Zondag*s mee naar Gerrit Roelofs van Café Lombok gegaan.
    Het was daar erg gezellig o.m. Hent en Up Janssen van de Olieslager waren daar maar ook Peer van het taxibedrijf uit Doornenburg,
    Hent en Up stelden voor om de nieuwe fiets bij hun op de slaapkamer achter het bed te plaatsen. Toen hebben we de fiets genomen en via de opkamer werd de fiets veilig achter het bed geplaatst.
    Na enkele gezellige uurtjes werd ik *s nachts om 01.00 uur door Peer naar huis gebracht.

    scholten (5)
    Archief: Henk Scholten

    Toos Vogel.
    Toen ik in maart 1950 terugging naar Holland kreeg ik een pakketje mee van Toos Vogel (Marva) en moest die bezorgen bij haar ouders in Amsterdam.
    Toen ik net een paar dagen thuis was zei ik tegen mijn ouders : ik kan het niet meer thuis houden ik ga naar Amsterdam.
    Ik vertrok met mijn militaire klofje aan en vroeg in Amsterdam bij het politiebureau waar ik het ouderlijk huis van Toos kon vinden, zij boden mij aan om me weg te brengen.
    De ouders wisten niet wat ze zagen toen ik daar voor de deur stond en schrokken behoorlijk.
    Daarna heb ik geen contact meer gehad met die familie.
    Tot op een zekere dag na ongeveer 30 jaar Annie Roelofs uit de Karstraat in de bus zat naar haar werk en naast haar een dame had plaatsgenomen die tijdens het gesprek vroeg waar ze vandaan kwam. Annie zei ik kom uit Huissen en de dame woonde in Duiven en ze vroeg ken je dan een zekere Henk die in Indië geweest is ? Annie vroeg heb je daar een foto van ? Nee, maar ik breng deze week een foto mee en kunnen we kijken wie het is.
    Zo gezegd zo gedaan in die week trof Annie de dame weer in de bus en ze had de foto bij zich. Annie heeft de foto meegenomen naar Henk Kruijs die tegenover haar woonde en toen bleek dat het Henk Scholten van de Korte was die op de Geer woonde.
    Enkele dagen later kwamen drie dames uit Duiven met de fiets naar Huissen om Henk op te zoeken. Ze reden eerst een tijdje op en neer in de Geer en toen belden ze aan bij Henk.
    Henk was zeer verrast dat het de drie vrijgezelle dames waren die samen bij de Marva hadden gediend in Indië en nu in Duiven woonden.
    Het contact is nog wel enkele jaren gebleven maar toen een van de dames ziek werd en overleed is het contact, ook mede door hun verhuizingen, verbroken.

    Ereteken voor orde en vrede.
    In 1951 werd op Beloken Pasen door de Gemeente Huissen een reünie georganiseerd voor de Indië veteranen en in 1952 heb ik het ereteken voor orde en vrede ontvangen, uitgereikt door burgemeester dhr.F.Terwindt van Huissen.

    scholten (1)
    Archief: Henk Scholten

    Oranje Nassaumijn in Heerlen.
    Eenmaal terug in Huissen kwam ik weer in mijn tuindersvak terug op de Geer bij mijn ouders.
    Na enkele maanden ben ik naar Heerlen gegaan om te werken in de Oranje Nassaumijn 1, en heb daar tot 1966 gewerkt. De eerste acht jaren ondergronds en toen 6 jaren bovengronds.
    In 1955 ben ik in Heerlen getrouwd met Dies van Zwaay uit Huissen die daar woonde, want de moeder van Dies was voor de tweede keer getrouwd met Theo den Hollander die in Apeldoorn woonde en die zijn toen verhuisd naar Heerlen.
    In 1966 ben ik met Dies terugverhuisd naar Huissen op de Geer 14.Daar heb ik gewerkt bij de firma Heijting a.d. Polseweg. In 1980 ben ik afgekeurd en heb daarna samen met Dies op de oude tuinderij onze hobby*s kunnen doen.
    We hebben twee kinderen gekregen: Gerard en Ineke. Gerard woont nog bij ons op de Geer en Ineke woont in Eibergen.
    We hebben nu zes kleinkinderen en daar zijn we erg trots op. Omdat onze gezondheid er niet beter op wordt is het moeilijk om de veteranenreünies te bezoeken. Ik ben vaak in Bronbeek geweest, maar nu zouden we het fijn vinden als er weer zoiets zou worden georganiseerd maar dan bijvoorbeeld binnen onze eigen gemeente Lingewaard.

    Henk Scholten
    23 september 2010.
    Opgemaakt door: H.Hoen-Huissen

  • Herinneringen aan het vooroorlogse Huessen Open or Close

    Herinneringen aan het vooroorlogse Huessen
    Door: Louis Frequin, 1983.
    Uit het archief van: Theo Janssen

    Het devies van de Huessense Carnavalsgezelschap “De Kraonige Zwaone‟ luidt: op zijn Latijns: “Hussiae stultorum infinitus est nummerus”. In goed Huesses heet dat: “*t Aontal Huessense gekke is onèindig groot”. Ik ben er één van. Voel me in elk geval zo, en voel me er derhalve thuis. Omdat er ongetwijfeld personele dwarsverbindingen tussen de “Kraonige Zwaone” en uw –onze- illustere “Historische Kring” bestaan, kunt u zich voorstellen dat ik, als één van die gekken en tevens lid van uw kring van harte de uitnodiging aanvaard heb om over mijn Huessense jaren uit mijn herinnering te putten. Je moet eigenlijk wel een beetje gek “gek” zijn om dat te doen. Immers, men zegt dat bij het ouder worden, het geheugen slijt. Ik had bovendien geen gelegenheid “bronnen” te raadplegen, dat voor een lid van de “Historische Kring “ toch eigenlijk een verplicht nummer is.
    Het wordt dus beslist geen wetenschappelijk praatje, maar pure herinneringen, die uit hart en geest opwellen.

    De Gelderlander en het Dagblad van Arnhem.
    En tenslotte is het precies een halve eeuw geleden, dat ik van de toenmalige directie en hoofdredactie van “De Gelderlander” de eervolle en verantwoordelijke opdracht kreeg om als jong journalist de zware concurentie-slag aan te gaan met het toenmalige Dagblad van Arnhem- een Spaarnestad produkt-dat zich toen plotseling met een ochtend-én avondblad op het reeds decennia lange Gelderlander-bolwerk Huessen en wijde Over-Betuwse omgeving stortte. Mijn uitvalspoort moest Huessen zijn. Allereerst vanwege dat GP-bolwerk zelf maar òòk, omdat de zoon van de toenmalige, gezaghebbende burgemeester Helmich, Vic, die later desondanks een goede vriend van me zou worden, tòt hij op tragische wijze bij een motor-ongeluk omkwam, de aanvoeder van de tegenpartij werd.
    Ik werd als parachutist, op mijn eentje, in het onsterfelijke Huessen gedropt en ik moest allereerst een goed, maar vooral toen-we zaten in de beruchte crisisjaren-tegelijk een goedkoop onderkomen zien te vinden.
    Daar had ik kennelijk een goede neus voor. En dat komt waarschijnlijk, omdat mijn familie uit het Bourgondische stamt.

    De Gouden Engel.
    Misschien ben ik toen ook wel geïnspireerd door de romantische naam “De Gouden Engel”, een gerenommeerd café én restaurant van de familie Derksen-Martens, waar behalve de tantes Reintje en Anna, twee aardige Gouden Engelen resideerden: Stien en Annie. Alsmede zoon Wim.
    Aan “De Gouden Engel” zat een ongebruikte aanbouw vast- met een zeer grote ruit aan de straatkant en met openslaande deuren aan de zijkant- die bij enige overleg gehuurd kon worden tegen de somma- als ik me wel herinner- van f 25.= per maand. Het zelfde bedrag, dat ik kort voor de eervolle benoeming per maand verdiende.
    Die grote kamer wàs het helemaal. Met een prachtige tapkast en biljart in de nabijheid, en een kast vol medailles en bekers, die Wim Derksen met zijn exclusieve snelle doffers en duiven toen al gewonnen had.

    Jan Neijenhuis (de Beer)
    De eerste aankleding bestond uit een bureau met een zitje, en vòòr het grote raam een leeskast. Daar liet ik een offerte voor maken. Jan de Koning uit de Langestraat, die een aardige en mooie dochter Doortje had, werd het maken van de kast, à raison f 20.=, inclusief het plaatsen ervan, gegund.
    In Huessen hadden we toen als krant twéé steunpunten: voor de stad de legendarische Jan Neijenhuis, bijgenaamd Jan de Beer, stadhuisbode, mank en niet alleen agent voor het stadsgedeelte, maar ook correspondent, of –zoals ze dat toen noemden: Krispedent. Hij zat overal tussen, bracht goed nieuws aan, stond op zijn correspondenten-ponteneur en zat achter
    de bezorgers aan. Hij karde voortdurend op zijn onafscheidelijke damesfiets door Huessens dreven, op zoek naar nieuws voor de krant. Ik had maar één probleem met hem: dat was de verslaggeving van de gemeenteraad. Die heeft altijd hoogst interessant gefunctioneerd en was dus kaasje voor de krant. Neijenhuis stond er echter op die zelf te verslaan, daarbij geassisteerd door secretaris van Dort. Na lange tijd kon ik tot een compromis met Jan de Beer komen, die ik menigmaal in zijn dienstwoning, onder en aan de achterkant van het oude gemeentehuis op de Markt heb opgezocht. En hij mij meer in mijn kantoortje. In het laatste nummer van “Mededelingen” stond nog een prachtige foto van dat vroegere gemeentehuis op de omslag en binnenin interessante gegevens van onze voorzitter Th.Janssen.
    Jan Neijenhuis is meer dan een halve eeuw aan de Gelderlander verbonden geweest.

    Familie Ververgaart.
    Het tweede steunpunt was het agentschap voor het Zand en omgeving van de familie Ververgaart, die in een boerderij aan de Bloem woonde.
    De zwaar besnorde vader Ververgaart had de verantwoordelijkheid, maar heel zijn gezin werkte mee aan de bezorging. Moeder Ververgaart-in mijn herinnering leeft ze,alsmaar spruitjes schoonmakend op de deel voort-had meer de praktische leiding. Rustige, bijna zwijgzame mensen. Ze hoefden dan ook niet voor nieuws zorgen, zoals Jan de Beer.

    Over-Betuwe.
    Ik zelf zorgde voor wat ze tegenwoordig het “management”‟ noemen. Niet alleen voor Huessen, maar voor de gehel Over-Betuwe. In Elst waren ze jaloers dat het kantoor in Huessen gevestigd was, behalve Herberts die alleen maar concurrentie voor zijn weekblad vreesde. Net als in Huesssen,Bemmel,Doornenburg,Gendt,Lent,Angeren,Elden,Valburg,Herveld, Heteren en Randwijk won ik er toen vrienden. Vooral de befaamde Jan Taminiau, die mij-toen ik door de Duitse Sicherheitsdienst begin 1943 gearresteerd was- na hardnekkige pogingen uiteindelijk toch uit de nazi-handen kreeg.

    Interessante mensen.
    Interessante mensen uit die tijd waren buiten Huessen de toenmalige burgemeesters van de onderscheiden gemeenten: Van Elk, Herckenraath, Crevels en niet te vergeten dekens en pastoors, en vele paters dominicanen uit het klooster. Prof. Otten met name. In Huessen zelf mocht ik allereerst vele vrienden en vele goede kennissen maken. In het verenigingsleven, de gilden en ga maar door. Teveel om op te noemen, maar als eersten schieten me te binnen: Smidje als naaste buur, Toon Lippmann en zijn broer, Willem Martens van het veer, de kosters Brons, meester Willems, Franken van de veiling, meester Linsen van de Tuinbouwschool, Jan van Veer van het stadhuis, de befaamde houthandelaar en organist Jansen, de wethouders Rut Vermaas en Tonk. En later Siepman, veldwachter Zweers.

    Wethouder Vermaas.
    Aan wethouder Vermaas bewaar ik een bijzondere herinnering. Hij zocht mij een keer op, voor wat hij toen “een delicate, familiale aangelegenheid” noemde. Ik was natuurlijk zeer benieuwd. Na een tactisch aanloopje, kwam hij met het water bij de dokter: hij had een mooi nichtje, bepaald niet onbemiddeld zoals hij zei en die was verliefd op het “‟Kéreltje van de krâant”. Wanneer ik contact met haar op prijs stelde, dan wilde hij desgewenst graag bemiddelen.
    Ik moest hem helaas vertellen dat ik in mijn wieg al verliefd moest zijn geweest, inmiddels al geruime tijd met een mooi blond deernje vree, die nu intussen al ruime 42 jaar mijn goede gade moeder van onze acht kinderen is.
    Maar het was toen wel diplomatiek Huessen op zijn best. En ik heb toen wel meer weerstanden aan de Huessense eros moeten bieden…..

    Burgemeester Helmich.
    De oorzak was beslist niet mijn komst naar Huessen, maar het was een van mijn eerste taken de begrafenis van mijn overbuur, burgemeester Helmich te verslaan. Dat ging met omfloerste gildetrommels, treurmuziek en rouwdragende vendels. Met de priester in groot rouwtenue en ouderwetse dragers. Een stijlvol gebeuren, vol goede tradities, die gelukkig nog altijd stand houden.

    Tante Anna.
    Bij een andere, veel latere treurige gebeurtenis- toen we tante Anna van de Gouden Engel gingen begraven-heb ik in de kerk een blunder gemaakt. Ik dacht achter in de kerk haastig het condeleanceboek te hebben getekend, maar koster Brons jr. maakte mij met een grote grijns bij de eerstvolgende carnavalsviering er op attent, dat ik het “ dodenboek” met speciale intenties getekend had…..Hetgeen, naar ik mag veronderstellen, een lang leven moet beteken voor een man, die “gek” van Huessen is.

    Costant Dony.
    De opvolger van burgemeester Helmich werd mr. Constant Dony, een Brabantse aristocratenzoon, een jurist met een groot, bijna gebeeldhouwd en ook nog intelligent hoofd, dat hij altijd in een heiligenpose, een beetje scheef dus, maar wel opgeheven droeg. Een eeuwige vrijgezel, die als jurist ook nog op de provinciale griffie in Arnhem een bestuurlijke training doorlopen had. Hij woonde toen vlak bij de Sabelspoort en verhuisde met zijn zuster, die zijn huishouden deed, naar Huessen, toen er vlak bij de stadskerk nieuwe huizen waren gebouwd.
    In plaats van vrouwen minde mr. Dony de kunst en de historie, en wanneer hij sprak , kon het gebeuren dat het geaffecteerde schuim, bescheiden overigens, op zijn mond kwam. Hij was nog een typische regent, maar je moet van zéér goede huize komen als je het als burgemeester in Huessen goed wilt doen. Dat wil niet zeggen, dat hij geen goede dingen heeft gedaan. Hij promoveerde de “Altena” van de Helmichs tot gemeentehuis en liet veel nieuwbouw tot stand komen. Een van de eerste dingen die hij mij bij de eerste ontmoeting toevertrouwde, was, dat hij aandeelhouder van De Gelderlander was. Waarop ik hem direct meedeelde, dat dit fijn voor hem was-er werd toen behoorlijk dividend uitgekeerd-maar dat ik daar voor mijn werk verder geen boodschap aan had. Integendeel zelfs. Toen ik een paar goede primeurs op gemeenteniveau, zonder zijn voorkennis, verworven en gepubliceerd had, zei hij me: “U bent voor mij een soort veulen van Troje”, waarop ik toen geantwoord heb, dat hij wel er rekening mee moest houden, dat een veulen een paard pleegt te worden en, derhalve uit moest kijken. Hij had de hand in een van de eerste sociologische studies die er in Nederland werd uitgebracht en die ging over Huessen. Ik herinner me dat hij er tijdens de Huessense kermissen *s avonds laat een gewoonte van maakte om als “hoofd van de politie” met een grote zaklantaarn langs droge sloten en graven liep, als een soort storingsapparaat bij het bedrijven van de liefde.
    Misschien minder uit zedelijkheidsoverwegingen, maar in elk geval wel om het toen nog al grote percentage gedwongen huwelijken te helpen voorkomen, zoals hij zich terzake eens rechtvaardigde….. En toen hij mij-ik meen in 1936-uitverkoren had om als een neutrale voorzitter zitting te nemen in een van de stembureaus van het Saargebied, waar de bevolking zich moest uitspreken om of bij Frankrijk te blijven dan wel terug te keren naar het groot Duitse Rijk van Hitler-hadden ze op de trappen van het oude gemeentehuis in Huessen gekalkt: Dolle Dony is naar de Saar laten ze hem maar houwen, daar !

    De Umdracht.
    Mr.Dony wilde zich beslist erkend weten als Eerste Burger van de stad. Terecht, maar er zijn tradities, waar je vanaf moet blijven casu quo eerbied voor moet hebben.
    Zo liet hij al spoedig na zijn komst weten, dat hij tijdens de Huessense Umdracht als burgemeester onmiddellijk als eerste achter de baldakijn met het H.Sacrament diende te lopen. Maar sinds mensenheugenis was dat het onvervreemdbare recht van de beide Gildekoningen. Dat heeft tot hevige discussies geleid, zodat men tenslotte tot een compromis is gekomen, waarbij de burgemeester niet voorop, maar tussen de beide koningen mocht meelopen. Desondanks dacht ik dat mr. Constant Dony een goed en bekwaam bestuurder van Huessen is geweest.

    De zielzorgers.
    Goede herinneringen bewaar ik aan de zielzorgers van destijds. Aan de actieve dynamische pastoor Th.van Wijk, met veel gevoel voor de culturele verheffing van zijn parochianen en met zijn twee gezette Duitse huishoudsters; aan de landelijke pastoor Arie van Wijk van het Zand, die graag ieder jaar in de krant wilde staan tussen zijn zelf gekweekte azalea*s; en aan een reeks kapelaans, van wie ik graag kapelaan Nieberding noem. Hij was een fameus predikant, met grote zorg voor de arbeiders, wier geestelijke adviseur hij was
    Hij heeft mij meerdere keren lezingen laten houden, waarvan er een over Dr.Schaepman moest gaan., van wie de kernachtige uitspraak: “dat een arbeider recht op twee borrels per dag heeft “ in Huessen al ruim in de praktijk was gebracht.
    Hij was ook de stuwende kracht bij de grote gildenfeesten in het jubileumjaar 1936, toen de stad rijkelijk versierd was met stadspoorten, vlaggen en vaandels, Ik kreeg toen de eervolle opdracht om de tekst en de regie-aanwijzingen voor het openluchtspel “Vrij Volk” te schrijven, dat kapelaan Nieberding toen geregiseerd heeft. Dat waren nog eens tijden, ondanks alle vreselijke crisisjaren met veel armoede. Daar kom ik nog op terug.
    Ook met Pastoor Th. Van Wijk, met zijn hoofs gedragen goud-berande lorgnet op de neus, had ik veel contact. Hij zorgde zelf voor nieuws, vooral positief nieuws. Ook voor vele activiteiten die zijn beminde gelovigen meer aan hun eigen parochiekerk zouden binden. Immers: op bid-afstand lag de paterskerk, waar nog al wat Huessenaren bij traditie, niet alleen kerkten maar vooral gingen biechten…..
    Misschien waren de penitenties bij de paters beduidend milder. Pastoor van Wijk had overigens een zeer goede verstandhouding met de paters, al is het na de oorlog, waaraan pastoor van Wijk helaas ten slachtoffer viel, tot een crash gekomen. Maar dat is een hoofdstuk apart, dat buiten het kader van mijn praatje valt. Ik zou er nu alleen van willen zeggen, dat een aantal Huessenaren daarbij de “eerste krakers” in Nederland zijn geweest. Een primeur dus !.
    Het is de verdienste van pastoor van Wijk geweest, dat hij met zijn kerkbestuur architect ir. G. Leeuwenberg uit Utrecht opdracht gaf tot het ontwerpen van de vergrote en zeer mooie kruiskerk, die ook bij het bombardement van 1944 vernield werd en waarbij kostbare kunstwerken, waaronder het prachtige schilderij van de H.Drieëenheid, verloren gingen. Pastoor van Wijk was de oude tradities van Huessen zeer toegedaan, zoals die voortleefden in de Gilden, waarvan hij Oppergeneraal was, de Umdracht, het Judasverbranden en oude gebruiken; kortom, vooral daar, waar religie en volksgebruiken hand in hand gaan. Hij liet religieuze leken spelen opvoeren, waarvan ik er enkele mocht schrijven en wanneer zelfs de niet-katholieke, nationale pers kwam kijken. Er waren altijd minstens drie uitvoeringen inde toenmalige “volksbond”, die allemaal uitverkocht waren. In de bezettingstijd verscheen er een NSB-boek, waarin pastoor van Wijk en de auteur daarover nog gebrandmerkt werden als zijnde anti-nazi, maar die nazi-hoon kon toen alleen maar als een grote eer ervaren worden.
    Pater Felix Otten.
    Met pater prof. Felix Otten was ik zeer bevriend. Van hem heb ik veel geleerd. Hij was van de “klare waarheid” en had zondags voor de KRO een interessante apologetische rubriek over geloofsvragen van luisteraars. Later had ik ook goede contacten met pater prof. Dr. Steef Tesser, die aan de frater philosofie gaf. Toen De Gelderlander begin 1942 verboden werd, fietste ik met twee andere jonge Arnhemmers weer naar Huessen om bij hem in de spreekkamer van het klooster, colleges in philosofie, en vooral in de Logica te volgen. Die mij later, als jong hoofdredacteur zeer wel van pas kwamen.

    Sociale en economische problemen.
    Als jong journalist werd ik in de dertiger jaren al snel geconfronteerd met de toenmalige sociale en economische problemen van Huessen en het hele verdere rivierengebied. Ze omvatten twee belangrijke terreinen: die van de kleine boeren en tuinders, en die van de steen industrie, meer in het bijzonder de sociale situatie van de steenfabriekarbeiders.
    De ouderen onder U zullen ongetwijfeld nog bittere herinneringen hebben aan die troosteloze crisis-tijd, waarin het water van de sociale nood aan menige lip stond.
    Er draaide op de veilingen onnoemelijk veel groente en fruit door en de opbrengsten waren navenant. Er was door tuinders veel geld in kassen en warenhuizen geïnvesteerd Vaak ook nog met tweede hypotheken om te kunnen leven en dan dikwijls tegen woekerrenten van de banken. Renten, die toen dezelfde percentages als vandaag hebben, terwijl het normale percentage destijds minder dan de helft daarvan bedroegen.
    Kleine tuinders en kleine boeren, doorgaans beiden met gemengde bedrijfjes, waren er op gelijke wijze zeer beroerd aan toe en liepen vaak tegen de muur op van ellende. Het was in de Colijnse jaren met kalverschetsen en biggenmerken, een crisis, waarin we nu ook, zij het op heel andere schaal en om andere redenen, weer verzeild dreigen te raken. De sociale organisaties waren daarin betrokken, maar konden weinig doen. Ik heb me toen zeer in de problematiek van de kleine boeren en tuinders verdiept en er vele verhalen en reportages over geschreven om er de aandacht op te vestigen.
    Actie Bouman. Er kwam echter steeds meer verzet van de kleine boeren en tuinders, temeer omdat regering en parlement al even machteloos leken te zijn.
    Een man, Alphons Bouman uit Puiflijk, zelf kleine boer, nam het initiatief tot de “Actie van kleine boeren en tuinders” als fel protest tegen de à-sociale gang van zaken.
    Een protest, dat tot een fikse beweging uitgroeide. Dat de kleine boeren en tuinders hierin volop participeerden lag voor de hand. Alphons Bouman trok hier volle zalen. Zelfs de befaamde Henri de Greeve trok zich hun lot aan en wijdde er zijn lichtbakens aan en hield toespraken.
    Niet lang vòòr de oorlog waren er weer kamerverkiezingen en hoewel velen, de Actie-Bouman welgezind, hem sterk hadden ontraden mét het advies zijn actie binnen de RKSP te blijven voeren kwam Bouman toch met een eigen lijst uit.
    Een van zijn laatste propaganda-vergaderingen belegde Bouman in Huessen, in de zaal van Piet Mom aan de Valom, waar ik bij was. Hij maakte toen de fout zich op Henri de Greeve te beroepen, die daags voor de verkiezingen in De Gelderlander Bouman helaas op een aantal punten moest tegenspreken. Hoewel hij in Huessen nog veel stemmen kreeg, bereikte Bouman zijn doel; om in de Kamer te komen, niet. In de bezettingstijd is hij helaas fout gegaan. Toen hij na de bevrijding uit zijn interneringsstraf ontslagen werd, is hij, op weg naar huis, bij mij op de krant langs gekomen. Ik was stomverbaasd. Ik vroeg hem uiteraard waarom hij uitgerekend bij mij langs kwam ? Hij zei toen: allereerst om U en Uw krant dank te zeggen dat U altijd achter de kleine boeren en tuinders gestaan hebt en vervolgens om U te zeggen, dat ik spijt heb in de oorlog aan de verkeerde kant te zijn gaan staan.
    Maar jullie hebben mij nooit in de grond getrapt, Toen stond hij op en ging naar huis. Dat ontroert je op zo*n moment toch wel even als mens. En het is de eerste keer dat ik dit vertel.
    Niet lang geleden is er een publicatie geweest, waarin geïnsinueerd werd, dat de aanhang van de Actie-Bouman, die uiteraard veel respons vond in katholieke gebieden-niet omdat ze katholiek waren, maar omdat daar veel uitgemergelde kleine boeren en tuinders woonden-
    fascistoide als zijnde typisch voor katholieken, was. Ik vind dat valse en derhalve smerige voorlichting.

    Fabrieksarbeiders.
    In die dertiger jaren heb ik mij-journalistiek-ook zeer bekommerd met de steenfabriekarbeiders in dit rivierengebied. Het roerde zich als rustige plattelanders niet zoals het toenmalige arbeidersproletariaat in de grote steden. Maar ze waren wel zeer beklagenswaardige, uitgebuite en vrijwel rechteloze arbeiders. Ook in Huissen waren relatief veel steenfabriekarbeiders en het is mede kapelaan Nieberding geweest, die mij op hun problemen heeft gezet. Als er rijke steenfabriekanten waren, dan zijn ze het toen over de ruggen van die arbeiders geworden. Die steenfabriekanten hadden op hun terrein zelfs winkeltjes en kroegen. Als de arbeiders hun schamel loon beurden, konden de directeuren er meteen de rekening van de kruidenierswaren vanaf houden, en wie zal een steenfabriekarbeider in hun zware werk in de vlam-en ringovens van toen, met drassige tastvelden kwalijk nemen, dat ze aan het eind van de week Schaepmans devies niet al te letterlijk namen ? Maar ook daarin voorzagen de fabrikanten op hun terrein.
    Net als bij de kleine boeren en tuinders heb ik toen veel met beide partijen werkgevers en werknemers gepraat en er toen over geschreven. Twee namen wil ik hier nog met ere noemen, de vertegenwoordigers van een fabrieksorganisatie: Braam uit Gendt en v.d. Werf uit Utrecht, die als leeuwen voor hun arbeiders hebben gevochten. Van der Werf moest helaas zijn inzet bekopen met de dood in het concentratiekamp…………..
    Toen na de bevrijding de steenfabriekanten een beroep op de pers deden, om deze zwaar getroffen industrie langs onze rivieren bij het herstel te willen steunen, heb ik namens andere collega*s de voorwaarde gesteld, dat er garanties moesten zijn dat de à-sociale toestanden van vroeger nooit meer terug mochten komen, en dat de arbeiders als volwaardige mensen met een redelijk loon tegemoet zouden worden getreden. Dat heeft de toenmalige voorzitter van de Baksteenindustrie, de heer O. Huisman, toen plechtig toegezegd en nadien gehonoreerd.

    De Cultuur.
    Ik zou nog veel kunnen vertellen over het derde aspect van mijn verblijf in Huessen en wijde omgeving. Dat wil zeggen in het kader van mijn primaire journalistieke belangstelling in die tijd. Dat aspect betrof de geschiedenis, de taal, de volksverhalen en folklore. Kortom: de cultuur. Ik heb daar toen veel over geschreven in De Gelderlander en in de periodieke bijlage van de krant “Tussen twee bruggen”. Over dijkdoorbraken, de witte wieven, weerwolven, het spookhuus op het Binnenveld, het koningschieten, de nabuursplichten, oude ambachten en ga maar door.
    Ik ben zelf correspondent voor Huessen van een onderafdeling voor “dialecten” van de Nederlandse academie geweest. Maar Huessen heeft nu allang een eigen woordenboek, en de geschiedenis wordt thans binnen “De Kring” wetenschappelijk beoefend. Hulde daarvoor. Voor mij was het toen een soort pionierswerk, zoals ook het verzamelen van volksverhalen.
    In die tijd is ook nog een soort aanzet gegeven voor een soort heemkundige kring in de Over Betuwe, samen met Taminiau en de toenmalige dominee van Angeren Van Selm, zoals ik eerder een Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer- met veel publiciteit, bloesemtochten, knobelritten etc. op poten zette. Maar altijd met Huessen als centrum, omdat ik vond dat Huessen , en de hele Over Betuwe trouwens, met hun bloesem, landschap en tradities meer bekendheid, vreemdelingen en dus meer geld in het laatje moest krijgen. Een economische opzet dus.
    Achteraf is her “ grappig “ te vermelden, dat ik reeds in 1941 door de Gestapo verhoord werd, omdat ik verdacht werd van Oranje- en koningsgezindheid wegens
    1. het dragen van een anjer op de verjaardag van prins Bernard, en
    2. omdat ik tijdens een knobelrit vlaggetjes verspreid had met de tekst VV-0B.
    Dat VV-OB stond voor “Vreemdelingen Verkeer-Over Betuwe” , maar dat de bezetters lazen als “ Voor Vrijheid Oranje Boven”…….Dat was tijdens de knobelrit ook gezongen. Het bleef toen bij een ernstige waarschuwing, die overigens niet veel geholpen heeft. Er volgden twee arrestaties.
    In 1943 en een bijna fatale in begin 1944, omwille van een “vrij volk”, zoals de titel van het openluchtspel in 1936 reeds luidde.

    Vrij volk: de Huessenaren.
    En een vrij volk hebben de zeker de Huessenaren altijd willen zijn. In dit verband: ook het verzet heeft in Huessen zijn zeer moedige en effectieve rol gespeeld. Dat mag hier wel eens hardop gezegd worden en ik vind, dat het zinvol zou zijn wanneer daar in het tijdschrift van onze Historische Kring eens aandacht aan werd besteed. Dat is van historisch belang voor een samenleving als die van Huessen, die de vrijheid zo zeer in haar vaandel heeft geschreven. Ik denk b.v.aan de rol die de families Martens van het Looveer en Helmich bij het verbergen en transport van gevluchte Franse krijgsgevangenen hebben gespeeld. Ook aan de moedige wijze, waarop een man als Harry Martens zich op meerdere fronten van het harde verzet heeft geweerd met een groot gevaar voor eigen leven- ook in mijn eigen verzetsgroep- om van anderen, onder wie geestelijken, nog maar te zwijgen. Er is alle reden de uitkomst van die grondige studie naar het verzet van Huessenaren in geschriften vast te leggen. Ook ten behoeve van de jonge generaties.

    Mobilisatietijd rond 1940.
    Ik beperk mij echter tot rond 1940. Daarin vormt de mobilisatietijd, die in 1939 begon, een aparte tijd waarmee Huessen te maken kreeg, om van de vreselijke oorlogsperiode van bombardementen en evacuatie na september 1944 maar weer te zwijgen. Ik besluit er deze herinneringen mee.
    Met vele andere openbare gelegenheden was ook “De Gouden Engel” voor inkwartiering gevorderd en ik kon van nabij het wel en wee van de vele opgeroepen mobilisatie-soldaten mee maken, van wie de meesten al getrouwd en vaders van gezinnen waren. Het waren toen kleurige maanden; eigenlijk zonder veel benul van wat ons in mei '40 boven het hoofd zou hangen. Sergeant Van Bruggen, een schoolmeester uit Halfweg, had een kamer apart, waar hij de administratie bijhield en verlofpasjes uitschreef. Tussen het café en wat toen de “de schuur” werd genoemd was de gaarkeuken ingericht. De zolderverdieping van “De Gouden Engel “ was de slaapzaal, waar nieuwkomers vaak even geestig als hardgrondig ontgroend en geïnaugureerd werden. Overdag werd er veel gebiljart en het citroentje was toen, naast het pilsje, erg favoriet. Er werd gekaart en lol gemaakt en er werd door soldaten en burgers veel bezoek aan de Gelderlander-leeskrant gebracht om de bulletins te lezen, de uitgehangen krant en de kaart met de eerste frontlijnen na september*39.
    Ongeruste Huessenaren liepen vaak het kantoor binnen voor verdere informaties. Er was een soldaat Theo Bruins uit Coevorden, die achter een van de gouden engelen, Stien, aanzat; en een luitenant Grouw, die privé een Ford-sport bezat, waarschijnlijk omdat hij een uitgever van beroep was. Af en toe kwam grootmajoor Snoek een kleine donkere man met een grote voorgevel, op inspectie als commandant van de hele Betuwse hap, die in het Wapen van Elst, zijn hoofdkwartier had.
    Dan deed de ouwe hap of ze actief en in rep en roer waren, maar ze waren vanuit Elst tijdig en clandestien gealarmeerd. Aan het Looveer zat luitenant Lucas met wat ponteniersmanschappen bij de familie Martens ingekwartierd. Luitenant Lucas liet in mei '40 de pont de lucht in vliegen en is nadien helaas bij Dordrecht gesneuveld. Later heeft vader Martens een tijdelijke tweede hands pont ingelegd. Ik heb daar toen nog een verhaal over geschreven en die pont “een huurling” genoemd, toen een gloednieuwe in de vaart werd gelegd. De favoriete man in de mobilisatietijd was de vrijgezellen reserve kapitein Jansen, commandant van het fort Pannerden;een vaste, gezellige en populaire klant van „De Gouden Engel” wel een moedig man;uiterlijk een houwdegen maar geen militair, die “op zijn strepen” stond; als zijn manschappen overigens maar deden wat hij beval. Dat kon natuurlijk niet anders, maar hij was verder een typische, voor zijn tijd al democratisch officier, die later in „Het Kompas” zijn ervaringen over mei '40 in de Over Betuwe beschreef.

    Huessenaar met de Huessenaren.
    Dames en Heren-Huessen is altijd een zeer grote plaats in mijn hart blijven innemen. Hoe zou het ook anders kunnen. Ik ben altijd Huessenaar met de Huessenaren gebleven en k heb dit
    later ook nog kunnen honoreren door begaafde mannen uit de oude stad als journalist aan te trekken voor De Gelderlander. Nol Lippmann, zoon van de befaamde schoenmaker, artiest en Wildeman Toon; Joop Brons, zoon van de even befaamde koster als Caiphasspeler uit het passiespel. En last but not least: de man, die wij de stuwende kracht en secretaris van onze “Historische Kring” mogen noemen: Henny Derksen. Hij heeft het als bekwame journalist met gevoel voor nieuws, achtergronden en historie, maar ook als een van mijn meest trouwe, betrouwbare en begaafde medewerkers tot chef van de centrale redactie weten te brengen. Ook daarvoor wil ik hem hier graag dankzeggen.

    Veranderde samenleving.
    Er is sinds 1940-'45 veel veranderd in de samenleving. En iedere verandering is niet altijd een verbetering, leerde mij prof. Kors. Ook de gemeente en gemeenschap Huessen is er niet aan ontkomen.
    Er is veel import-fremd volluk-binnen de gemeentegrenzen neergestreken, met alle gevolgen van dien; maar ik hoop en vertrouw er op, dat de autochtonen zich zullen weten te handhaven, met hun geloof en hun tradities, met hun gemeenschapszin en gevoel voor de eigen geschiedenis.
    Niet alles kan echter bij het oude blijven. Dat is ook niet goed. Men moet open staan voor het goede nieuwe. Maar er zijn elementen, goede zedelijke eigenschappen, die men niet prijs moet geven.
    De echte Huessenaar is geen heilige; niemand is dat trouwens; maar hij heeft wel zijn eigen deugden en gebreken; zijn eigen religie, geschiedenis en cultuur; zijn eigen humor en sociale structuur; zijn eigen landschapsschoon, taalrijkdom, gewoonten en gebruiken, die van geslacht op geslacht bewaard in de kleine, hechte gemeenschap der autochtonen. Bewààr ze ! Houdt ze in stand.
    Onze Nederlandse wapenspreuk luid: Je maintendrai !: “ Ik zal handhaven ! “ Dat geldt ook voor de échte Huessenaor. Onze “ Historische Kring” heeft daarbij een eigen taak en verantwoordelijkheid. Maak die wààr, temidden van alle importvervlakking en de culturele verschijnselen daarvan vandaag.
    Januari 1983 Louis Frequin

  • Huissense bijnamen Open or Close

    Huissense bijnamen.

    01. Toen ik voor het eerst in Huissen kwam
    wist ik van het plaatsje nog niets van
    maar na een maand of twee drie vier
    toen kende ik veel mensen hier.

    02. De mensen hadden natuurlijk een naam
    zo zal het op de hele wereld wel gaan
    maar wat ik weldra ondervond
    dat hier de bijnaam ook bestond.

    03. De een heet zus, de ander zo
    de een is lelijk de ander is mooi
    maar door het vragen hier en daar
    kreeg ik veel namen bij elkaar.

    04. En is er iemand op dit feest
    die een of andere bijnaam heeft
    hij word heus om dit vers niet kwaad
    dan heb ik liever dat hij gaat.

    05. Zo heb ik hier een olifant
    van hem is de vlooi een bloedverwant
    de gans, de kraai, de rat en de muis
    die horen ook in Huissen thuis.

    06. Een stekelvarken is ook hier
    de boer, de uuver en de stier
    de pad, de kikker en de slak
    de een is wild de ander mak.

    07. De aap de klophengst en de os
    die lopen samen in Huissen los
    het keuje, het schaap, de bok en de geit
    de bukkum in grote meerderheid.

    08. Het stekelbaarsje en de snip
    die gingen uit rijden met de hit
    de mus, de koekerd en de knien
    die gingen mee omdat te zien.

    09. De kip, veldhen en de kat
    die gingen samen eens op pad
    de hommel, de hen en ook de haan
    en ook de huisspreut sloten zich aan.

    10. De haan in het lopen een hele piet
    hij klopte echter de houtwurm niet
    al deze namen het is toch sterk
    ze lijken haast een dierenperk.

    11. Met de dieren ben ik er nu uit
    en begin nu maar met groenten en fruit
    dit zijn er echter maar een paar
    alleen het volgend versje maar.

    12. In *t versje dat nu komen gaat
    noem ik de erwt, de pruum, en de knolderaap
    dan rest mij nog de bes en de spruut
    en zo is dit stukske ook weer uut.

    13. Nu kom ik aan het mooiste punt
    waar je ook nog wel om lachen kunt
    geen dieren geen groenten en geen fruit
    van alles komt hier echter uit.

    14. Zo heb je de korte en de lange
    de kromme, de grootte en de krange
    de stieve, de viesert en de schoep
    de schèle, de konkert en evertje poep.

    15. Het foeperkuntje en de schijt
    die waren de schink en de sauspan kwijt
    maar Willum Kaatjes zei: “geen nood”
    Die zitten vast bij de Heilige Jood.

    16. En Koos van juut, ge kent hem wel
    die ging eens uit met Jan Rel
    naar Jan van Vadje en de spier
    en dronken daar een glaasje bier

    17. Kuise Bertus of Bart Loot
    zag *ns *s nachts het Leyser spook
    hij riep om hulp de flinkert aan
    maar deze zei: “*t gaat mij niks aan”

    18. De kruitkop en de suukersnuut
    die gingen samen lekker uut
    de vreetzak, vemer, en hartelei
    die waren ook van de partij.

    19. De brave Antoon en de stop
    die zochten dit gezelschap op
    ze trokken samen Huissen door
    en kwamen toen bij de pastoor.

    20. Hier zat de pater en de paus
    de rozenkrans en ook de smous
    je kunt begriepen *t huus was vol
    maar buuten wachtte nog de drol.

    21. De drol die dacht daor stok alleen
    maar zie, daor kumt Jan allebeen
    ze gingen samen welgemoed
    naar Hent van Vadje en de Hoedt.

    22. Ze hadden *t over de prul en *t rad
    de lodder, de puus, de neus en de pad
    de nurel, de moks, de pop en de kriel
    en kwamen eindelijk voorbij Jan stiel.

    23. De kattenslager en Jan doek
    die kwamen bij *t zoentje om de hoek
    daar bleven zij nog even staan
    want de heilige Dorus kwam daaraan.

    24. En raad eens wie er bij hun was
    de appelkreus en vaz-di-as
    de poeperd, de waggel en de buuk
    die kwamen net bij de mop uut.

    25. Het hele stel vertrok sebiet
    en kwam voorbij de rooie Piet
    en potverdorie wat verderop
    daar wachtte hen het nekske op.

    26. De eierraper en de hes
    de olieslager en dekles
    en majje klits en ook de huut
    die zag ik net want het lof was uut.

    27. En op de dam daar liep de stomerd
    de kouwesigaar en ook de slomerd
    en Hent van Det en hartevrouw
    die waren geloof ik in de rouw.

    28. De iezere, de houtere en de flip
    de neut, de angel en de lip
    en boereke Bouwman en de meneur
    die leip er een eindje veur.

    29. De lepert, petje en de fiemel
    de broajert, gompes en de hiemel
    het duuveltje en bonensoep
    dit was voorwaar een mooie troep.

    30. En in Huissen bij de pomp
    daar zag ik moesje en de klont
    het knoesje, de slobber en de grins
    de keizer, de koning en de prins.

    31. De schone, de bonte en de tuf
    die stapten in Huissen op de bus
    het pösje, de slijmert en *t klokhuus
    die gingen niet mee, maar bleven thuus.

    32. En op de weg die gaat naar *t veer
    daar liep de kikkert en de heer
    en rockefeller en de gek
    de spekkist met zijn dikke nek.

    33. Het koeteliezer en de sok
    Tinus de verver en de knots
    de schipper, Letje en kukerol
    de laatste heeft een gladde bol.

    34. Klein jäjje de leppert en de schoes
    de pantoffel, de mechel en de poes
    de aanzetter, lasje en de buul
    die keken en waren vuul.

    35. De piepert, de brommerd en de jood
    als ze nog leven zijn ze niet dood
    en de roetzak die zei tegen de kras
    ik wou dat het maar kermis was.

    36. De hutzak,de blèkke en de pies
    die waren van een borrel heus niet vies
    de droge, de blauwe en de puut
    die likten de suuker er onder uut.

    37. Mooi Koosje liep op de paoterslaon
    het zoentje hield haar even aan
    de blekke, de gèle en de boot
    die dachten aan weken van wittebrood

    38. De punt de blözerd en de breje
    wat ik vertel is al lang gelèje
    die waren samen eens aan de fuif
    met de blokkerd, het bontje en de duif.

    39. De engel, latjes en manke Marie
    dat zijn zowat de laatste drie
    de kruumel en bloosje hielden haar aan
    zo is het met *t namen spul gedaan.

    40. Nu hoop ik dat ik met dit vers
    geen enkel mens beledigd heb
    want heus *t was mijn bedoeling niet
    dit is * t eind van mijn lied.

    Uit het archief van mevr. Lies Willems-Dominicus

  • Huissenaar in het Koninklijk Nederlands Indische Leger Open or Close

    HUISSENAAR in het Koninklijk Nederlands Indische Leger

    Herman (Hermanus Johannes) Neijenhuis Geb: te Huissen 11-01-1908 – Overl.20-11-1983
    Zoon van: Johannes Theodorus Neijenhuis geb. 25 januari 1874 en overleden 16 juli 1967 te Huissen en (bijnaam de Beer) en Johanna Geertruida Dibbes, geb. 29-07-1869, overl. 23-09-1919 te Huissen.
     

     

    neijenhuis1 (Custom)

    1933:Jan Neijenhuis op de trappen
    van het oude gemeentehuis a.d. Markt
    In 1927 was Herman 19 jaar oud en leerling schilder van beroep en zijn toekomst nog ongewis. Het waren onzekere tijden en daar hij toch bij de gemeente Huissen was ingeschreven voor de dienstplicht voor de lichting 1928 (Gelderland loting no. 14) besloot hij m.i.v. 11 november 1927 zich te verbinden voor overzeesche militaire dienst, ingaande met den dag van geschiktbevinding voor uitzending: toegelaten als soldaat. Op 12 december 1927 werd hij geschikt voor uitzending bevonden in de Prins Hendrik Kazerne te Nijmegen, Hij kreeg een premie van 200 gulden.
    Op 3 januari 1928 werd hij geëmbarkeerd te Amsterdam aan boord van het Ms. P.C. Hooft. Een maand later en wel op 4 februari 1928 werd hij gedebarkeerd te Batavia en geplaatst als Fuselier bij het 1e Depot Bataljon voor een tropische opleiding van 7 maanden. Op 5 september 1928 werd hij ingedeeld bij het 16e Bataljon-Infanterie. Voor de gemeente Huissen werd hij op 1 oktober 1928 ingelijfd als dienstplichtige onder no. 14 en als zodanig toegewezen aan het 8e Regiment-Infanterie.
    Herman had al gauw in de gaten dat deze functie niets voor hem was en vroeg verandering van dienstvak aan.
    Op 24 mei 1930 werd hij overgedragen aan het Wapen van de Genie en werd aangesteld als Geniesoldaat der 1e Klasse- en werkman 2e Klasse en op 24 november ook –werkman 1e Klasse. Het beviel hem bij de Geniedienst zo goed dat hij op 12 december 1930 zijn contract verlengde bij de Koloniale Troepen met 3 jaren, zowel in als buiten Europa. Premie Fl. 100.-
    Op 24 mei 1931 werd hij Brigadier-Werkman. Werkzaam bij de Geniedienst betekende dat je werkzaamheden binnen het Archipel van Ned. Indië kon verrichten. In de periode 1931-1935 werd hij tewerkgesteld op Sumatra en wel in de plaats Fort de Cock. Zijn meerdere daar was Sergeant der 1e Klasse Herman Boden uit Bussum. Herman Boden was getrouwd met een Javaanse vrouw, Paulina Alimah. Het gezin had vier kinderen, drie meisjes en een jongen. Op de oudste dochter Leida, had Herman wel een oogje. Ze was pas 16 jaar en haar moeder vond het niet goed dat ze zo vroeg al verkering kreeg. Het zou zeer waarschijnlijk zijn dat Herman Neijenhuis in die tijd zijn voornaam Herman, voor vrienden en kennissen veranderde in Bob, om onderscheid te maken met zijn aanstaande schoonvader. Wanneer Bob en Leida s‟avonds naar de bioscoop gingen stuurde de moeder van Leida haar zoon Machiel als chaperon mee. Bob gaf Machiel dan een kwartje. En die was dan in geen velden of wegen meer te zien, Je kon in die tijd voor een kwartje een heleboel kopen, zoals een kogelflesje met fris, een portie bami of nasi. En wanneer Machiel een keer niet mee kon dan zorgde de moeder van Leida dat ze met een vriendin, tante Elliot, eerder in de bioscoop waren.

    Herman Boden werd op een zeker moment ongeschikt verklaard voor de dienst te velde en zou te zijner tijd worden teruggestuurd naar Holland Hij stond er op dat zijn dochter Leida voor zijn vertrek naar Holland zou trouwen. Herman Neijenhuis en Janna Aleida Boden trouwden op 20 augustus 1932 te Fort de Cock
     

    neijenhuis2 (Custom)

    20-08-1932
    Herman Neijenhuis & Aleida Boden
    (Archief: Fam. H.J. Neijenhuis)

    Op 25 januari 1933 vertrok het Gezin Boden vanuit Batavia naar Holland. Het gezin Boden vestigde zich te Naarden.
    Herman en Leida bleven achter in Fort de Cock. Op 27 april 1933 werd hun eerste kind, een zoon geboren, Theodorus Hermanus. Op 12 december 1933 herverbond Herman zich weer maar nu voor 6 jaren en werd overgeplaatst naar Makasar op Celebes voor een volgend project.
    Zijn gezin verhuisde mee en op 9 januari 1935 werd hun 2e zoon, Paulus Johannes geboren. Op 21 augustus 1935 werd Herman bestemd om naar de Koloniale Reserve in Nederland te worden gezonden teneinde aldaar in het genot van verlof te worden gesteld. Op 30 november 1935 ter opzending naar Nederland overgegaan bij het Subsistenten Kader te Soerabaja en tenslotte om op 11 december 1935 naar Nederland te vertrekken per m.s. Marnix van Sint Aldegonde. Op 7 januari 1936 ontscheept te Amsterdam. Met zijn gezin verbleef Herman in Naarden of in Huissen.
     

    neijenhuis3 (Custom)

    Marnix van Sint Aldegonde
    (Archief: Tropenmuseum)

    Wanneer hij met zijn gezin in Huissen verbleef, logeerde hij bij zijn ouders in het souterrain van het oude gemeentehuis van Huissen op de Markt. Zijn vader was daar gemeentebode, ook correspondent van de Gelderlander. In die tijd raakte Herman bevriend met de heer G. Vis, die mede eigenaar was van café “Spieka”, dat aan de markt stond. De heer G. Vis was gepensioneerd. Hij was voor zijn pensioen Kapitein op een boot die in de wateren van de Congo vaarde. Hij was getrouwd met de halfzus van de 2e vrouw van Hermans vader: Grada vd Sande. De heer G. Vis overleed nog in dat jaar. Herman kreeg later via de tweede vrouw van zijn vader, de trouwring van zijn weduwe als aandenken. Op 27 mei 1936 was het verlof van Herman voorbij en ging hij met zijn gezin met het m.s. van Oldenbarneveld weer terug naar Ned. Indië. Hij werd direct doorgezonden naar Pontianak op Borneo om zich in te werken en zich voor te bereiden op het aanleggen van een vliegveld op Singkawang. Op 15 juli 1936 werd zijn 3e zoon, Herry (Hermanus Johannus) geboren. In het begin van 1937 werd Herman c.a. 75 km noordelijker en meer landinwaarts overgeplaatst naar Singkawang voor de aanleg van het vliegveld. Het gezin verhuisde ook mee. Daar werd het gezin uitgebreid met nog twee zonen. Op 3 augustus 1938 werd Wilhelm Machiel geboren en op 26 april 1940 Bernardus Arnoldus. Herman kreeg een van de 7 woningen toegewezen, die langs een straat stonden, die naar de Kazerne liep.

    neijenhuis4 (Custom)
    Onderofficier te Singkawang, 1937, linksstaand
    (Fotoarchief H.J. Neijenhuis).

    Naast het huis was een open terrein, dan kreeg je de omheining van de kazerne. Meteen binnen de omheining van de kazerne was de ziekenhuisafdeling. Herman was altijd al verzot op vliegeren. Hij maakte ze altijd ook zelf en liefst zo groot mogelijk. Je moest de vlieger wel met z‟n tweeën vasthouden voor je hem kon oplaten. Hij had het dikke touw van de vlieger op een grote houten klos gerold. Op een dag had hij naast zijn huis de vlieger hoog staan. Hij liet één van zijn zonen op de klos zitten omdat hij zonodig naar binnen moest. En jawel hoor, bij een windvlaag ging het kereltje met klos en al de lucht in. Eén van de patiënten die binnen de omheining liep zag het gebeuren en kon met zijn wandelstok het kereltje redden van een verre vlucht. Tegen de avond brachten 2 koelies, die Herman erop uit had gestuurd, de vlieger terug. Tegenover de huizen en kazerne die langs de straat stonden. was een groot grasveld en daar weer achter een klein riviertje en weer daarachter de Kampong. Het grasveld werd als speelveld gebruikt. Zo werd het grasveld ook op Koninginnedag gebruikt voor allerlei spelen voor groot en klein van de Nederlandse samenleving van Singkawang. Er werd een paal van ca 7 meter opgesteld, die helemaal ingezeept werd met groene zeep. Bovenop de paal was een velg van een fietswiel met diverse prijzen eraan bevestigd. Ook was er een varken helemaal ingezeept met groene zeep. Probeer het dier dan maar eens te vangen! De dames zaten onder een lang afdak, netjes gekleed naar het spektakel van de mannen en de kinderen te kijken onder het genot van lekkere drankjes en allerlei zoetigheden, „s avonds was er in de kantine een Oranjebal.Het leven van een Europees gezin in Ned.Indië was gewoon eenvoudig maar aangenaam. Vanwege de hitte werd er gewerkt van half zeven in de ochtend tot half een in de middag, Men ging dan in de middag tot een uur of vier rusten, Na het mandiën ging men op visite of naar de Soos. Het gezin had meestal drie of vier bedienden. Die verbleven dag en nacht in de bijgebouwen. Je had een Baboe voor het koken, een voor het huishouden, een voor de kinderen, en een Djongos voor de tuin, boodschappen en om de kinderen naar school te brengen, Dat alles onder toezicht van de Vrouw des Huizes.

    neijenhuis5 (Custom)
    1940: Familiefoto Herman en Leida Neijenhuis
    (Archief: fam. H.J.Neijenhuis)

    Toen het vliegveld van Singkawang gereed was werd hij met zijn gezin op 21 maart 1941 naar de Geniedienst te Weltevreden op Java overgeplaatst
    In 1940 brak de oorlog in Europa uit. Duitsland viel Nederland binnen. Zijn buurman was een Duitser en Herman moest hem mee arresteren. Toen Japan op 6 december 1941 op Pearl Harbour de USA aanviel en daarna ook andere landen in Azië, was Wereldoorlog II een feit. Het verhaal ging dat Herman nu door zijn buurman werd gearresteerd. 8 Maart 1942 capituleerde Ned. Indië. Herman werd op 12 april 1942 naar Bandoeng getransporteerd om daar op een rubberplantage “Njati Nangor”te werken.
    Op 11 oktober 1942 werd hij als krijgsgevangene naar het 10e Bataljon-Infanterie in Batavia getransporteerd en op 15 oktober werd hij te Tandjok Priok ingescheept aan boord van het s.s Tacoma Manu, Vier dagen later kwam hij te Singapore aan. Toen met een boot naar Pineng en vandaar naar Rangoon in de gevangenis en als kok tewerk gesteld. 26 januari 1943 werd hij wederom ingescheept op een Chinese boot en afgevoerd naar Moulman op Burma en van daaruit naar Koen Knit, in Kamp 26. Hij moest als verpleger in een Hospitaaltje te Tambijazagat werken. Hij verhuisde diverse keren van kampen in Burma. Op 2 november 1944 werd hij afgevoerd naar Thailand en op 6 maart 1944 kwam hij aan in Kenbury een Australische ziekenkamp. Op 7 april 1944 vertrok hij naar Saigon alwaar hij op 15 april 1944 aankwam. 8 mei 1944 via het Rode Kruis bericht van vrouw en kinderen. 5 oktober 1944 nogmaals een bericht van zijn gezin. Hij vond dat heerlijk nieuws. 20 februari 1945 twaalf en een half jaar huwelijk. Gevierd met koffie en cake.
    15 augustus 1945 Japan capituleert, EINDELIJK VRIJ!
    Het leven van een krijgsgevangene was zeer zwaar geweest. Weinig te eten en te drinken, zwaar werk, veel ziekten, weinig of geen medicijnen. Voor straf soms uren in de volle zon staan en zodra je de Jappen beledigde kreeg je klappen. Ze waren immers kleiner dan de blanken. Wanneer je een officier beledigde kon het gebeuren dat je de doodstraf kreeg. Dat gebeurde d.m.v. het afhakken van het hoofd boven een gat waar het slachtoffer vervolgens in viel. Dat gebeurde in aanwezigheid van alle krijgsgevangen en hun bewakers. Het gebeuren heeft een diepe indruk achtergelaten in het verdere leven van Herman. Het zou nog een paar maanden duren alvorens Herman met zijn gezin verenigd zou worden. Zijn gezin verbleef gedurende de oorlogsjaren in Batavia op de Gang Chaulanweg. Via de Katholieke instantie werd Leida met haar vijf zonen in een school ondergebracht die onder leiding van Broeder Alexander stond. Het was een omsloten terrein met een toegangspoort. Op het terrein stonden diverse huisjes die als dienstwoning of kantoor dienst deden. Achter op het terrein stond een groot gebouw van twee verdiepingen waarin zich klaslokalen bevonden. In deze lokalen werden de vrouwen met hun kinderen ondergebracht waarvan hun mannen krijgsgevangenen waren gemaakt. Na de bevrijding werd het leven voor de Europeanen tamelijk gevaarlijk door de jongere generatie Indonesiërs die nu de kans zagen voor hun zelfstandigheid. De Europese krijgsgevangenen waren immers nog niet terug van hun gevangenschap.
    De school kreeg voor zijn bewoners bescherming van een peloton Engelse militairen die daar ook werd ingekwartierd totdat de mannen weer terug kwamen.
    Herman werd met terugwerkende kracht m.i.v. 5 maart 1942 bevordert tot Sergeant-majoor. Hij kreeg een huis aangewezen in de Gang Sekretari voor hem en zijn gezin. Tegenover werd een Kazernecomplex gevestigd van waar uit het Koninklijke Indische Leger weer op orde werd gebracht. Op 7 oktober 1946 werd hun enige dochter Johanna Berdina geboren. Een jaar later werd Herman weer bij de Geniedienst teruggeplaatst en verhuisde het gezin naar Meester Cornelis, een voorstad van Batavia, aan de Berenlaan. Hier kwamen in die tijd een aantal Huissense jongens op bezoek, die als militair naar Indië waren gezonden om het land voor Nederland te behouden, Hein Goris, Jan Houterman. Ook Hermans neven, Nol- en Jan Arends, Joop Scheepers met echtgenote en dochter Ankie.
     

    neijenhuis6 (Custom)
    1946-1947 Diverse Huissenaren in Indië
    (Archief: Fam. H.J. Neijenhuis)

    Voor Herman werd het weer eens tijd om weer met verlof te gaan naar Holland. Hij stuurde eerst Leida met de kinderen vooruit. Dat was in de zomer van 1947. Leida trok met haar kinderen in bij haar moeder in Naarden. Haar vader was al in september 1943 op 52 jarige leeftijd overleden. Ze bleven daar tot het najaar van 1949. Herman kwam in het voorjaar van 1948 met verlof en verbleef tot eind november 1948 bij zijn gezin. Herman keerde alleen terug naar Ned. Indie en werd op Tarakan, een eiland aan de oostkust van Borneo geplaatst. Op 1 juli 1949 werd zijn zevende kind, Johannes Theodorus geboren en naar de wens van de vader te Huissen (overleden op 14 april 1957). In augustus 1949 werd Nederland genoodzaakt de soevereiniteit van Ned. Indië over te dragen aan Indonesië. Herman werd aangesteld voor de Nederlandse Missie om de Geniedienst over te dragen en het personeel in te werken. Het zou nog een paar jaren duren werd hem verteld. Hij liet zijn gezin naar Tarakan over komen. In oktober 1949 arriveerde zijn echtgenote met de kinderen op het eiland Tarakan. Tarakan was bekend om zijn olie. Bij aanvang van WO-II was het een gewild object voor Japan. Wanneer zij Tarakan in handen hadden waren zij ook verzekerd van brandstof . Daarom werd Borneo als eerste aangevallen. Op Tarakan zat maar een kleine legereenheid. Deze eenheid verweerde zich zeer heftig en bracht een oorlogsschip tot zinken. Uiteindelijk moesten zij zich toch overgeven. De overgebleven militairen werden gevangen genomen en naar een Japans schip gebracht. Op dat schip werden alle gevangenen, in aanwezigheid van de gehele bemanning, onthoofd en in zee gegooid. (Dit gebeuren is pas na de oorlog bekend geworden).
    Het voordeel van Tarakan was dat het een eiland was en dat de Bataafse Petroleum Maatschappij het daar voor het zeggen had. Er was een Katholieke gemeenschap met een kerk en 2 priesters, waarvan er een uit Bemmel kwam, pastoor Berns. De jongens van Herman waren daar misdienaars.
    De Hollandse gemeenschap kwam samen in de sociëteit van de BPM, bij de sociëteit was een zwembad en een voetbalveld. Met Kerstmis regisseerde Herman een Kerstspel met de op het eiland aanwezige kinderen. In begin 1950 werd hij naar Bandjirmasin op het vasteland van Borneo gedirigeerd om daar behulpzaam te zijn met de overdracht van de Geniedienst. Het gezin verhuisde weer mee. Ook daar was de Katholieke kerk aanwezig. Monseigneur Groen en 2 priester van de Heilige Familie orde. Uiteraard gingen daar de kinderen van Herman ook de Mis helpen dienen. Eind 1950 bleek dat de situatie in Indonesië voor de Europeanen steeds onveiliger werd en besloot het KNIL, de Geniedienst met enige spoed op te heffen. Vanwege burgeropstanden verliep de terugreis van Herman en zijn gezin moeilijk. Eerst ging de boot (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij, KPN) naar Makasar op Celebes, daar diende men een paar weken te verblijven. Van daaruit naar Soerabaja op Java, daar weer een paar weken verblijven, en uiteindelijk naar Batavia. Daar werd ingescheept op het m.s. Johan van Oldenbarneveld om naar Holland te gaan. In maart 1951 debarkeerde het hele gezin Neijenhuis te Amsterdam. Herman koos zijn geboorteplaats uit als woonplaats voor zijn gezin. Het gezin werd tijdelijk ondergebracht in het Nonnenklooster Sancta Maria te Huissen. Later kreeg hij een huis aan de Gasthuisstraat, achter het Paterklooster. Omdat Herman voldoende jaren had opgebouwd (tropenjaren tellen immers dubbel) had hij eigenlijk met pensioen gekund. Hij zou dan voor een KNIL-pensioen in aanmerking komen en aangezien in het toenmalige Ned.Indië Fl. 1,00 in Holland vijftig cent waard was zou hij dus in Nederland moeten rondkomen met een half pensioen.Hij kreeg van de Overheid de gelegenheid om 3 jaar bij de Koninklijke Landmacht bij te tekenen om zodoende voor een vol Nederlandse pensioen in aanmerking te komen. Hij tekende en werd geplaatst bij de Geniedienst te s‟Hertogenbosch. M.i.v. 16 juli 1952 werd hij aldaar bevorderd tot Adjudant-onderofficier en op 1 november 1955 gepensioneerd met 49 jaar en 8 maanden diensttijd.
    Op 14 april 1957 stierf zijn jongste zoon Johannes Theodorus, die verpleegd werd in Huize Assisië te Udenhout.
    Herman was nog veel te jong om op zijn lauweren te gaan rusten. Na een tijdje bij de firma Heyting als opzichter werkzaam te zijn geweest, werd hij badmeester aan De Grote Bloem en later aan het Zwanenbad. Hij gaf daar ook zwemles.
     

    neijenhuis7 (Custom)neijenhuis8 (Custom) 

    Zwembad a.d. Grote Bloem (Dominees water)
    Hier werd ook door Herman Neijenhuis zwemles gegeven.
    (Archief: Fam. H.J. Neijenhuis)

    Hij werd lid van de carnavalsvereniging “De Blauwe Engel”en maakte daarvoor de decors en gaf les aan de dansmariekes. Hij zat ook in het comité van de ouden van dagen te Huissen. In Bronbeek was hij voorzitter van Madjoe, de vereniging van oud-KNIL-militairen, afd. Arnhem.
     

    neijenhuis9 (Custom)

    Carnavalsvereniging: de Blauwe Engel
    Rechts: Herman Neijenhuis
    (Archief: Piet Pauw)
    In het museum van de Historische Kring Huessen staat nog een replica van het oude Gemeentehuis van zijn hand. Gemaakt in de laatste jaren van zijn leven.

    neijenhuis10 (Custom)

    Aldus opgemaakt door:
    Herry Neijenhuis (zoon)-Huissen
    Bewerking: H.Hoen-Huissen.
    Niets uit dit verhaal mag worden overgenomen zonder toestemming van de auteur: Herry Neijenhuis

    Alle foto's in dit artikel zijn, door er op te klikkek, te vergroten

  • Patronale 1942 Door: Maria Demont-Derksen Open or Close

    Patronale 1942

    Door: Maria Demont-Derksen
    Geb. 19-11-1928 te Huissen.
    Julianastraat 34
    Huissen


    Maria Demont-Derksen was getrouwd met Gerrit Demont. Gerrit Demont was bennemaker a.d. Langestraat en woonde waar nu de DA gevestigd is en voorheen café de Harmonie. De fam.Derksen woonde vroeger in de Loostraat in de schuur van Putters naast Henk Siepman, de fietsenmaker. Het was 1942, toen ze nog op de lagere school zat en dat Past.Th.v.Wijk kwam vertellen dat ieder huisgezin een beeldje zou krijgen van de patrones van de Stadsparochiekerk: O.L.ten Hemelopneming. De pastoor zou het beeldje persoonlijk komen inwijden.
    En zodoende kwam pastoor Th.v.Wijk ook bij de fam. Derksen aan de Loostraat.
    De Patronale is gemaakt door de fa.van Rossum uit Utrecht.
    Het beeldje is op een zondagmiddag persoonlijk door de pastoor ingewijd. Eerst werd een Onze Vader en een Wees Gegroet gebeden en toen vroeg de pastoor of we ook nog een liedje wilden zingen.
    Mijn moeder en mijn twee zusters hebben toen gezongen. Mijn andere zus en broers waren nog te klein, dus die deden niet mee.
    Het liedje ken ik nog en ging als volgt:
    Blijde zingen we u ter ere lieve hemelse koningin
    Met de engelen en de heiligen stemmen wij uw lofzang in.
    Avé Avé Maria Avé Maria Avé Maria
    O Maria als dees kinderen kiezen u als moeder uit
    Wilt u ons aan uw hand geleiden eeuwig danken wij u daarvoor
    Avé Avé Maria Avé Maria Avé Maria
    Eens beloofden wij aan uw zonen koning Jezus onze trouw
    Om standvastig steeds te blijven sta ons bij uw lieve vrouw.
    Avé Avé Maria Avé Maria Avé Maria
    Dat was het liedje wat we toen gezongen hebben en daarna werd het beeldje ingezegend.
    In oktober 1944 hebben we ons huis verlaten en moesten evacueren.
    Toen wij terug kwamen van de evacuatie bleek er een wonder gebeurd te zijn.
    Het beeldje hing nog op dezelfde plaats als toen we het huis moesten verlaten, terwijl het huis zwaar gehavend was. Ik heb dat beeldje nog steeds in mijn bezit.
     

    pastorale1 (5)

    Patronale uit 1942
    Foto: H.Hoen
     

    pastorale1 (4)

    Klooster St.Elisabeth ad Lange Kerkstraat.Met links de Antoniuskapel.
    Archief: H.Hoen
     

    pastorale1 (3)

    Kerk O.L.Vrouw ten Hemelopneming voor de verwoesting mei 1943.
    Archief: H.Hoen
     

    pastorale1 (2)

    Pastoor Th.A..van Wijk
    Overleden 2 okt.1944
    Archief: HKH.
     

    pastorale1 (1)

    Arnhemse poort met aan de overkant fietsenmaker Henk Siepman met rechts
    de schuur van Putters waar oa.de fam. Derksen in woonden.
    Archief: H.Hoen-Huissen

  • Marshallplan 1948-1949 Open or Close

    Marshallplan 1948-1949

    Door: Cato Hoedt

    Het eerste omvangrijke ontwikkelingsplan van de Verenigde Staten is het Marshallplan uit 1940. Het behelsde hoofdzakelijk economisch hulp aan Europa.
    Na de Tweede Wereldoorlog kwamen n.a.v. dit plan, giften van sponsoren en particulieren naar Nederlandse Oorlogsslachtoffers.
    Wij ontvingen ook zo’n kist vol houdbare levensmiddelen, kleding en speelgoed.
    In gedachten noem ik het nog altijd “de doos –in dit geval kist- van Pandora”.
    Wat zaten er mooie spullen in. Rode schoentjes met hoge hakken, zijden ondergoed. Ik had precies de leeftijd om daar al wat mee te experimenteren.
    Een dankbare herinnering heb ik nog in mijn bezit: het uitvouwbare portemonneetje.
    In één van de pakken flour (bloem) zat een briefje met een adres. Wij wilden de gulle gevers hartelijk bedanken maar konden geen Engels schrijven. Pater (Gerard) Joosten heeft dat toen voor ons gedaan

    foto_1 (Custom)

    Tempelierenstraat met de Waag op de achtergrond
    Vlnr: Cato Hoedt-Mevr. Hoedt-Sleijster-Carla & Netty Hoedt en Pim Hoedt
    Archief: Cato Hoedt

    Wat schets onze verbazing, de Amerikanen schreven terug en wilden graag op bezoek komen in Nederland. Een datum werd geregeld (het was in de herfst van 1949)
    foto_2 (Custom)

    Volendam in klederdracht met Pater Joosten en de Amerikaanse bezoeker.
    Archief: Cato Hoedt

    Maar toen begon het grote organiseren voor het bezoek. Wij woonden in een piepkleine noodwoning en hadden nog niet veel, zo direct na de oorlog.
    Bij moeders vriendin, Dien Lestrade, werd tafelzilver geleend wat natuurlijk mooi gepoetst moest worden.
    Tafellinnen en extra stoelen. Er werd hard geboend en gepoetst om de gasten te ontvangen, ook door Marietje Janssen (later getrouwd met Jan Rijfkogel) ons dienstmeisje uit Hulhuizen.

    Op de bovenste foto genomen in de Tempelierenstraat staat de luxe slee van de Amerikanen en van links naar rechts Cato, Ma met Pim, Carla en Netty.
    Mijn broer Eef zat in de auto om even het stuur vast te houden.
    Wij dachten dat de Koningin in huis was, zo netjes en deftig was alles georganiseerd.
    De Amerikanen deden ook nog aan site-seeing in Nederland. De volgende foto is gemaakt in Volendam met Pater Joosten.
    Hij heeft ons ook in die tijd bijgestaan met de Engelse taal. De Amerikanen hadden een zeer modern fototoestel voor die tijd wat aan deze foto’s is te zien. Direct klaar en in kleur.

    foto_3 (Custom)

    Pater Joosten in Volendam
    Archief: Cato Hoedt

    Het was een ongekende belevenis vooral voor mijn moeder. Het Amerikaanse stel bleek een kinderloos echtpaar.
    Zij probeerden mijn moeder over te halen één van haar kinderen af te staan om mee te nemen naar Amerika. Hun keuze was gevallen op mijn broer Eef.
    Mijn moeder kon het, ondanks de moeilijke naoorlogse omstandigheden, niet over haar hart verkrijgen haar oudste zoon mee te geven aan de Amerikanen.
    Hieronder een foto met de Amerikaanse mevrouw, die mijn moeder –in werktenue- aan de achterkant van de noodwoning fotografeerde tijdens hun 2e bezoek.
    De negatieve beslissing van mijn moeder, aangaande hun kinderwens, werd als zeer verdrietig ervaren. Wij hebben nooit meer iets vernomen van deze weldoeners uit Amerika.

    foto_4 (Custom)

    Archief: Cato Hoedt

    Maar de herinnering blijft.
    En de kist….heeft jaren lang dienstgedaan als hooikist (warmhoudplaats voor stamppotten of rijst) en in 1958 is er een bewaarkist voor aardappelen van gemaakt (voor mijn uitzet).

    Opgemaakt te Huissen december 2012

    Cato Hoedt.

    Alle foto's zijn te vergroten door er op te klikken.

  • Herinnering 1ste Kerstnacht 25-12-1945 Open or Close

    Herinnering 1ste Kerstnacht  25-12-1945


    foto1 (Custom)

    Wil Bles 1947
    Wilhelmina Arnolda
    Vierakkerstraat  D 170 Huissen
    Huissen 06-06-1935 - Heijthuijsen 26-10-2012

    De noodkerk aan de Helmichstraat.
    De parochianen van de Maria ten Hemelopneming parochie in Huissen - Stad kerken nog steeds in de noodkerk sinds de mooie vroeg- middeleeuwse kerk in mei 1943 door brandbommen werd verwoest.
    En die noodkerk biedt niet zoveel mensen een plaats bij feestelijke gelegenheden.
    Binnenkort is het kerstmis en daar verheug ik me op, want ik wil graag naar de nachtmis van 3 uur.
    Dat zal de eerste keer worden.

    Enkele weken voor kerst valt een folder van de parochie in de brievenbus. Daar staat in, dat er van elk groot gezin niet meer dan 4 personen naar de diensten van 3, 5 en 7 uur mogen komen.
    Na overleg met de oudsten beslist Moeder.
    De “groten” mogen om 3 en 5 uur en de “kleintjes” mogen samen met Vader en Moeder mee om 7 uur.
    Ik word bij de kleintjes gerekend! Ja, in een gezin van elf kinderen behoor je soms heel lang tot de “kleintjes”, want ofschoon ik al tien jaar ben, mag ik dus niet mee.
    Wat een teleurstelling! Wat moet ik nu . Ik wil ook naar de nachtmis !

    volksbond (Custom)

    De Volksbond als noodkerk aan de Helmichstraat ( Archief HKH)

    Kerstnacht 1945

    Het is kerstnacht 1945. De twee “groten” die op mijn kamer slapen, worden gewekt. Ze doen heel zachtjes, maar ik ben toch wakker.
    Op een andere kamer hoor ik ook geroezemoes. Nu goed opletten wanneer ze allemaal weggaan. Eindelijk hoor ik de voordeur dichtgaan. Volgens mij is nu de kust veilig.
    Ik sta gauw naast mijn bed en kleed me vlug aan. Me wassen vind ik niet nodig., we hebben een grote beurt gehad. Vlug een kam door het sprietenhaar halen en op kousevoeten naar beneden.
    Gelukkig hadden we een trap die niet kraakt! Beneden gekomen vlug de schoenen aan, jas aan muts op en wegwezen. Ik haal het koortje door de brievenbus en maak voorzichtig de deur open en weer dicht.
    Even luisteren. Alles blijft stil. Maar, o wat is het donker buiten geen lamp brandt en waar is de maan? Ik ben toch wel een beetje bang. Daarom ren ik de 150 meter naar de kerk.
    Er is eigenlijk geen mens meer op straat en het is toch nachtmis! Hè, hè, ik ben bij de kerk. Ik heb het gered. Ik maak de deur open en kerstgezang komt me tegemoet, maar ook kijk ik tegen allemaal mannenruggen aan. Ik wring me ergens tussendoor en zie dat de kerk stampvol is. Wat een desillusie! Ik probeer in de aangebouwde linkerhelft te komen.
    De mensen zitten in de banken als in een potje met pieren. Ik zoek naar een standplaatsje tussen de mannen op de eerste rij achter de banken. Kan ik nog wat leunen.
    De mis is al begonnen, want ze zingen het gloria. Ik zie niets van wat er op het altaar gebeurt, maar in de kerk moet je geloven schiet me te binnen. Dat zegt Moeder toch altijd.
    Dus ik geloof het maar dat er iets belangrijks en heiligs bezig is. Dan opeens word ik opgepakt. Een stevige man heeft mij bij mijn middel vastgepakt en ik “vlieg” omhoog. Wat gebeurt er ?
    Ik durf geen kik te geven. Hij zegt iets tegen de mannen rondom ons. Dan maakt er een met moeite de biechtstoel open aan de kant van de priester. Daar staat een grote stoel en ik word in die stoel gezet.
    Hij zegt: “Blijf hier maar lekker zitten Bleske”. Ik ben er helemaal beduusd van, maar ben blij te zitten en ook nog op een lekker dik kussen van kapelaan Terpstra.
    Ondertussen hoor ik in de verte dat er een confiteor gebeden wordt en nu zingen alle mensen samen met het koor kerstliedjes.
    Ik heb in het blaadje gelezen, dat onder de tweede en derde mis kerstliedjes gezongen zouden worden. Ik voel me op mijn gemak en zing lustig mee vanuit de biechtstoel.
    Enkele mannen kijken om. Ik geloof dat ze er plezier in hebben, net als ik ! De nachtmis, de eerste van mijn leven, is uit.
    De man, die me in de biechtstoel gezet heeft zegt: “Bleske kom d’r mar uut. ’t Is afgelopen”. ‘’Dankuwel meneer” en ik schiet weg. Ik zit het dichts bij de deur, dus kan ik het eerst thuis zijn.
    En dat lukt, dankzij het koordje door de brievenbus. Ik weet nu nog, dat de anderen verbaasd waren, maar niemand was boos, gelukkig.
    Toch vrede op aarde ! Ik was gelukkig, ik was voor het eerst naar de nachtmis geweest !
    Wel moest ik lang wachten samen met alle 3 en 5 uursgangers, voordat we na de viering van 7 uur, toen ieder een naar de kerk geweest was, het ontbijt kregen.
    En met kerstmis hoorde daar verse worst bij. Heerlijk !

    Zuster François Bles.

    foto2 (Custom)                                                                   
    Zr. François Bles (Archief: Gerry Smink-Bles)

    Bovenstaand verhaal is na het overlijden van zuster François Bles in haar privé bescheiden gevonden en door de zusters Franciscanessen van Heijthuijsen uitgewerkt.

    Alle foto's zijn weer te vergroten door er op te klikken.

  • Reisboek voor Gelderland, Huissen anno 1938 Open or Close

    Reisboek voor Gelderland

     reisboek (Custom)

    Uitgave: van de Provinciale Geldersche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer G.V.V. Arnhem
    tweede druk: 1938

    Huissen, stadje in de Over-Betuwe aan den linker Rijnoever ten Zuid-Oosten van Arnhem. Buurtschap Malburgen.

    Geschiedenis:
    In de grijze oudheid heette Huissen, Huijssen, Huessen, Hussen. In een brief van het jaar 814 of 815 komt de plaats eerst voor als Hosenheim, Huessenheim of Huasenheim en heet in 864 Husnin in pago Batueva.
    Eens was het een belangrijk handelscentrum en sprak men zelfs van Arnhem bij de koopstad Huissen.
    Bij tractaat van 14 november 1802 stond de koning van Pruissen Huissen en Malburgen met Zevenaar aan de Bataafse Republiek af.
    De grensregeling vond tengevolge van het tractaat van den 11den November 1807 tusschen Frankrijk en het Koninkrijk Holland plaats.
    Toen nu Holland hierop in 1813 zijne rechten deed gelden, nam Pruissen er weder bezit van, totdat Huissen volgens artikel 66 der Akten van het Weener Congres van 31 Mei 1815 met het Ambt Malburgen tot Nederland overging, waarop den eersten Juni van het volgend jaar de indeeling bij Gelderland volgde,.
    Huissen was in 1688 de zetel van den Apostolischen Vicaris Neercassel, die er voorloopig een seminarie vestigde.

    Door de St. Gangulphus- en St. Laurentiusgilden worden nog zeer oude volksgebruiken in eere gehouden.

    Bevolking:
    Aantal inwoners 6081, waarvan 5780 R.. en 267 Ned. Herv. Politiek rechts.

    Bestaansbronnen: Landbouw, veeteelt, fruit- en groentekweekerijen (kassen en z.g. Warenhuizen).

    Verkeer:
    7 K.M. van station Arnhem.

    Autobuslijn: Betuwsche tram, Arnhem-Huissen-Bemmel-Lent-Nijmegen (uurdienst). (Zijlijn naar Pannerden).

    Aanlegplaats Looveer, 15 minuten van de stad.

    Verkeersweg van Huissen naar Arnhem en over Bemmel naar Nijmegen.

    Looveer tusschen Huissen en Duiven.

    Instellingen:
    Electr., Rioleering. (Waterleiding in voorbereiding).

    Onderwijs: 4 R.K. L.scholen, 1 Christ. L.sch., 1 L. tuinbouwschool en 1 landbouwhuish. sch.

    Middelb. enz. te Arnhem en Nijmegen )R.K. univ.) (bus of fiets).

    Kerken: 2 R.K. en 1 Ned. Herv. kerk.

    Bekend klooster der paters Dominicanen, noviciaat en opleiding.

    Ge. spaarbank.

    Post-, tel.- en teleph.kantoor.

    Gemeentehuis, tel: 390. Politie 250 en 384 (K 304).

    Kunst en Wetenschap:
    Entomologisch museum en penningkabinet in het klooster.

    Sport en Amusement:
    Visschen in den Rijn.

    In de gemeente Huissen ligt het openlucht Rijnbad van de Vereen.

    O.L. Bad te Arnhem. Bad aan het Dominee’s water.

    Biscoop Apollo. Concert-balzaal.

    Sociëteit in hotel ,,Geene” en in ,, Toelast”.

    Kermis 4e Zondag, Maandag en Dinsdag in September.

    Bezienswaardigheden:
    Het museum in het klooster.

    Bus en bodestaf en schild in het stadhuis.

    R.K. kerk (ca. 1220), 3 klokken in den toren, 3 schilderijen van de Bray (1651), doopvont, Christusfiguur.

    Eenige oude gevels en ankers in de Langestraat en het oude Posthuis ,, de Poort van Kleef”.

    Uit een folkloristisch oogpunt is Huissen zeer belangrijk Men leze daarover hetgeen D.J. van der Ven publiceerde.

    Er zijn 2 gilden. de St. Gangulphusgilde- en de St. Laurentius-schutterij.

    Het vendelzwaaien is er zeer vermaard. De gilden traden op in Amsterdam, in Den Haag en zelfs in Brussel.

    Den 1sten Zondag in Mei en den kortstbijzijnden Zondag bij 24 Juni (St.Jan) worden deze gildenfeesten met vendelzwaaien en folkloristische handelingen gevierd. Op Maandag d.o.v. Beleg en Ontzet van Huissen. Evenals te Laren (Gooi) zijn de Huissense processies (omdrachten) vermaard. Zij worden door de stad gehouden op Zondag na Sacramentsdag, en op den Zondag die daarop volgt in de kloostertuinen. De eerste is de interessanste.

    Groote groenten-en fruitveiling in de Laak.

    Wandelingen:
    In en om het stadje, vooral in den bloeitijd. Waterpartijen de Vlote Bloem, Dominee’s water en Groot Holthuizen.

    Hotels:
    Bosman, Markt; ,, de Buitenpoort”; ,, Het Gochse Koffiehuis” ,, De Zon’’ (J.Geene)  

    markt rond 1925 links de waag van bakker vd welk arch g bos vd stadswal 16b (Custom)

    Bovenstaande zeldzame ansichtkaart toont de markt rond 1925 met links de z.g. kersen of tabakswaag die toen in gebruik was bij bakker vd Welk als opslagruimte voor meel e.d.
    Ook heeft de scouting van Huissen nog in de oorlogsjaren in de waag gezeten. Na de oorlog heeft in de waag de smederij van Wezendonk gezeten.
    Daarnaast rechts woonde Huiskamp die een café runde en rond 1932 is daar café Spieka van Gijsbertus Vis en Grada vd Sande ingekomen.
    In 1937 heeft Everardus Hoedt het café overgenomen.

    (klik op de foto's voor een vergroting)

                 

  • Bom onder slaapkamer, 23 september 1948 Open or Close

    Bom onder slaapkamer, 23 september 1948

    Uit de Gelderlander van: zaterdag 25 september 1948

    Bom onder slaapkamer, Huissenaren leefden op Vulkaan

    Huissen, 23 september. Onder het slaapkamervertrek van het pand van de familie Elings aan de Helmichstraat, alhier werd hedenmorgen bij herstelwerkzaamheden een vliegtuigbom ontdekt.
    Het bleek een bom van 250 kg. en van Engelse  makelij te zijn .Men vermoedt, dat de bom sinds 2 October 1944, tijdens het grote bombardement op Huissen, hier terecht gekomen is.
    Nadat voor de verwijdering van het projectiel de nodige veiligheidsmaatregelen waren genomen, de sirenes liet men loeien  en de buurtbewoners werden uit een straal van 150 meter geëvacueerd,  begon de Mijnopruiminingsdienst uit Arnhem met zijn werk.
    Er moest twee meter diep worden gegraven, voordat het gevaarlijke apparaat zonder ongelukken kon worden verwijderd.Meerder ligplaatsen van oorlogstuig kwam ter ore en de mannen van de Mijnopruimingsdienst zorgden ervoor, dat ook dit werd weggehaald.

    Nogmaals wijzen wij onze lezers er op bij het vinden van munitie enz. dit zo spoedig mogelijk op te geven aan de politie, zodat de nodige maatregelen genomen kunnen worden.

    Helmichstraat 1945 (Custom)Fam. Nol & Betje Elings-Vliem (Custom)

    Klik op een foto voor een vergroting

  • Slag aan de Karbrug: 14 juli 1948 Open or Close

    Slag aan de Karbrug: Groot militair schouwspel op woensdag 14 juli 1948

    In het kader van Huissen 600 jaar Stad werd  een groot militair schouwspel in het programma opgenomen in de feestweek die duurde van 10-19 juli 1948.
    Scherpschuttersvereniging Montgomery wilde hiermede het feit  herdenking dat Huissen op 13 april 1945 werd bevrijd door de Lincolntroepen  van de 49e Britse Divisie 2e Comp.

    Waarom vierde Huissen feest in 1948 ?

    Op 13 juli 1348 bevestigde Graaf Johan van Kleef de stad in het bezit  der stedelijke rechten  "om sonderlinge gunst und trouwen diensten" en schonk haar nog meer rechten. Van Mechtild van Gelre ontving de stad vele privileges en,,heilsamekeuren,, Mechtild bewoonde de burcht van Huissen tot haar dood in 1388.

    Programma 14 juli 1948.

    11.00 uur Defilé van de troepen van het Garderegiment Prinses Irene, te Arnhem, voor de Autoriteiten  bij het gemeentehuis.
    14.30 uur: Opvoering van de slag om de Karbrug, georganiseerd door de scherpschuttersvereniging Montgomery m.m.v  de troepen van het Garderegiment  Prinses Irene, bijgestaan door de Veldartillerie van het depot Ede en de Spitfires  van de vliegbasis  Twenthe.
    Voorzitter van S.V.Montgomery was dhr. P. de Swart. (eig. van de Rafa: Radio Apparaten Fabriek Arnhem)

    Gedeeltelijk verslag uit de Nieuwe Tijd: het weekblad voor de Over-Betuwe van vrijdag 16 juli 1948.

    Reeds woensdagmorgen vroeg brachten de bekende bussen der G.T.W. honderden naar het  oude stadje, hetwelk op deze dag de bevrijding in  April 1945 herdacht met een groot militair schouwspel, de  Slag aan de Karbrug. Op het gemeentehuis verzamelden zich de burgerlijke en militaire autoriteiten voor het defilé der troepen, dat prompt elf uur een aanvang nam. Gelukkig bleef de regen uit, zodat tegen half twee zich een grote stroom mensen, afkomstig uit vele provincies, zich naar het voormalige slagveld aan de Karbrug begaven om de demonstatie bij te wonen. Met spanning volgde men de groots opgezette manoevre, waarvan wel het hoogtepunt vormde het  ingrijpen van de vier Spitfires van de Vliegbasis Twenthe,  die hun bommen wierpen in het ,,vijandelijke,, kamp. Daadwerkelijk bleek die belangstelling nog eens in de som van ruim f. 300.= , welke  voor het Thuisfrontwerk  werd ingezameld bij een collecte van het Thuisfrontcomité Huissen-Stad.

    Het geheel had een vlot verloop en Majoor van Emden en zijn staf. alsmede het bestuur der S.V. Montgomery verdienen dan ook alle lof !

    Note:

    Uit gesprekken met diverse Huissenaren heb ik vernomen dat de volgende personen waren verbonden met S.V.Montgomery. Initiatiefnemer Wezendonk (sr.) Het clubhuis was bij: Café Onder de Linden in de Struifstraat.
    Voorzitter: P.de Swart en verder: mevr. J.Elings, dhr. F.Schopman, dhr. T.Dicker en dhr. Olde Juninck (politieman).  O.a. dhr. Neijenhuis (Monkes), Jan Hendriks (van Tinus) en Majje van Trui waren in die tijd aangesteld om de sloten en ook de strang maar ook de oevers van de Linge te ontdoen van oorlogstuig en men stuitte toen ook wel op onaangename dingen. Door bewoners in de buurt van de Linge werd veel oorlogsspul gevonden en dat moest men natuurlijk inleveren ! Het schijnt dat b.v. vele gevonden geweren werden gebruikt tijdens de demonstraties van de Slag aan de Karbrug. Een mooi verhaal is wel dat de Spitfires die ingezet werden natuurlijk niet van bommen waren voorzien maar met zandzakken waren gevuld. Uit ooggetuigen verklaringen blijkt dat diverse zandzakken in de buurt van de toeschouwers terecht kwamen i.p.v. op afgelegen gebieden. De entree voor het schouwspel bedroeg toen: f.1.=

    Ook  schijnt het de bedoeling van S.V. Montgomery te zijn geweest om toendertijd een 2e Schutterij op te richten, maar zover is het niet gekomen.

    Opgemaakt door: H.Hoen-Huissen.

    Bronnen: Feestgids Huissen 600 jaar Stad & Programma S.V. Montgomery.

    Paspoort (Custom)Defile voor het gemeentehuis (Custom)

    14 juli 1948  toeschouwers ad Karbrug (Custom)14 juli 1948 Bruggetje bouwen ad Karbrug (Custom)

    Foto's zijn uit het archief van Hans Hoen

    Klik op een foto voor een vergroting

  • Hoe de Valom aan zijn naam kwam ? Open or Close

    Hoe de Valom aan haar naam komt.

    Uit de Nieuwe Koerier van 15 juli 1981.

    de Valom (Custom)

    Archief: HKH

    Gepubliceerd in de uitgave van Mededelingen van de Historische kring Huessen nr. 1  / 2 jaargang 6, 1981.

    Op de hoek van de Gochsestraat en de Struifstraat (thans, historisch gezien, volkomen ten onrechte ,,Stadswal” genoemd) ligt het perceel, in eigendom van de familie Mom, dat Valom is geheten. Ook het tegenover gelegen café van de familie Van Bon op de hoek van de Gochsestraat en de Karstraat draagt dezelfde naam. Het is zelfs zó, dat de naam ,,De Valom” eerder wordt geassocieerd  met het café dan met het perceel, dat van oudsher de naam draagt.

    De Gochsestraat werd aan de zijde van de Valom vroeger zelfs ,,Valomschestraat”  genoemd, ook in officiële stukken.

    De naam ,,Valom” stamt wellicht uit de plaatselijke mythologie. Er is een verhaal over die naam gepubliceerd in het kort na de oorlog  verschenen ,Volk in Nood” – Oorlogsdenkboek van de Betuwe en de boorden langs de Rijn en Waal. Het heette te zijn opgetekend uit de mond van ,,een heel oud Betuwnaar”, die het  vertelde in het vluchtelingenorgaan  der R.K. Betuwnaren in België.

    Het verhaal van de olifanten.

    Het was in die tijd-zo wil het verhaal- dat de Betuwe een wildernis was vol bossen en kolken.De bewoners leefden van jacht en visserij  en verbouwden alleen maar gerst en maakten daarvan brood en bier.  Nu wilde het geval, dat er zich een  kudde oifanten ophield, die met hun platpoten de oogst plat trapten en vernielden. Op zekere herfstdag meldden zich de afgevaardigden uit de Boven-Betuwe bij de Betuwse koning te Zetten teneinde hem om raad te vragen. De koning adviseerde hun  om ‘s avonds vaten met gerstebier buiten te zetten opdat de dieren zich zouden bedrinken zodat zij ter aarde zouden vallen. De volgende dag zou men dan van de ramp bevrijd zijn. De dieren werden dronken  en liepen als razenden in het rond en  heel de Betuwe dreunde onder hun poten. Bomen en stronken werden uit de grond gerukt en het volk sidderde de gehele nacht. Tegen middernacht kwamen boodschappers melden dat in de Langestraat in het stadje Huissen alle olifanten hun roes aan het uit slapen waren. Het duurde niet lang of het hele volk was in de Langestraat bijeen. Wat nu gedaan ? Een der oudsten en meest wijzen zij: ,,Laten we de laatste neerschieten, dan valt de hele rij als een kaartenhuisje ineen”.  Maar hij had niet aan het dikke vel gedacht. Een ander meende: , ,Schiet hem in zijn oog”. Maar de pijl had geen effect aangezien de olifant op het kritieke moment net zijn oog dicht deed. Met neerhangende hoofden keerde het volk naar de dorpen terug, waar alles was verwoest en ook geen gerstenat meer was. Opnieuw werd de koning om raad gevraagd. Deze zei: ,,Gij zijt uit hebzucht te zuinig geweest ….Gij hebt niet alle bier willen geven en daardoor hebt gij de dieren alleen maar razend en niet dronken gemaakt”. Hij vroeg waar de dieren sliepen en men vertelde hem: ,,In een bos, dicht bij Huissen”. ,,Welnu”, zei de koning, ,,gaat heenen zegt tegen het volk, dat ze bij windstilte en vóór het vallen van de avond alle bomen van dat bos onderaan op een handbreedte na, doorzagen”. Aldus gebeurde en toen men de volgende morgen ontwaakte,  zag men dat het bos bij Huissen (Slingerbos ?) verdwenen was.  Daarom- zo wist  de oude Betuwnaar te vertellen- noemt men de weg daarheen  de ,,Bosweg” (?) . Bij het verdwenen bos aangekomen zagen de mensen alle bomen kris kras door elkaar liggen en daar tussen door olifanten. Ze keken op de brede ruggen van de beesten en begrepen nu, dat dit soort olifanten zonder knieën niet anders konden slapen dan leunend tegen een boom.

    De Valom

    De wijze koning had dit voorzien en zo waren dus de dieren omgevallen; de mensen noemden daarom deze plaats voortaan De Valom. Op ‘s konings bevel werden de beesten stuk voor stuk afgemaakt en werd het vlees onder het volk verdeeld, terwijl andere beesten werden vetgemest en later voor consumptie gereed gemaakt. De Betuwe werd aldus lange tijd van vlees voorzien en de Valom was maandenlang een vetpot. Aldus het verhaal ,,van den alouden Betuwnaar”.

    Kaart Valom (Custom)

    Uit de Nieuwe Koerier15-07-1981

    De meeste Huissenaren ( en zelfs de huidige bewoners!) weten niet, dat  de Valom een ,,tegenhanger” heeft: het iets verderop aan de overzijde van de Struifstraat/Bloemstraat gelegen perceel: ,,Stavast”. Het komt onder deze naam voor op de polderkaart van Huissen en is gelegen aan de Polseweg. Hoe nu dit perceel aan de kennelijk aloude naam ,,Stavast” is gekomen, is de Historische Kring Huessen niet bekend. Het houdt ongetwijfeld verband met ,,De Valom”, maar mogelijk heeft deze naam een andere herkomst dan die, welke ,,de aloude Betuwnaar” zo fantasierijk wist te verklaren.

    Mocht u meer weten over de herkomst van de naam: ,,Stavast” en ,,De Valom” dan kunt u contact opnemen met: H.Hoen-Huissen Tel: 026-3255150
    Of via e-mail Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

  • Aanleg waterleiding in 1921 Open or Close

    Eerste aanleg waterleiding in Huissen in 1921

    Bijgaande akte van notaris Sipke de Jong die toen in de Bloemerstraat (later Vicariestraat) woonde geeft een goed beeld van de bouw van een waterleiding en de bouw van de (nu historische) watertoren aan het Klokkenpad bij de Grote Bloem.
    De akte komt uit het archief van Koos Meeuwsen jr. en de foto's uit het archief van de HKH.

     foto3 (Custom)foto1 (Custom)foto2 (Custom)

    Overeenkomst aangaande het beheer en aanschaf van de waterleiding aan de diepe bloem.

    Voor mij, Sipke de Jong, notaris binnen het arrondissement Arnhem, ter standplaats Huissen in tegenwoordigheid der na te noemen getuigen, verschenen:-------------------------------------------

    1.WILLEM MATHEUS JANSSEN,---------------------------------------------------------------------

    2. HENDRICUS DAMEN,--------------------------------------------------------------------------------

    3. ANTONIUS PETRUS BERENDS,-------------------------------------------------------------------

    4. GERARDUS JACOBUS MEEUWSEN,-------------------------------------------------------------

    allen warmoezenier en wonende te Huissen.------------------------------------------------------------

    Die verklaarden de volgende overeenkomst te hebben aangegaan.

    1.Er zal voor gemeenschappelijke rekening van partijen eene waterleiding worden aangelegd over hunne hofsteden, gelegen onder Huissen, kadastraal aldaar bekend in sectie E, nummers: 420,421 en 423, samen groot een en dertig aren, zeventig centiaren, toebehoorende aan den comparant Janssen, -----------------------------------------------------
    630 en 631 samen groot vijf en vijftig aren vijftig centiaren toebehoorende aan den comparant Damen.-----------------------------------------------------------------------------------

    37, 38 en 691, samen groot negen en dertig aren twintig centiaren, toebehoorende aan den comparant Berends als eeuwigdurend erfpachter en 535 boomgaard, groot vijf aren veertig centiaren aan denzelfde als volle eigenaar.--------------------------------------------------------

    35, 48, 765 en 313 samen groot een hectare, acht en zestig aren veertig centiaren, toebehoorende aan den comparant Meeuwsen;---------------------------------------------------

    waarvoor partijen bij deze vestigen eene erfdienstbaarheid van waterleiding, ten gebruike en ten nutte van voormelde kadastrale nummers van voornoemde comparanten en ten l;aste van de kadastrale perceelen nummers 420, 631, 37 en 765, waarop de installatie wordt opgericht en waarover de hoofdbuis wordt gelegd.---------------------------------------

    2. Het benoodigde water zal worden verkregen uit de kolk, genaamd “de Bloem”, gelegen binnendijks onder Huissen, kadastraal bekend gemeente Huissen, sectie E, nummer 840, groot tachtig aren tachtig centiaren, als moeras en water, eigendom van Antonius Johannes Tonk, warmoezenier, wonende te Huissen.---------------------------------------------

    3. Het water zal worden opgepompt door een motor met pomp in een reservoir, welke installatie is geplaatst op een stukje grond toebehoorende aan den comparant Janssen, grenzende aan voornoemd eigendom van den heer Tonk, groot ongeveer een are, uitmakende een oostelijk deel van voormeld kadastraal perceel Huissen, sectie E, nummer 420, als teelland groot vijf en twintig aren zestig centiaren.--------------------------------------

    4. Het water zal uit de kolk worden opgepomt en worden geleid door een hoofdbuis, welke gelegd zal worden, op zoodanige plaatsen en wijze als partijen zullen goedvinden, onder het publieke pad of de zoogenaamde kwelkade loopende van de Bloemstraat naar den dijk, over de kadastrale perceelen nummers 420, 31 en 37, vandaar over den openbaren weg “de Bloemstraat naar de hofstede van den comparant Meeuwsen.------------

    5. Het pompstation en de hoofdbuis zullen gemeenschappelijk eigendom blijven van voornoemde comparanten en door hen voor gemeenschappelijke rekening moeten worden onderhouden.--------------------------------------------------------------------------------------------

    6. Ieder der voornoemde comparanten zal het recht hebben voor eigen rekening zoodanige aansluitingen, van niet meer dan een en een halve centimeter doorsnede, aan de hoofdbuis te maken, als hij zal goedvinden, evenwel alleen aan dat deel der hoofdleiding dat op zijn terrein ligt.-----------------------------------------------------------------------------------------------

    7. de kosten van exploitatie dezer waterleiding zullen gedragen worden voor het eerste jaar door: den comparant Meeuwsen veertig procent, den comparant Damen vijf en twintig procent en de comparanten Berends en Janssen ieder zeventien en een half procent, terwijl voor de volgende jaren en wel na den eersten januari negentienhonderd drie en twintig, het kostenaandeel van ieder zal worden geschat, door voornoemde Antonius       Johannes Tonk, die zich een tweede schatter kan toevoegen, aan de uitspraak van welken schatter of schatters partijen zich onderwerpen, terwijl bij onstentenis van Antonius Johannes Tonk zijn broeder Willem Tonk,  met dezelfde bevoegdheid om zich een tweede schatter toe te voegen, ieders aan-deel zal schatten.--------------------------------

    De administratie zal gehouden worden door den comparant Meeuwsen, die verplicht is elk jaar voor den tienden januari rekening en verantwoording te doen van zijn beheer aan zijne mede contractanten.------------------------------------------------------------------------------

    Bij niet nakoming of overtreding van een of meer bepalingen in deze akte vervat, zullen de medecontractanten bevoegd zijn, den overtreder van de watertoevoer af te sluiten.-------

    En is ten deze medeverschenen: ANTONIUS JOHANNES TONK voornoemd, die verklaarde zijne toestemming te geven tot het pompen van water uit gemelde kolk en het daartoe leggen van een buisleiding van de kolk door de daarin uitkomende sloot, op de wijze, zoals hiervoor is aangegeven en het voormelde hem toebehoordende perceel sectie E, nummer 840 in verband met deze overeenkomst en ter uitoefening daarvan als erfdienstbaarheid ten dienste en ten nutte van de voormelde aan de comparanten sub 1,2, 3 en 4 toebehoorende kadastrale perceelen te belasten.----------------------------------------------

    Tot het leggen der buisleiding onder voormelde kwelkade is vergunning verleend tot wederopzegging, door de Gedeputeerde Saten der provincie Gelderland, op advies van den dijkstoel van het Polderdistrict Over-Betuwe, den twintigsten september jongstleden en tot het leggen der buis onder de Bloemstraat mede tot wederopzeggingstoe, door den Raad der Gemeente Huissen, den zesden october jongstleden.-----------------------------------

    De comparantenverklaarden, dat de vestiging dezer erfdienstbaarheden is geschied om niet.-------------------------------------------------------------------------------------------------------

    Ter uitvoering dezer verklaarden de comparanten domicilie te kiezen ten kantore van den tijdelijken bewaarder dezer minuut-akte.------------------------------------------------------------

    WAARVAN AKTE,is verleden te Huissen, den een en twintigsten december negentienhonderd een en twintig, in tegenwoordigheid van Petrus Alexander Heinrich Bensmann, candidaat-notaris en Hendrik Gerbrands, notarisklerk, beiden wonende te Huissen als getuigen, evenals de comparanten aan mij, notaris, bekend.-----------------------

    Onmiddellijk na voorlezing is deze akte onderteekend door de comparanten, de getuigen en mij, notaris, (geteekend).---------------------------------------------------------------------------

    W.M.JANSSEN; H.DAMEN; A.P.BERENDS; G.J.MEEUWSEN; A.J.TONK; P.BENSMANN; H.GERBRANDS; S.DE JONG nots.-----------------------------------------

    Gratis geregistreerd te Elst den negen en twintigsten december 1900 een en twintig, deel 96, folio 57, recto vak 8,

    Twee bladen, l renvooi, Ontvangen voor recht nihil. De ontvanger w.g. Boersema.----------

    Uit:

    Afschrift akte, ontvangen van dhr. Koos Meeuwsen (jr.)

    Bewerking: H.Hoen-Huissen

    oktober 2012